Zijn wij gierig?

Niets persoonlijks blijft geheim; iedereen wordt onophoudelijk in alles onderzocht. Terwijl u dit leest 'maakt u deel uit van een onderzoek' naar bijvoorbeeld uw concentratievermogen op de leeftijd die u nu hebt. Als de telefoon gaat kan het zijn dat aan de andere kant van de lijn iemand wil weten of u naar de televisie kijkt en zoja.

Of er is iemand die u wil polsen over uw bereidheid om mee te werken aan een programma van de emotie-televisie voor uw eigen bestwil. Met de resultaten van alle onderzoeken wordt 'iets gedaan'. Dat is niet zelden het verzinnen van een manier om u iets te laten doen wat u zonder dit onderzoek nooit van uw leven zou hebben gedaan. Resultaten van sommige onderzoeken komen in de krant; van andere merk je pas dat ze gedaan zijn als je in de val bent gelopen. Ongemerkt zijn we gaan leven met de onderzoeken als met het weer. Ze zijn bestanddeel geworden van het milieu. Je kunt wel naar een onderzoeksvrije omgeving streven maar zonder onderzoek stort waarschijnlijk de economie in en dat argument geeft de doorslag.

Nu is uit een onderzoek van de Visa creditkaart gebleken, las ik in Het Parool, dat het Nederlandse en het Italiaanse volk de gierigste van Europa zijn. De Italianen en wij geven 1,7 procent van ons jaarlijks inkomen uit aan cadeautjes. Het gulst zijn de Oostenrijkers en de Britten: die besteden 4,4 procent aan onbaatzuchtige hartelijkheid. Opmerkelijk zijn vervolgens de bedragen die in het eigen uiterlijk worden geïnvesteerd. Weer lopen de Nederlanders voorop, nu samen met de Turken: 10 procent.

Drie reacties zijn mogelijk. De eerste: deze resultaten zijn niet verwonderlijk. Het geven van cadeautjes hangt samen met het aantal mensen van wie men vindt dat ze daarvoor in aanmerking komen. Italianen en Nederlanders zijn familiegezind, ze geven niet in het wilde weg, niet louter om zich populair te maken. Ze houden hun gaven het liefst binnen de eigen kring. Dat is geen bewijs van gierigheid maar juist van een liefdevolle benadering der allernaasten en verder een blijk van gezond wantrouwen tegen de rest van de wereld. Als een familielid je iets geeft is dat een teken van genegenheid, maar als je van een betrekkelijk vreemde opeens een cadeautje krijgt moet je op je hoede zijn. 'Nooit iets aannemen van vreemde mensen' is een voorschrift van de Nederlandse opvoeding. Het zou me niet verwonderen als er in het Italiaans ook zo'n uitdrukking bestond. Hieruit volgt verder dat juist het niet geven van cadeautjes aan Jan en Alleman hier de achterdocht in het sociaal verkeer doet afnemen.

De tweede reactie volgt logisch uit de eerste. De gulheid heeft een bodemgetal. Dat is deze 1,7 procent. Alles waardoor dit percentage wordt opgeschroefd geeft te denken. Hoe komt het dat de Britten en de Oostenrijkers zo gul zijn uitgevallen? Op die vraag geeft het Visa-onderzoek geen antwoord. Je zou moeten weten wàt precies wie aan wie geeft om tot een wetenschappelijke conclusie te komen. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat meer Britten en Oostenrijkers meer mensen als hun vrienden en familieleden beschouwen, de grenzen niet zo scherp trekken. Dan verschuift het vraagstuk van zogenaamde gierigheid naar dat van maatstaven en normen. Het zal de Visa creditkaart natuurlijk welkom zijn als de kaarthouders een grote vriendenkring en een uitgebreide familie hebben. Dat kan men de onderneming niet kwalijk nemen. Maar dat is iets heel anders dan een volk 'gierig' te noemen.

De derde reactie is dan vanzelfsprekend de vraag: waarom heeft Visa dit onderzoek gedaan? Wil men de eerzucht, in dit geval de kritiekloze vrijgevigheid prikkelen om het percentage op te voeren? Iets anders kan ik me niet voorstellen.

Het andere opmerkelijke resultaat van het onderzoek is de 'meer dan 10 procent' die Turken en Nederlanders aan het eigen uiterlijk uitgeven. In Turkije heb ik nog nooit op straat gelopen, maar rondkijkend in Amsterdam moet ik zeggen dat het me niet verwondert. De 10 procent moet, dunkt mij, hoofdzakelijk hieruit worden verklaard dat de Nederlandse man zichzelf heeft ontdekt. Voorzover ik dat heb gezien dragen nergens ter wereld de heren zoveel opschik, doen ze zo uitgebreid hun best om er leuk uit te zien als in de hoofdstad. En dan, de meest gevarieerde collectie overhemden en kleurrijke jasjes zie je op de Nederlandse televisie. Nergens is de tegenstelling tot wat de traditie wil (pijprokende boer op klompen) en de werkelijkheid groter.

Daarvoor vallen ook allerlei verklaringen te verzinnen: de radicale uitbraak, van het calvinisme naar de grote wereld, het wortel schieten van het machisme en het gevolg daarvan, het adverteren van het eigen ik. Het is allemaal interessant genoeg om er eens een apart onderzoekje aan te wijden. Ik maak er melding van.

    • S. Montag