Birmese junta boekt economisch succes

RANGOON, 15 JULI. Yamin voelt zich de koningin te rijk. Ze werkt als secretaresse en klusjesvrouw in het business centre van een groot hotel in de Birmese hoofdstad Rangoon en verdient 200 echte Amerikaanse dollars per maand.

Dat is een vorstelijk salaris in Birma, waar de kosten van levensonderhoud bovendien bijzonder laag zijn. Yamin (21) geeft slechts 30 dollar van haar maandsalaris uit en dan is ze niet eens zuinig. Ze heeft zelfs een eigen auto.

Mensen als Yamin zijn in Birma, waar een militaire dictatuur heerst, nog een uitzondering, maar geen grote uitzondering meer. De Birmese junta mag dan veel kritiek - met name uit het Westen - krijgen over de politieke onderdrukking, op economisch gebied kunnen de militairen bogen op een tot nu toe succesvol verlopen liberaliseringsbeleid, dat eind jaren tachtig in gang werd gezet. Het land hoeft zich niet langer het lelijke eendje te voelen in de Zuidoostaziatische regio waar Thailand, Maleisië, Singapore en andere staten al jaren groeicijfers tussen de 7 en 10 procent halen.

De meeste - onafhankelijke - berekeningen over de groei van de Birmese economie komen uit op een gemiddelde van 8 procent over de laatste vier jaar. Daar staat wel een vrij hoge inflatie van 20 procent tegenover. In deze cijfers is uiteraard nog geen rekening gehouden met het terugtrekken van Heineken en Carlsberg uit Birma.

De investeringen van beide bierbrouwers waren tamelijk klein, maar een naijleffect is niet uitgesloten. “Er bestaat veel onzekerheid over de toekomst”, zegt een Birmese zakenman, “als de Verenigde Staten of Europa sancties opleggen en meer bedrijven zich terugtrekken uit ons land, gaat het mis.” Door de groeiende onzekerheid schoot de koers van de kyat het afgelopen weekeinde op de grijze markt omhoog van 144 naar 167 voor een dollar.

De Birmezen moeten nog wel wennen aan hun intrede in de moderne consumptiewereld. Ze verdringen elkaar voor de showroom van het Zuidkoreaanse bedrijf Samsung om een film te zien op een state-of-the art televisietoestel. Ze voelen aan de jeans en de t-shirts in de vestiging van het Hongkongse kledingbedrijf Giordano. Een toenemend aantal Birmezen kan het zich permitteren luxe goederen of diensten te kopen. Het aantal auto's is zo sterk gestegen dat het fenomeen file ook Birma heeft bereikt.

Discotheek Black & White (kledingvoorschrift: zwart en wit) op zaterdagavond. Honderden jonge Birmezen hebben de broek aangetrokken en hun longyi, de lange rok die vrijwel alle mannen en vrouwen dragen, thuisgelaten. Ze drinken bier en bacardi-cola's en ze dansen dat het een lieve lust is op house, rap en reggae. Het is een dansgelegenheid die overal ter wereld zou kunnen zijn. Bij de deur heeft niemand moeite met het ophoesten van 1000 kyat entree (ruim zeven dollar). De discotheek is Singaporees eigendom, een van de 36 investeringsprojecten, voornamelijk in de hotelbranche, van Singapore in Birma.

De Birmese oppositiepartij, de Nationale Liga voor Democratie (NLD), van Aung San Suu Kyi zegt dat het militaire regime zichzelf blij maakt met een 'luchtbeleconomie'. De militairen staan veel investeringen in hotels, restaurants en andere luxe diensten of goederen toe, maar in de infrastructuur heeft onderinvestering plaats, zo redeneert de NLD. Volgens Aung San Suu Kyi ontwikkelen de militairen alleen Rangoon en tweede stad Mandalay, waar in totaal maar 3 miljoen van de 45 miljoen Birmezen wonen.

“Je zult toch ergens moeten beginnen met de economische opbouw van een land en meestal is dat in de stad. Ik heb mijn twijfels over de economische ideeën van de Nationale Liga voor Democratie”, zegt een Westerse diplomaat. Hij meent dat Suu Kyi “te volks” denkt. “Dure hotels, discotheken en luxe consumptieartikelen mogen niet zijn besteed aan het gehele volk, maar in elk geval wel aan een deel van hen.”

Het Internationaal Monetair Fonds erkende eind vorig jaar in een rapport “sterke toename van de werkelijke economische activiteit” sinds 1992. Maar het IMF had ook forse kritiek. “Noch het bruto nationaal produkt per hoofd van de bevolking noch de agrarische opbrengst zijn terug op het niveau van midden jaren tachtig” aldus het IMF. Birma heeft verder nog altijd een veel te grote staatssector, terwijl het begrotingstekort groeit. Het fonds constateerde dat de consumptie als percentage van het BNP was gestegen ten koste van investeringen en kwam dus op enkele punten tot dezelfde conclusies als de oppositionele NLD.

De Wereldbank legde, eveneens vorig jaar, de zere vinger op een andere zwakke stee in de Birmese economie: het monetaire beleid. De nationale munteenheid, de kyat is officieel nog altijd niet vrij verhandelbaar en de koers wordt kunstmatig hoog gehouden op 6 kyat tegen de dollar. De (zwarte-) martktwaarde van de kyat bedraagt al jaren het vijftien- tot twintigvoudige hiervan. Het regime trok zich het commentaar van de Wereldbank aan en verklaarde in december 1995 de toen geldende koers van ongeveer 120 kyat als semi-officieel. Om zeker te zijn van het binnenhalen van voldoende harde valuta bleef het verplicht omwisselen van dollars door bezoekers aan Birma bestaan, het bedrag dat buitenlanders bij aankomst moeten omwisselen werd verhoogd van 20 naar 300 dollar. Daarvoor krijgen ze Foreign Exchange Certificates (FEC), die evenals dollars in hotels en op enkele andere plaatsen legaal kunnen worden omgewisseld tegen de (laatst gemeten) marktkoers van 130. In de nabijheid van de boeddhistische tempels en ander bezienswaardigheden kan men bij zwarthandelaren, die zich nog steeds bij bosjes melden, een nog gunstiger koers krijgen, maar het extreme verschil met de officiële appreciatie is verdwenen.

Vorige maand paste het militaire bewind het invoertarief van 300 procent naar beneden bij (hoeveel is nog onduidelijk). Van meer belang bij het belasten van de import is dat niet langer de oude kyat-koers wordt aangehouden, maar dat de fictieve koers op 100 kyat voor een dollar is bepaald. “Dit zou een stap kunnen zijn naar een officiële devaluatie. De mensen zijn bang dat hun kyats straks in een klap veel minder waard zijn”, zegt een economisch analist in Rangoon. Hij ziet daarin mede een reden voor het verder zakken van de koers van de kyat en de grote vraag naar dollars.

Twee Birmese particuliere banken, de Myanmar Mayflower Bank en de Yangon City Bank hebben joint ventures gesloten met een Thaise en een Singaporese bank, hetgeen verder moet bijdragen aan het op orde brengen van het monetaire beleid. Behalve 17 Birmese banken hebben 34 buitenlandse banken (waaronder de ING) toestemming gekregen om kantoren te openen in Rangoon. Ondanks deze monetaire hervormingen kan de militaire regering de kyat nog niet volledig vrij laten verhandelen. Het grote ambtenarenapparaat krijgt betaald in kyats, gerekend naar de oude koers.

Het berekenen van de marktwaarde voor de kyat zou betekenen dat de ambtenarenlonen op slag bijna niets meer waard zouden zijn. Voor de dan noodzakelijke astronomische loonsverhogingen heeft de regering geen geld, terwijl het in geen geval een opstand van de bureaucratie wil riskeren.

De vader van Yamin - de jonge hotel-manager - neemt maandelijks 2000 kyat mee naar huis. Tegen de officiële koers van 6 kyat tegen 1 dollar zou dit neerkomen op een inkomen van 333 dollar. Helaas voor pa blijft er op de markt van zijn salaris een schamele 15 dollar over. En zijn nominale inkomen zal nog verder wegzakken omdat de kyat verder wegzakt, terwijl de ambtenarensalarissen gelijkblijven of dalen. De enige zekerheid die de ambtenaren hebben is dat ze enkele eerste levensbehoeften (onderdak, rijst, groente) mogen kopen tegen de oude koers.

Ook op een ander punt lijkt de militaire regering haar critici nu de pas te willen afsnijden: investeringen in de infrastructuur. Om de energievoorziening op een hoger peil te brengen zijn in Rangoon twee nieuwe gasturbinecentrales in gebruik genomen, enkele andere zijn nog in aanbouw. Volgens mededelingen van het Birmese Elektriciteitsbedrijf zijn er twaalf waterkrachtcentrales gepland in verscheidene delen van het land. Japanse en Thaise firma's zijn betrokken bij de bouw van een waterkrachtcentrale in de Mae Kok-rivier aan de Birmees-Thaise grens, met een vermogen van 150 tot 300 megawatt. De centrale, waarvoor een 140 meter hoge dam moet worden gebouwd zou in 2001 klaar moeten zijn.

Als we mogen afgaan op de mededelingen van het militaire bewind zelf wordt er haast gezet achter het bouwen van nieuwe wegen en spoorwegen en het verbeteren van het telefoonnet. Of dit werkelijk gebeurt staat nog te bezien, maar met louter propaganda komt het bewind er niet van af. De meeste buitenlandse investeerders malen niet om de politieke situatie in Birma, zolang ze hun plannen kunnen uitvoeren en door de militairen niet met valse beloftes worden opgescheept.

Gemeten naar het totale investeringsvolume staat het Britse bedrijfsleven bovenaan (660 miljoen dollar) gevolgd door Singapore (600 miljoen), Frankrijk (465 miljoen), Thailand (420 miljoen) en de Verenigde Staten (240 miljoen dollar). Ook deze cijfers blijkt dat Westerse landen, waaruit zoveel kritiek op de politieke situatie in Birma is gekomen, qua investeringen niet onderdoen voor de Aziatische landen, die zich niet wensen uit te laten over de Birmese politieke situatie en in plaats daarvan kiezen voor een 'constructieve dialoog' met Rangoon.

Eind deze week heeft Birma in Jakarta voor het eerst de hoge status van waarnemer op de jaarlijkse bijeenkomst van de zeven landen van de ASEAN, de Associatie van Zuidoostaziatische landen, bestaande uit Indonesië, Thailand, Singapore, de Filippijnen, Maleisië, Brunei en Vietnam. Birma heeft het lidmaatschap van het handelsblok aangevraagd en alles wijst erop dat Zuidoost-Azië de Birmezen en hun militair bewind in de armen zulen sluiten. Als het dit jaar niet is, dan wel in 1997.