Wortelstekken

Het is prettig te denken dat men de enige in het land is met een exemplaar van een bepaalde plant, al brengt het ook een zekere verantwoordelijkheid mee. Zo staat het er voor met mij en de Acanthus spinosus 'Lady Moore'.

Dat is, in weerwil van de associatie tussen acanthus en klassieke architectuur, een Ierse versie, gekoesterd door en genoemd naar Lady Moore, de gade van Sir Frederick Moore, die 43 jaar lang (van 1879 tot 1922) directeur was van de National Botanic Gardens te Glasnevin, Dublin.

Acanthus spinosus heeft prachtige gepunte bladeren, meer getand en onregelmatiger dan Acanthus hungaricus; de Lady Moore-variëteit heeft witachtige jonge bladeren, zodat de mensen je aanklampen en vragen welke plant dat in hemelsnaam toch kan zijn.

Het moet gezegd worden dat Lady Moore's carrière in mijn tuin tot dusver niet briljant was: gebloeid heeft ze nooit en ze is de martelares der Nederlandse slakken, onder wie bij haar komst een gejuich moet zijn opgegaan. Waar andere acanthussen van zich afbijten of in elk geval overleven, zit Lady Moore er kwijnend bij en lijdt; als je niet tussenbeide kwam zou geen enkel blad voorbij het embryostadium komen.

Toen ik een bekende kweker over deze zeldzame plant vertelde suggereerde hij dat ik er wortelstekken van zou nemen. “Snij gewoon in het voorjaar, wanneer zij weer begint te groeien, een paar stukjes wortel af.” Dat is het soort advies waar je: 'O ja, goed idee' op zegt, waarna pas later tot je doordringt dat je geen idee hebt hoe het precies in zijn werk gaat. Elke keer dat ik naar de acanthus keek dacht ik aan de wortelstekken en besloot het later te doen, volgend jaar bijvoorbeeld. Maar toen besloot Geoff Hamilton in een aflevering van Gardeners' World plotseling om wortelstekken te maken - en welke plant koos hij om op deze wijze te vermeerderen? Een acanthus. De boodschap was duidelijk en de volgende dag ging ik er op uit met mijn schop, besloten hebbend Lady Moore tegelijk ook te verplaatsen, iets waar acanthussen niet op gesteld heten te zijn.

De moeilijkheid met de wortelstek, volgens Geoff Hamilton, is er zeker van te zijn dat je de wortel met de juiste kant boven krijgt. Je snijdt een stuk wortel af, je vergewissend welk eind bovenaan, dus het dichtst bij de plant was, en welk onderaan, het benedenste uiteinde van de wortel. Dit snijd je in kleinere stukjes, ongeveer twee centimeter lang, en die plant je in potgrond met het boveneind vlak onder het oppervlak. Uit die top spruiten, als alles gaat zoals het moet, nieuwe blaadjes; dat deden zij ook inderdaad voor Geoff Hamilton, die een paar aldus aan zijn wortelstekken ontsproten kleine acanthusplantjes liet zien.

Als je bedenkt dat dit precies is wat er gebeurt wanneer je per ongeluk een stukje windewortel doorhakt: daaraan ontspruit een hele nieuwe plant, en groeit tot volwassen formaat, in minder tijd dan een progamma van Gardeners' World - dan lijkt het onnodig je zo in te spannen. Desondanks plaatste ik met bevende hand mijn drie stukjes wortel in een pot, zonder iets erbij, geen hormoonpoeder of wat ook, begoot het, deed een boterhamzakje over de pot en zette alles in de koude bak.

Daar stond zij, een hele tijd, en er leek niets te gebeuren; ziejewel, dacht ik, het is veel moeilijker dan het lijkt. Toen vond ik op een dag zilverige slijmsporen op de oppervlakte van de aarde in de pot en het viel mij in dat slakken de nazaten van Lady Moore op het spoor waren gekomen. Ik sprenkelde genadeloos wat slakkenkorrels: de volgende dag lagen er meer dode slakken in de pot dan wortelstekken. Het leek erg bedroevend te moeten wachten tot volgend jaar voor ik het opnieuw kon proberen, en had Geoff Hamilton niet gezegd dat het zo gemakkelijk was? Ik groef een van de stekjes op om te zien hoe het er aan toe was en constateerde dat de wortel zelf wortels had gekregen. Gauw, in de grond terug, nog meer slakkekorrels, nieuwe plastic zak, een goede plek waar ik ze elke dag kan inspecteren - en zie, nu heb ik drie heel kleine Lady Moortjes, elk met een miniatuurblaadje. Dus het kan, zelfs in vreemde aarde.

Het toeval wilde dat ik juist twee nieuwe boeken had aangeschaft met van alles er in over de oorspronkelijke Lady Moore, waaronder haar eigen systeem om planten te vermeerderen. Zij had, wanneer zij in de tuin van iemand anders een plant zag die haar beviel, de gewoonte te vragen: “Do you think that plant might have a little brother?” Er staat tegenover dat zij, volgens de boeiende History of Gardening in Ireland van Keith Lamb en Patrick Bowe (Dublin, National Botanic Gardens 1995) ook heel gul was met haar eigen planten; het boek verwijst naar 'dwaaltochten rond de tuin waar de bezoeker nooit met lege handen vandaan kwam'. Sir Frederick Moore gaf, toen hij directeur van Glasnevin was, vaak planten weg waarvan hij wist dat ze het daar niet goed deden aan mensen wier tuinen beter geschikt waren, zoals de nieuwe rhododendrons die uit China arriveerden.

Het andere boek met interessante informatie over Glasnevin en de Moores is The Brightest Jewel: A History of the National Botanic Gardens, Glasnevin, Dublin, door E. Charles Nelson en Eileen M. McCracken (Kilkenny, Boethius Press, herdrukt 1994). Het bevat Moore's eigen beschrijving van een bezoek aan de Tuinen met William Gumbleton, een excentrieke plantsman en bibliofiel. “Mr Gumbleton schold een plant waar hij niet van hield uit voor 'a Tush Plant' en aarzelde vervolgens niet haar aan flarden te slaan met zijn paraplu.”

Daar ben ik te timide voor, maar dichter bij huis is een andere opmerkelijke eigenschap van Gumbleton, namelijk dat hij “ervan genoot planten aan te wijzen die het enige specimen in Ierland waren, zelfs als ze niet erg goed gedijden”. Zijn schaduw moet over mijn Lady Moore en haar dochters zijn gegleden.