Mercantiele Dromen

Men kent de uitdrukking van de koopman: “Dat is niet voor onszelf; het is voor de handel.” Dat betekent niet dat hij rommel van de hand wil doen, maar integendeel dat hij het beste voor zijn klanten bewaart omdat hij denkt erop te verdienen. In het buitenland krijgen Nederlanders soms dat etiket opgeplakt.

Bij een goed maal in Brussel wordt niet zelden dat opmerking gemaakt dat wij onze Zeeuwse oesters, Texels lam en de roomboter aan het buitenland verkopen en zelf margarine smeren. “U praat zeker voor de Unilever?” zei een vroegere Franse minister van Landbouw eens hatelijk tegen mij.

Als ik zie hoe we met risico's omspringen, krijg ik inderdaad wel eens het gevoel dat we onszelf tekort doen en het buitenland prefereren. Over de grenzen heen accepteren we vaak grote risico's, die we in eigen land niet nemen. Of beter gezegd: we accepteren die risico's buitengaats terwijl we in eigen land er niets van willen weten of veronderstellen dat ze er niet zijn. Er zijn wel wat voorbeelden te geven. Zo hebben we stroppen van honderden miljoenen guldens geleden op de financiering van exportorders waarvan achteraf het risico toch wel wat al te groot was.

Nog een voorbeeld. Veel Nederlandse ondernemingen hebben het idee dat ze het pas gemaakt hebben als ze in de Verenigde Staten aan de slag raken. Een veel grotere markt dan hier en veel meer kansen. Dat is niet te ontkennen, maar met de zepers in Amerika is gemakkelijk een encyclopedie te vullen. Er is wel eens becijferd dat Amerikaanse ondernemingen in Nederland meer verdienen op hun investeringen dan de Nederlanders in de Verenigde Staten. Zij nemen met bekende produkten op een relatief zekere markt veel minder risico's dan wij met minder bekende producten in een groot, toch wel riskant land.

Trouwens, met onze investeringen in het buitenland zijn we vaak helemaal niet zo succesvol. Voor een deel dreigen die in een soort zwart gat te verdwijnen. Een verklaring ligt natuurlijk in het verloop van de dollarkoers tegenover de harde gulden, maar ook als je dat eruit haalt blijven er veel vraagtekens over. Die kan je afdoen als leergeld, maar blijkbaar doen Amerikanen (en ook de Zwitsers) het met hun beproefde know how beter in het buitenland dan wij.

Interessanter wordt het nog als we nagaan hoe pensioenfondsen en banken hun vele miljarden guldens in het buitenland besteden. Die kan je eenvoudig als belegging in Nederland niet kwijt; daarvoor is het land te klein en zijn we te terughoudend met investeringen. De pensioenfondsen en andere institutionele beleggers laten hun beleggingen veelal over aan geroutineerde fondsmanagers. Binnen zekere beleidsgrenzen en op grond van allerlei risico-analyses kopen die in een reeks landen aandelen en vastgoed of financieren er grote projecten. Wat er achter die beleggingen zit is voor hen minder interessant dan de verwachting om er een goed rendement op te behalen.

“Het is eigenlijk jammer dat ik het doe voor de groei van allerlei andere en misschien veelbelovende landen en dat we aan projecten in eigen land nauwelijks te pas komen”, verzucht een bankier. “Maar bij ons beland ik in een moeras van problemen en bovendien veronderstelt men dat er bij ons nauwelijks risico's zijn. Men wenst er althans niet voor te betalen.”

Een groot deel van de regering en het parlement denkt inderdaad zo. Onze overheid financiert grote projecten, bijvoorbeeld bruggen, wegen en tunnels bij voorkeur uit het overheidsbudget. Men acht het onzin om in zo'n veilig landje bovenop de overheidsrente enige risicopremie te betalen. In het terecht geroemde rapport van de commissie-Hermans over de Betuwelijn wordt private financiering van die spoorlijn mede om die reden dan ook weggeschreven.

Maar geldschieters en beleggers, zoals banken en pensioenfondsen, achten ons land met enige overdrijving soms bijna net zo riskant als een bananenrepubliek. Onze procedures zijn tijdrovend en niet zelden ongewis in hun uitkomst. Ook kan het beleid van de overheid veranderen. Dat mag allemaal best, want we leven in een democratie, maar het kost wel geld. Het veranderen of uit de tijd lopen van projecten kan immers tot een kostbaar renteverlies en extra uitgaven leiden.

De tegenstanders van private financiering willen daarvan niets weten. Op het overheidsbudget maakt tijdsverschil ook niet zo veel uit. Voor een echte risico-analyse is men dan ook niet thuis en een renteopslag acht men al gauw onverantwoord. Daardoor loopt de discussie over private financiering van grote projecten vaak dood. En de koopman (beleggers, pensioenfondsen en banken) die nu eenmaal een enorme buidel geld moet beleggen, doet dat dan maar in het buitenland waar ze wat zakelijker denken.

Wat is de conclusie? We zijn in geld, maar niet in groei een rijk land. Omdat we zoveel geld hebben moeten we naar het buitenland waar we soms grote risico's nemen. In eigen land worden die risico's ten onrechte ontkend en voor wat men niet ziet, wil men ook niet betalen. Mede daardoor besteden we relatief weinig aan infrastructuur, wat de economische groei weer remt. Denk maar aan de congestie op de wegen. Deze vicieuze cirkel wordt nog versterkt door ons koopmansgevoel dat buiten de grenzen de beste zaken zijn te doen. Dat is maar voor een deel waar. Als we betere risico-analyses zouden maken voor projectfinanciering in binnen- en buitenland, dan zouden we waarschijnlijk met ons overvloedige spaargeld meer gaan doen in eigen land.

    • Dr. J.E. Andriessen