Overheid heeft de burgermoraal zelf ondergraven

De discussie over een publieke moraal, een door de bevolking in brede kring geaccepteerd en inspirerend stelsel van waarden en normen, lijkt alweer te verflauwen. Dat was om een aantal redenen te verwachten. Het is vrijwel uitgesloten dat de gedachtewisseling over de publieke moraal, zoals een beperkte groep van politici en intellectuelen die nu voeren, ooit een brede maatschappelijke discussie zal worden.

Wat er precies in de hoofden van de mensen omgaat, is lang niet altijd met zekerheid te zeggen. Het is echter zeer de vraag of individuen bij de inrichting van hun dagelijks leven denken in termen van moraal, waarden en normen. Moraal is al reeds een abstract begrip dat alleen nog maar moeilijker vatbaar wordt als verschillende soorten van moraal tegenover elkaar worden gesteld. In plaats van over waarden denken de mensen eerder aan hun idealen, aan hetgeen zij nog aan goeds van het leven verwachten, of zij denken aan zoiets als 'het belangrijkste in het leven'.

Deze idealen zijn gericht op de eigen persoon of zij gelden voor de mensen met wie het individu zich nauw verbonden weet. De eigen gezondheid, het welzijn van de gezinsleden en een redelijke materiële levensstandaard zijn de belangrijke dingen. Bovendien lijken mensen normen voornamelijk te associëren met hetgeen men niet behoort te doen, dus met het fatsoen en met inbreuken die men daar op kan maken. In grote, inspirerende concepten denkt het merendeel van de bevolking slechts bij uitzondering. Sommige politici voelen dit aan en zoeken aansluiting bij de gangbare denkwijze. Het recente begrip 'goed burgermansfatsoen' komt waarschijnlijk aardig in de richting van wat de gemiddelde Nederlander wil, al kan men daar tegen in brengen dat het begrip 'burgerman' in de Nederlandse cultuur negatief geladen is, doordat de associatie met 'burgerlijk' zo voor de hand ligt.

De afstand tussen de vormgeving van het debat en de manier waarop de gewone Nederlander denkt, zorgt ervoor dat de aanprijzing van de publieke moraal van bovenaf uit de samenleving komt. Enige impuls van onderop lijkt daar niet tegenover te staan. Juist de verlangens van onderaf geuit, geven echter aanleiding tot brede maatschappelijke discussie. Op den duur is de realisatie van zulke wensen bovendien moeilijk tegen te houden. De vertegenwoordigers van de voormalige communistische regimes weten daarvan mee te praten.

De relatie van waardenstelsels tot de feitelijke gang van zaken in een samenleving is daarnaast menigmaal zwak, zodat de praktische consequenties van een keuze voor de ene of voor de andere groep van waarden onduidelijk zijn. Belangrijke bundelingen van regelingen, zoals de sociale zekerheid, kunnen zonder ingrijpende wijzigingen functioneren in samenhang met verschillende waardenstelsels. Zelfs in combinatie met Blut und Boden lukt dat nog wel. (Niet alle waarden zijn even mooi, er zitten ook hele louche tussen.)

Waar het om het individueel gedrag gaat, is de correspondentie tussen waarden en gedrag eveneens onvolmaakt. Behalve door hun geweten, worden mensen ook gemotiveerd door hun driftleven, waarin een destructieve component onmiskenbaar aanwezig is. Bovendien kunnen zij door de omstandigheden in een bepaalde richting worden gedwongen.

Ten slotte zullen waardenstelsels in moderne, complexe en vooral multi-culturele samenlevingen nooit ten volle algemeen aanvaard kunnen zijn. Kerkse christenen, buitenkerkelijke sociaal-democraten en islamieten uit diverse stromingen, om maar enkele categorieën te noemen, zullen alleen met behulp van zeer abstracte morele begrippen op één lijn te brengen zijn. Zodra die algemene begrippen in concrete maatregelen worden uitgewerkt, wat toch de taak van de overheid is, zullen de diverse bevolkingscategorieën deze toch weer volgens hun eigen maatstaven gaan beoordelen. Met de culturele eenheid is men dan weer even ver.

Om een aantal redenen wordt er in tamelijk kleine elitaire kring dus een discussie gevoerd die weinig resultaat belooft. Hoe komt dat nu?

Bij een deel van de elite bestaat het denkbeeld dat de secularisering de moraal haar vaste basis in de christelijke godsdienst ontnomen zou hebben. Het negentiende-eeuwse schrikbeeld 'God is dood, alles is geoorloofd!' doet, zij het verzwakt, nog steeds zijn invloed gelden. De helft van de Nederlanders is echter atheïst, agnost of gelooft in een vage hogere macht. Een kleine miljoen inwoners aanbidden andere goden dan de christelijke God. De veronderstelling dat al deze mensen geen moraal hebben of een zeer zwakke huldigen, is uiterst onwaarschijnlijk en verder op zijn best onbeleefd. Dat de godsdienst, vooral de christelijke, de enige basis van de moraal is, zou zo langzamerhand toch een overwonnen standpunt moeten zijn.

Daarnaast voelen overheid en politieke partijen de begrijpelijke behoefte hun bedoelingen in de vorm van een eenvoudig slagwoord te presenteren. Er zijn sinds de jaren zeventig nogal wat van die leuzen geweest: 'de spreiding van macht, kennis en inkomen', 'het ethisch reveil', 'de zorgzame samenleving' en 'de sociale vernieuwing'. 'Bestek '81' en 'een nieuw industrieel elan' vallen wat buiten deze opsomming, omdat zij niet in de eerste plaats een morele lading hadden. Vrijwel al deze leuzen zijn in onbruik geraakt.

Hoe politici en overheid hun bedoelingen ook formuleerden, met uitzondering van 'de spreiding van macht kennis en inkomen' gingen de leuzen gepaard met het streven naar bezuiniging. Het beslag van de collectieve middelen op het nationaal inkomen, het begrotingstekort of de staatsschuld moesten met bepaalde percentages omlaag. De overheid heeft er ruim twintig jaar naar gestreefd de bevolking te mobiliseren op grond van eenvoudige getallen. Dit zal, naar men veronderstellen mag, de toch al geringe ontvankelijkheid voor morele boodschappen als onderdeel van het overheidsbeleid niet vergroot hebben. Als de overheid nu nog wil moraliseren, heeft zij zichzelf de afgelopen decennia behoorlijk in de wielen gereden.

    • J.W. Becker