Nederland moet Vlaanderen eindelijk eens serieus nemen

Nederland is traag met het aanhalen van de culturele banden met Vlaanderen. Volgens Paul Beugels komt dat door het hardnekkige Hollandse misverstand dat de overeenkomsten tussen Vlaanderen en Nederland vooral op taalgebied liggen, en niet op dat van de cultuur. Zeven adviezen om dat misverstand uit de weg te ruimen.

Onopvallend heeft de premier van Vlaanderen, Luc van den Brande, boegbeeld van de Nederlands-Vlaamse betrekkingen en gedreven pleitbezorger van de kleine cultuurgemeenschappen in Europa, dezer dagen in Brussel de Vaste Commissie tot uitvoering van het oude 'Cultureel Accoord' Nederland-België bijgezet in de geschiedenis. Met een tevreden glimlach kon hij melden dat de Vlaamse regering het nieuwe 'Cultureel Verdrag' met Nederland, dat daarvoor in de plaats moet komen, op 20 juni heeft geratificeerd.

In de marge moesten de Nederlandse aanwezigen met plaatsvervangende schaamte erkennen dat men in Den Haag nog niet verder is dan de schriftelijke behandeling van het betreffende wetsvoorstel door de Tweede Kamer. Als met deze slakkengang wordt voortgesukkeld, zal het verdrag op zijn vroegst begin 1997 in werking treden, twee jaar na ondertekening. Deze Hollandse traagheid is het zoveelste teken van gebrek aan ware politieke interesse in onze culturele verbondenheid met Vlaanderen.

Ofschoon een verdrag slechts betrekkelijke betekenis heeft voor de praktijk van culturele samenwerking, is het wel bepalend voor de koers en het karakter ervan. De symboolwaarde is hoe dan ook groot. De zeer summiere verdragstekst is echter tamelijk vlak en vrijblijvend, en eigenlijk niet veel meer dan een opgetuigde intentieverklaring.

Toch bood het verdrag de unieke mogelijkheid om de eentalige tweeling Nederland en Vlaanderen tot een structurele, coherente en slagvaardige verhouding te brengen. Daartoe had het bestaande Verdrag van de Nederlandse Taalunie (1980) moeten worden verbreed en verdiept tot een alomvattend Cultureel Verdrag, waarvan de Taalunie de harde kern had moeten vormen. De ambtelijke wil en de politieke moed ontbraken echter.

In Vlaanderen was men, niet geheel ten onrechte, argwanend jegens Nederland, uit vrees voor verlies van de verworvenheden van de Taalunie, want het begint eindelijk beter te gaan met dit waardevolle instituut in Den Haag. Maar ten diepste ambiëren de Vlamingen, zo meen ik waar te nemen, een symbiose van de taal- en cultuurgemeenschap die zij met de Nederlanders vormen, ook beklonken in één sterk verdrag.

In Nederland heeft men evenwel alle mogelijke vluchtwegen bedacht om aan een zware, meer dwingende constructie als deze te ontkomen. Zelfs serieuze pogingen van de Interparlementaire Commissie van de Nederlandse Taalunie, zijn van Nederlandse zijde op nogal luchtige wijze afgedaan. Staatssecretaris Nuis heeft met droge ogen verklaard dat wij “niet te hard van stapel moeten lopen” - en dat na vijftig jaar Cultureel Accoord en zestien jaar Taalunie Verdrag!

In de onlangs - zes maanden na de schriftelijke vragen uit de Tweede Kamer over het Verdrag - gepubliceerde 'Nota naar aanleiding van het verslag' draait de Nederlandse regering er opnieuw omheen: “De doelstellingen en de werking van beide verdragen zijn anders”, en dus kan er niet worden geïntegreerd. Inderdaad, maar het ging er juist om ze tot één beleidsinstrument te smeden voor dat ene beleidsdomein.

De regering concludeert dat “onderbrenging (sic) van het Cultureel Verdrag in het Taalunie Verdrag niet zou bijdragen tot versterking van de Nederlandse Taal”. Alsof zoiets door iemand zou zijn bepleit. Een loze bewering, die de waarheid moet verhullen. En die is, dat in sommige Haagse kringen nog steeds de kennelijk onuitroeibare misvatting bestaat, dat Nederland en Vlaanderen wel, of misschien hooguit, een taalgemeenschap vormen maar zéker geen cultuurgemeenschap.

In zo'n opvatting is er een wezenlijk verschil in zwaarte en positie tussen taal en cultuur, dus ook in wederzijdse verdrags- en beleidsverplichtingen. Ze past in de traditie van een laag ontwikkeld natiebesef, een vaag cultuurhistorisch bewustzijn, een diep geworteld superioriteitsgevoel jegens Vlaanderen, een haperende buitenlandse cultuurpolitiek.

Samengevat: de 'afstand tot het vaderland' (Annie Romein) blijft groot. In zijn gefundeerde beschouwing in NRC HANDELSBLAD (9 mei) heeft de Leuvense hoogleraar F.G. Droste, voor Nederlanders die het niet wisten of niet wilden weten, overtuigend aangetoond hoe lang en hoe zeer onze gemeenschappelijke taal en cultuur met elkaar zijn verweven.

Maar het pleit is beslecht. In de komende tijd zullen er twee afzonderlijke verdragen zijn, met weloverwogen twee gescheiden doelstellingen en werkingsgebieden. Men is slechts gehouden tot 'onderlinge afstemming', die in de voorbije periode bij mijn weten weinig tastbaars heeft voortgebracht.

Ofschoon één verreikend verdrag pas echt een nieuw perspectief voor het Nederlands en de Nederlandstalige cultuur in het Europese culturele landschap zou hebben gecreëerd, kan de pijn van de gemiste kans in de nabije toekomst alsnog worden verzacht door, met de twee verdragen in de hand, een integraal beleidsplan tot stand te brengen dat profiel en positie geeft aan de strategische alliantie Nederland-Vlaanderen.

De bestanddelen voor een dergelijk plan liggen voor het grijpen in de vele plannen, voornemens, studies, nota's, rapporten, moties, verklaringen, die doorgaans een papieren leven leiden. En dan gaat het niet zozeer om de eindeloze hoeveelheid activiteiten die zich over en weer voltrekken en die bevestigen dat de onderlinge samenwerking en uitwisseling floreren als nooit tevoren.

Op vrijwel alle terreinen van de cultuur - taal inbegrepen - wordt dit manifest. Gezamenlijke presentaties van literatuur, podiumkunsten, beeldende kunsten in het buitenland, de akkoorden voor het hoger onderwijs, actieprogramma's voor basis- en voortgezet onderwijs, het Nederlands-Vlaamse Theaterfestival, het jaarboek The Low Countries, co-produkties van films en omroepprogramma's, vertalingen van Nederlandstalige schrijvers, wetenschapsbeoefening, actieve regionale werkverbanden van de zuidelijke provincies. Een golvend veld van duizend bloeiende bloemen. Het ligt er zo vanzelfsprekend bij dat een cultureel verdrag er nauwelijks nog aan te pas hoeft te komen. De enige zorg die men moet hebben, strekt zich uit tot kwaliteit, continuïteit, wat meer samenhang en structuur, en vooral meer geld, want dat is er mondjesmaat.

Goed beschouwd, ligt het belang van het Cultureel Verdrag en het Taalunie Verdrag niet primair in de versterking van de onderlinge samenwerking, maar in de gemeenschappelijke keuze die eruit zou moeten voortkomen voor het tonen van het veelzijdige culturele gezicht van Nederland en Vlaanderen in het buitenland. De doelstellingen en werkingsgebieden van beide verdragen mogen naar de letter verschillend zijn, over de grens kunnen ze natuurlijk en vruchtbaar samenvloeien. Het zou onwerkelijk zijn, contraproduktief en verspillend, als wij buitenshuis onze taal en cultuur zouden blijven aanprijzen als twee afzonderlijke grootheden.

De culturele coalitie zou nu eindelijk inhoud en vorm moeten krijgen in een handvol concrete actiepunten:

Ten eerste. Vorming van een gemeenschappelijk buitenlands cultureel beleid, gericht op presentie van onze taal en cultuur in andere landen.

Ten tweede. Ontwikkeling en uitvoering van samenhangende meerjarenprogramma's van projecten, evenementen en andere activiteiten.

Ten derde. Vestiging van een Europees Instituut van de Cultuur der Lage Landen te Brussel, een informatiecentrum dat de gemeenschappelijke belangen in het hart van Europa dient.

Ten vierde. Samenvoeging van Nederlandse en Vlaamse culturele en wetenschappelijke instituten in het buitenland.

Ten vijfde. Fusie van de Nederlandse en Vlaamse Wereldomroep met het oog op de gemeenschappelijke presentie, alsmede versterking van de co-produkties van de publieke omroepen en structurele samenwerking tussen regionale radio- en tv-stations in Zuid-Nederland.

Ten zesde. Aanstelling en accreditering van gezamenlijke culturele attachés bij de ambassades van Nederland en/of België, om te beginnen in de hoofdsteden van de dertien andere lid-staten van de Europese Unie. Zo mogelijk gezamenlijke culturele akkoorden met diezelfde lid-staten.

Ten zevende. Stichting van een gemeenschappelijk Fonds voor de Cultuur der Lage Landen om de continuïteit en de effectiviteit van beleid en actieprogramma's te garanderen.

De vereiste middelen zijn er, voor een goed deel. Het is een kwestie van bundeling van bestaande fondsen en kanalen graven tussen de verschillende geldstromen, plus een extra bedrag om het nieuwe beleid aan te jagen. De Vlaamse regering heeft reeds aangekondigd 100 miljoen franken extra uit te trekken. De Nederlandse regering daarentegen volstaat met de mededeling dat er voor de uitvoering van het verdrag geen cent extra beschikbaar komt, want “net als bij de andere culturele verdragen worden hiervoor geen middelen gereserveerd”. Dit is met goed fatsoen niet vol te houden, want daarmee is het nieuwe verdrag gedoemd een lege huls te blijven.

Met zo'n beleidsplan - ambitieus, maar op Europese schaal gezien alleszins realistisch - zouden Nederland en Vlaanderen als cultuurpolitieke bondgenoten krachtig positie kunnen kiezen in een krachtenveld dat wordt gedomineerd door geldingsdrang van de grote cultuurgemeenschappen, regeldrift van eurocraten in Brussel en geldmakerij van commerciële cultuurfabrikanten. Het veronderstelt wel dat in Vlaanderen en, met name, in Nederland met meer ambitie, daadkracht en toewijding wordt gewerkt aan cultuur en cultuurbeleid als vliegwiel van onze gemeenschappelijke internationale plaatsbepaling.

    • Paul Beugels