Kritiek op 'rigide' lotingssysteem

ROTTERDAM, 13 JULI. De gewogen loting voor studies als (dier)geneeskunde en medische biologie ligt onder vuur. De Erasmus Universiteit van Rotterdam (EUR) wilde vorige week een 17-jarige gymnasiaste plaatsen voor de medicijnenstudie, buiten de wettelijk voorgeschreven loting om. Minister Ritzen (Onderwijs) stak er een stokje voor. Voor de handelwijze van de universiteit is weinig waardering te vinden.

“Slordig, ondoordacht, en populistisch” noemt J.K.M. Gevers, voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam, de stap van de universiteit. “Dom”, concludeert bestuurskundige en oud-staatssecretaris R.J. in 't Veld. “Ze wisten dat de minister geen andere keus had dan de wet te handhaven. Zo gaat dat in dit land.” PvdA-Kamerlid R. van der Ploeg spreekt van “raar gestunt over het hoofd van dat meisje. Dit is een serieuze discussie die niet gebaat is bij deze truc. Je gaat ook niet een discussie aan over de hervorming van de sociale zekerheid op grond van een individu”.

De studentenvakbond LSVb laat weten het “walgelijk” te vinden “zoals de Rotterdamse universiteit dit meisje heeft misbruikt voor publicitaire doeleinden”.

A.M. Blomme, voorzitter van de Nederlandse Specialisten Federatie (NSF), noemt het “een bestuurlijke misser” en “goedkoop effectbejag”. Ook voormalig onderwijsminister J.A. van Kemenade spreekt van een publiciteitsstunt.

Een deze week ingestelde commissie gaat alternatieve toelatingsmethodes onderzoeken. Ze bekijkt de mogelijkheid uitgelote studenten bij een volgende ronde meer kansen te geven. Ook selectiegesprekken en toelatingsexamens worden overwogen. Maar aan alle alternatieven kleven bezwaren, zo blijkt uit een rondgang langs politici en onderwijsspecialisten.

“Loting is het allerslechtste systeem dat er is”, zegt Kamerlid J.M. de Vries (VVD). “Wij hebben in januari al een voorstel gedaan om studenten te selecteren op grond van cijfers in een beperkt aantal relevante vakken, behaald in het centraal schriftelijk examen. Daarnaast moet de kandidaat blijk geven van motivatie in een gesprek.” Hiermee sluit je “missers” niet uit, “maar zo'n afwijzing is beter te accepteren dan het gevoel dat je nèt het verkeerde kraslot hebt gekocht”. Het systeem is inderdaad te rigide, oordeelt W.C.M. van Lieshout. Volgens de voormalige voorzitter van de vereniging van universiteiten, VSNU, is het een “politiek zeer arbitraire oplossing” voor twee belangrijke uitgangspunten, “een compromis tussen gelijke kansen en toelating voor extra capaciteiten uitgedrukt in schoolcijfers”. Maar in de maatschappij groeit de waardering voor eigen inspanningen, aldus Van Lieshout. “Mijn idee zou zijn om universiteiten maximaal 10 procent van de capaciteit zelf te laten invullen.”

Pagina 3: Pleidooi voor selectie

Van Lieshout: “Om iedere schijn van willekeur te voorkomen moet de toelatingsprocedure voor die 10 procent dan wel aan vastgestelde regels en criteria voldoen.”

Ook R. In 't Veld constateert dat sinds twintig jaar geleden de gewogen loting werd ingevoerd men relatief meer gewicht is gaan hechten aan kennis en prestaties. Dat zou politiek tot uitdrukking kunnen komen in een aangepast selectiemechanisme. “Want dit syteem leidt ook tot aperte beoordelingsfouten; ontzettende knapperds die sociaal gestoord zijn horen niet thuis in studie geneeskunde.” Volgens In 't Veld kunnen “moderne technieken voor intakegesprekken aardig werken als indicatoren voor geschiktheid”, maar het blijft behelpen. “Je haalt dan waarschijnlijk een hoger potentieel aan capaciteiten binnen, maar het is een zeer kostbare zaak, en volmaakt wordt het nooit.”

In 't Veld suggereert dat na twintig jaar numerus fixus en loting de capaciteit van het aantal studieplaatsen aangepast zou kunnen worden. “Maar dat wil men niet. Dan komen er te veel artsen en dat zou de kosten in de gezondheidszorg doen stijgen, wat een drogreden is.” Ook Gevers verbaast het dat niemand in de huidige discussie oppert dat je de capaciteit zou kunnen vergroten.

“Dat is geen oplossing,” aldus J. Cohen, voormalig staatssecretaris van Onderwijs en rector magnificus van de Rijksuniversiteit Limburg. “Het verschil van 6.000 aanmeldingen en 1.750 plaatsen overbrug je niet, dus je moet toch selecteren.” Cohen is een voorstander van loten, “zéker als het gaat om medicijnen”. “Dat is een beroepsopleiding die wel een minimaal intellectueel niveau vereist, maar je hoeft niet vreselijk goed te zijn. Je hebt andere eigenschappen nodig, als sociale en communicatieve vaardigheden, verantwoordelijkheidsgevoel, motivatie, en dit zijn nu net eigenschappen die je niet kunt toetsen. Bovendien, van de zesduizend zijn er vermoedelijk vijfduizend zéér gemotiveerd. Ga daar maar 's onderscheid in maken. Als je dan toch doet gebeurt het op subjectieve gronden. Dat is dus precies 't zelfde als loting, een kwestie van geluk hebben.”

Het Tweede-Kamerlid R. van der Ploeg kijkt daar anders tegenaan. Hij wil experimenteren met selectie, waarmee hij ervaring opdeed op de Universiteit van Cambridge in Engeland. Zijn devies: “Laat voor één opleiding, bijvoorbeeld economie, alle instellingen vrij om studenten aan te nemen op grond van intakegesprekken. Sommige opleidingen zullen zich dan richten op de gemiddelde student, er meer toelaten, en dus ook meer formatieplaatsen krijgen. Anderen zullen zich meer richten op bepaalde kwaliteiten. Niet alleen de hoogste cijfers zijn van belang, maar ook ambitie, inzet, motivatie, talenten.”

Volgens Van der Ploeg zijn studenten ook gebaat bij intakegesprekken: het gaat niet alleen om toelating, maar ook om de vraag of de gekozen studierichting wel de juiste is. “Natuurlijk, dat kost tijd, dus geld, maar nu worden studenten pas na hun propaedeuse verwezen, dat kost ook veel geld. In een gesprek van een uur kun je best nagaan of iemand beter econometrie of ontwikkelingseconomie kan gaan studeren.”

Selecteren op grond van voorgesprekken leidt inderdaad tot een zekere willekeur, maar willekeur is onvermijdelijk, aldus Van der Ploeg. “Het is toch van de zotte dat menige hoger-beroepsopleiding streng selecteert op talenten, denk maar aan conservatoria, theaterscholen, kunstacedemies, hotelscholen, en dat universiteiten dat per definitie niet zouden kunnen doen.”

“Niets is heilig, ook het gewogen lotingssysteem niet,” zegt oud-minister van Onderwijs Van Kemenade. “Maar je moet je wel de nadelen van alternatieve toelatingsprocedures realiseren. Als je mensen met hoge gemiddeldes wil verzekeren van een plaats, waar leg je dan de grens? Bij een 9.5, een 9.3, een 8.5? En waarom? Het studieresultaat wordt maar gedeeltelijk bepaald door hoge eindexamencijfers. En je stimuleert een cijferrace op het VWO, is dat wenselijk? Met een apart toelatingsexamen voor numerus-fixusstudies ondergraaf je de waarde van het VWO-examen.” Oriëntatiegesprekken om capaciteiten en motivatie vast te stellen hebben volgens van Kemenade onvoldoende voorspellende waarde, “dat blijkt ieder keer weer uit wetenschappelijk onderzoek”.

Een mening die ook door vertegenwoordigers uit de medische stand wordt onderschreven. “Want wat zijn de criteria”, vraagt NSF-voorzitter Blomme zich af. “Het vergt nogal uiteenlopende kwaliteiten om arts, dierenarts of tandarts te worden. Ten tweede, hoe toets je die? Voor de toelating van chirurgen-in-opleiding zijn we al weer afgestapt van een procedure met psychologische tests en intakegesprekken omdat bleek dat die methode net zo goed of slecht werkte als de oude selectiemethode: de professor die met patriarchenblik kiest wie geschikt is en wie niet.”

Hoogleraren intakegesprekken laten houden lijkt Van Kemenade echter geen goed idee: “Die zijn daar helemaal niet voor opgeleid. Dat zou je dan door onafhankelijke bureaus moeten laten doen, en dat wordt een bureaucratische en zeer kostbare zaak. Bovendien kun je reeksen van beroepprocedures verwachten van mensen die het niet eens zijn met hun afwijzing.” Evenmin kan hij warm lopen voor het idee om universiteiten een zeker percentage van de plaatsingscapaciteit zelf in te laten vullen: “Wie laat de universiteit dan toe: de dochter van een kennis van de rector magnificus? De dochter van de persoon die de pers weet te bereiken? De jongen die altijd hoge cijfers had maar in zijn examenjaar de ziekte van Pfeifer kreeg? Het kan, het kan allemaal, maar over een jaar roepen we weer naar aanleiding van een incident: dit is schande!”

En de 17-jarige M. Vernooy, die de universiteit wilde plaatsen wegens uitzonderlijk hoge eindexamencijfers en onderzoekservaring in de geneeskunde? Theoretisch kan ze nog tot 25 september geplaatst worden, maar de kans daarop is klein. Ze moet volgend jaar weer meeloten, of een beroep doen op de hardheidsclausule bij de Informatie Beheer Groep in Groningen. Die honoreerde vorig jaar 45 van de 381 verzoeken, om op grond van bijzondere persoonlijke omstandigheden alsnog geplaatst te worden. Over de beroepscriteria is de woordvoerder van de IBG vaag: “Het gaat vaak om een combinatie van factoren. Een van de criteria is: al enkele malen uitgeloot zijn.”