Vermeend treft laagste inkomens

Staatssecretaris Vermeend van Financiën pleit in een interview in NRC HANDELSBLAD (26 juni) voor een verschuiving van directe naar indirecte belastingen. Uit berekeningen zou blijken dat dat een gunstig effect op de economie en de werkgelegenheid zou hebben.

Maar wat is het effect op de positie van de laagste inkomensgroepen en dan met name op groepen die geen uitzicht meer hebben op extra inkomen via werk, zoals ouderen met alleen AOW of een klein pensioen?

Vroeger bestond belasting hoofdzakelijk uit het heffen van tol en accijnzen. De bijbel spreekt reeds over tollenaars, en in Nederland is de rol van Dorestad, het huidige Wijk bij Duurstede, beroemd geworden. Accijnzen werden niet alleen geheven op tabak en sterke drank, maar ook op eerste levensbehoeften, zoals zout, graan, vlees, suiker, turf en kolen. Dat moest ook wel, omdat het anders niet genoeg zou opleveren. Het waren hoofdzakelijk stedelijke belastingen.

In Nederland werd pas in 1805 een nationaal belastingstelsel ingevoerd met een verschuiving van indirecte naar directe belastingen (personele belasting en grondbelasting). Die verschuiving werd later versterkt met de introductie van de inkomstenbelasting en de vermogensbelasting in 1892 door minister Pierson. Dat stelsel was gebaseerd op het draagkrachtbeginsel. Er bestond een belastingvrije voet en de heffing was progressief, dat wil zeggen dat het belastingpercentage oploopt met het inkomen. Ons huidige belastingstelsel met een grote component directe belastingen gebaseerd op draagkracht is dus pas ongeveer een eeuw oud.

Directe belastingen hebben het voordeel boven indirecte belastingen dat daar makkelijker inkomenspolitiek mee te voeren is. Een nadeel van directe belastingen was hun inbaarheid. Het was veel lastiger directe belastingen ook daadwerkelijk te innen dan indirecte belastingen. Dat is een belangrijke reden waarom de meeste ontwikkelingslanden thans nog steeds nauwelijks inkomstenbelasting heffen. De belastinginkomsten in die landen bestaan voornamelijk uit indirecte belastingen zoals accijnzen, omzetbelasting en invoerrechten. Ongeacht het inkomen betaalt iedere consument de in de prijs verborgen belasting.

In bijna alle landen van de wereld is de last van indirecte belastingen gelijkmatig over de huishoudingen verdeeld. Binnen landen betalen alle inkomensgroepen van laag tot hoog een ongeveer even groot percentage van hun inkomen aan deze belastingen. Er valt ook niet veel progressie in de structuur van indirecte belastingen te brengen. Het is niet haalbaar alleen luxe goederen te belasten. Dat levert te weinig op. Ook al zijn de tarieven van luxe goederen hoger van die van noodzakelijke goederen, dan nog moeten ook de eerste levensbehoeften onder het belastingsysteem vallen omdat alleen een brede basis voldoende belastinginkomen genereert.

De indirecte belastingdruk is in de meeste landen ongeveer proportioneel omdat het consumptieaandeel van de lage inkomens veel groter is dan dat van de hoge inkomens. Een belastingstelsel dat hoofdzakelijk gebaseerd is op indirecte belastingen druist dus dwars tegen het draagkrachtbeginsel in.

Hoewel Vermeend in het interview een aantal behartenswaardige opmerkingen maakt, slaat hij mijns inziens de plank mis met zijn idee over het verschuiven van directe naar indirecte belastingen. Directe belastingen zijn over het algemeen progressief (weliswaar is de effectieve progressie kleiner dan de nominale door hogere aftrekposten van hogere inkomens, maar zij blijven desalniettemin progressief) en indirecte belastingen zijn vlak. Een budgettair neutrale overheveling van directe naar indirecte belastingen heeft daardoor negatieve financiële gevolgen voor de lagere en middeninkomens.

In Nederland zijn de laagste inkomensgroepen er de afgelopen vijftien jaar op achteruit gegaan. Hun inkomen bleef achter bij dat van de rest van de bevolking. Het is jarenlang niet verhoogd omdat het is gekoppeld aan het minimumloon, en er is drastisch bezuinigd op sociale uitkeringen en allerlei subsidies. Daarnaast zijn ook de prijzen van hun bestedingen onevenredig toegenomen, met als belangrijkste post de huurverhogingen. Bestedingsbelastingen drukken het zwaarst op de laagste inkomensgroepen en met name op groepen die geen uitzicht meer hebben op verbetering van hun inkomenspositie via werk, zoals ouderen.

Compenserende maatregelen zijn vaak ontoereikend en niet meer dan een doekje voor het bloeden. Zo betekent de aangekondigde extra verhoging van de ouderenaftrek in 1997 en 1998, als onderdeel van het algemene armoedebeleid van het kabinet, minder dan een gulden per dag erbij voor ouderen met alleen AOW of een klein pensioen. Dat is minder dan één sigaar (uit eigen doos met gelijktijdige inlevering van meer sigaren). Ik pleit dan ook niet voor compenserende maatregelen, maar voor het vergeten van het idee.

Wij zijn sinds een eeuw een beschaafd land. Daar wordt belasting geheven naar draagkracht.

    • Hans de Kruijk