Trage emancipatie

HETTY BERG (red.): De Gelykstaat der Joden. Inburgering van een minderheid

128 blz., geïll., Joods Historisch Museum/Waanders 1996, ƒ 35,-

Deze bundel verscheen bij de gelijknamige tentoonstelling in het Joods Historisch Museum (tot 24 november). Het is een zusterpublikatie van eerdere aantrekkelijk uitgegeven boeken bij tentoonstellingen in dit museum, namelijk Venter. Fabriqueur, Fabrikant, Joodse ondernemers en ondernemingen in Nederland, 1840-1940 (1994) en Dat is de kleine man. 100 jaar joden in het Amsterdamse amusement, 1840-1940 (1995). De bundel bevat negen bijdragen en een uitgebreide en waardevolle literatuurlijst.

De tentoonstelling is georganiseerd ter gelegenheid van de 200ste verjaardag van het besluit van de Nationale Vergadering van de Bataafse Republiek op 2 september 1796 'Over de Gelykstaat der Joden', waarbij werd gedecreteerd dat 'Geen Jood zal worden uitgeslooten van eenige rechten of voordeelen die aan het Bataafsch Burgerregt verknogt zijn'. Aan dit decreet was een dagenlange discussie tussen voor- en tegenstanders onder de leden van de Nationale Vergadering voorafgegaan, waarbij mogelijk ten slotte de inmenging van de Franse consul, Noël, de doorslag heeft gegeven. Dat dit decreet een langdurige voorgeschiedenis had, zowel aan joodse als aan niet-joodse zijde, wordt aangetoond in de interessante bijdragen van Peter Buys, Joodse Genootschappen in Nederland 1738-1840, en van A.J. Hanou, Joden en Nederlandse Genootschappen 1750-1850. Buys behandelt hier een vijftal joodse genootschappen, waarvan Felix Libertate, het Patriottengenootschap, opgericht op 11 februari 1795 door Mozes Salomon Asser, Hartog de Lemon en Herman Bromet, verreweg het bekendst is. Het is de verdienste van Buys dat hij ook aandacht besteedt aan vier andere genootschappen, waarvan er twee, de Société Amicale en Concordia Crescimus geheel, en Talmidei Tsedek, vrijwel geheel uit Portugese joden bestonden.

De burgerlijke gelijkstelling der joden was het resultaat van twee verschillende stromingen - een algemene en een joodse, beide overigens slechts aanwezig bij een betrekkelijk kleine groep. De eerste stroming is die van de Verlichting in het algemeen, die vooral in Frankrijk zijn oorsprong had. De andere stroming is die van het joodse streven naar deelname aan de omringende cultuur, de Haskalah, die vooral in Berlijn door Moses Mendelssohn was voorgestaan, en in Nederland reeds in 1742 door Isaac de Pinto (1717-1787).

Uitgangspunt

Deze burgerlijke gelijkstelling betekende allerminst dat de joden nu ook maatschappelijk als gelijken werden beschouwd. Dit lag gedeeltelijk aan de vooroordelen van de meerderheid van de niet-joodse omgeving, gedeeltelijk aan de aanvankelijk nog gebrekkige kennis van het Nederlands van vele joden. Daarom werd reeds in 1817 door de overheid het onderwijs in het Nederlands op alle zogenoemde joodse armenscholen verplicht gesteld. N.L. Dodde, hoogleraar in de geschiedenis van het onderwijs aan de Erasmus Universiteit en de Universiteit van Utrecht geeft van de ontwikkeling van het onderwijs aan joodse leerlingen van 1815 tot 1940 een gedetailleerd overzicht.

Een ander interessant artikel is dat van Joost Divendal over de Portugees-joodse uitgever, boekhandelaar, publicist en vertaler Mozes Cohen Belinfante (1761-1827), die zowel als uitgever en publicist een voorvechter was van de emancipatie der joden.

Een verkeerd uitgangspunt, dat mede het uitgangspunt van de tentoonstelling is, ligt mijns inziens ten grondslag aan het artikel van Salvador Bloemgarten, welbekend door zijn jarenlange studies over de joodse arbeidersbeweging in Nederland en speciaal over Henri Polak. Pas door de opkomst van de SDAP en van de ANDB (Algemene Nederlandse Diamantwerkers Bond) na 1890 werd volgens hem de emancipatie van het joodse proletariaat werkelijkheid.

Volgens de tentoonstelling werd de algehele emancipatie der joden in Nederland pas werkelijkheid in 1919, toen het Algemene Kiesrecht werd ingevoerd, waarbij ook joodse onvermogenden en joodse vrouwen kiesrecht kregen. Dit heeft echter niets met de joodse inwoners van Nederland als zodanig te maken, maar gold evenzeer voor niet-joodse ingezetenen.

In deze bundel ontbreekt een aantal aspecten waaraan aandacht had kunnen worden besteed. In de eerste plaats een vergelijking met het emancipatieproces der joden in andere landen, en speciaal in Frankrijk, Duitsland, Engeland en de Verenigde Staten. Ten tweede aandacht voor de algemene ontwikkeling in Nederland, met inbegrip van de Verzuiling en ook voor het antisemitisme. Ten derde aandacht voor de interne ontwikkeling binnen de joodse gemeenschap, waar sinds 1814 deze niet langer als een 'joodse natie' werd beschouwd, maar als een Nederlands Israelitisch Kerkgenootschap, evenals andere kerkgenootschappen hier te lande dus uitsluitend verbonden door dezelfde godsdienst. Verder zou erop moeten worden gewezen dat de nakomelingen van de joodse voorvechters van de emancipatie in Nederland, evenals dit bijvoorbeeld met de nakomelingen van Moses Mendelssohn in Duitsland het geval was, grotendeels geen banden met het jodendom meer hadden. Pas onlangs kreeg een aantal van hen weer belangstelling voor hun joodse 'roots'. De bundel had zich beter kunnen beperken tot verschillende aspecten van de emancipatie der joden in Nederland tussen 1795 en 1815, en hun onmiddellijke doorwerking, zoals is gedaan in de lijvige studie van J. Michman (Melkman), Dutch Jewry during the Emancipation Period, 1787-1815, die slechts enkele weken voor deze bundel verscheen.

Ten slotte nog iets over het uiterlijk van deze bundel. Op de kaft prijkt een kleurenfoto van vijf kinderen uit een joodse familie. Hun kledij is een ratjetoe van allerlei elementen: de meisjes dragen een soort Volendammer muts, maar verder verschillende soorten kostuums, de jongens een soort Tiroler Buben-kledij met verschillende hoeden. Blijkbaar was deze foto genomen op een verkleedpartij voor een familiefeest. Met al dan niet geslaagde emancipatie heeft deze foto echter niets te maken.