Klein vademecum voor de machthebber; Leiderspraak

Leiders van politieke bewegingen worden geduld, slechts zelden op handen gedragen. Zij moeten stemmen trekken en de eenheid bewaren, maar de macht dient met understatement te worden gecamoufleerd. Hoe houden Kok, Van Mierlo, Bolkestein en Heerma zich staande tussen verkiezing en partijcongres? De paradox van de katheder - deemoed versus duidelijkheid

In de Nederlandse politieke verhoudingen is de partijleider een wandelende paradox. Van oudsher opereren bestuurders in de Lage Landen bij voorkeur in groepen. Van waterschappen, vroedschappen en regentencolleges tot bijvoorbeeld de ministerraad in moderne tijden. Valt elders bij majeure problemen de roep om de Sterke Man te beluisteren, in Nederland wordt een Commissie van Wijze Mannen ingeschakeld. Politieke macht lijkt geëgaliseerd, net als het Nederlandse landschap. Voor zover individuen persoonlijke macht uitoefenen, schrijven de heersende politieke gebruiken voor dat dit dient te worden gecamoufleerd. Illustratief in dit verband is het politiek optreden van de koningin, bijvoorbeeld bij kabinetsformaties: dat blijft mystiek.

Leiders van politieke bewegingen in Nederland worden geduld, zelden op handen gedragen. Hun positie steunt op vier pilaren: zij moeten stemmen trekken, herkenbaar zijn, de eenheid bewaren en blijk geven van visie op de toekomst. Dit laatste aspect is in deze pragmatische tijden het minst belangrijk: de electorale aantrekkingskracht is het meest van belang. Want stemmen leveren Kamerzetels. Daarop is op dit moment bijvoorbeeld de macht van VVD-leider Frits Bolkestein gebaseerd. En daarom twijfelden aan de vooravond van de laatste Tweede Kamerverkiezingen, in mei 1994, de PvdA-strategen aan de inzetbaarheid van de politiek leider Wim Kok: eerdere verkiezingen had hij altijd verloren. Vrees voor verdeeldheid in de partij bij het eventueel terzijde schuiven van Kok, gaf toch de doorslag om de marathon man nog een keer in te schakelen. En weer verloor de partij Kamerzetels.

Maar de geschiedenis is bekend: omdat het CDA nóg meer zetels verloor, kon Kok alsnog premier worden. Zijn huidige ijzersterke positie is mede gebaseerd op zijn hoge scores in de geheime polls die wekelijks worden gehouden. Op het punt van de herkenbaarheid, de 'nestgeur' zoals dat in het CDA heet, is Kok echter kwetsbaar: onder zijn leiding is drastisch ingegrepen in de voor de PvdA-identiteit cruciale WAO en Ziektewet. En dat hebben zijn tegenstanders in de partij hem nimmer vergeven.

Bij een verkiezingsnederlaag en verstoring van de interne eenheid, maken partijen doorgaanse korte metten met hun leider. Zie twee jaar geleden de eclips van CDA-leider Ruud Lubbers en zijn kroonprins Elco Brinkman. De twijfel aan de aantrekkingskracht en aan het 'samenbindend vermogen' van de huidige CDA-fractievoorzitter in de Tweede Kamer Enneüs Heerma zorgt ervoor dat hij slechts in naam de politiek leider van de Christendemocraten mag zijn.

Dat bruikbaarheid als stemmentrekker een fundament van de macht is, ondervond ook mister D66 Hans van Mierlo toen hij vorig jaar in Elsevier liet doorschemeren dat hij dacht over stoppen na deze kabinetsperiode. Een interne crisis, met verwarring over de 'opvolgingskwestie' was het resultaat. Van Mierlo was daarna genoodzaakt voortdurend zijn beschikbaarheid te benadrukken. Toen D66 eind vorig jaar een historisch moreel dieptepunt had bereikt, verklaarde Van Mierlo op het partijcongres: “Het leiderschap is geen probleem en de opvolging is niet aan de orde”. Na zijn toespraak gingen congresafgevaardigden met tranen in de ogen op zoek naar de bar. Op zoek naar elkaar. Hans was weer mieters.

Nadere beschouwing van speeches van de verschillende politieke leiders geeft inzicht in de wijze waarop zij zich, verdekt opgesteld, staande houden. De toespraken van Kok, Bolkestein, Van Mierlo en Heerma tot partijcongressen, algemene ledenvergaderingen of partijraden bevatten vergelijkbare elementen, die tezamen een soort 'Klein vademecum voor de Nederlandse politieke leider' vormen.

Aanspreekvorm De politiek leider moet ervoor zorgen dat zijn partijgenoten bij voorbaat zijn gecommiteerd aan zijn uitspraken. De meest voorkomende methode hiervoor is regelmatig in plaats van de eerste persoon enkelvoud, de eerste persoon meervoud te gebruiken. Dus niet 'ik' maar 'wij'. Dit 'wij' is overigens het exacte tegendeel van de pluralis majestatis waarvan het staatshoofd zich bedient. Voorbeeld: “We moeten eens ophouden met die identiteitsangst die we ons laten aanpraten door anderen”. (Van Mierlo, partijcongres 24 november 1995, Lelystad) Van Mierlo bedoelt hier eigenlijk: jullie moeten eens ophouden. Maar door te spreken over 'wij' en 'ons' verdonkeremaant hij de tegenstelling tussen hem en het congres en benadrukt hij de saamhorigheid voor en achter de katheder. Dat doet ook premier Kok als hij zegt: “We weten als PvdA, wij allemaal, we gaan ons zevende regeringsjaar in, wat het betekent om verantwoordelijkheid te dragen”. (Partijcongres, 10 februari 1996, Zwolle) Of nog korter: “U weet het, ik weet het, we weten het allemaal”. (Kok, PvdA-bijeenkomst 4 maart 1995, Maastricht).

Adjudant (zie: opvolger) Als een politiek leider deel uitmaakt van een kabinet, vermindert dat zijn mogelijkheden om als zodanig op te treden. VVD-leider Bolkestein, die zelf bij de vorige formatie in de Tweede Kamer bleef zitten, zei het zo: “Zolang ministers lid zijn van het kabinet, zijn zij ook van dat kabinet en niet meer van de partij”. (Buitengewone Algemene Vergadering, 25 maart 1995, Papendal) Behalve dat deze mededeling kan worden opgevat als een poging van Bolkestein om zijn collega-politiek leiders van PvdA en D66 in partij-politiek opzicht monddood te maken (zij zijn immers niet meer van de partij), valt ook op dat premier Kok en vice-premier Van Mierlo door hun eigen partijen regelmatig verwijten worden gemaakt van te geringe politieke betrokkenheid. Dit euvel trachten zij te bestrijden door het inzetten van adjudanten: de fractievoorzitters Wallage (PvdA) en Wolffensperger (D66) in de Tweede Kamer, die geacht worden het partijpolitieke vuile werk op te knappen.

Argument Politiek leiders hoeven hun partijleden niet met steekhoudende argumenten te overtuigen. Zij hoeven slechts te zeggen wat de partij verwacht. Zo benadrukte CDA-leider Heerma onlangs op een partijraad nog eens het “belang van gemeenschappen en verbanden”. Als argument daarvoor gaf hij: “Het besef van goed en kwaad, van verantwoordelijkheid, van onbaatzuchtigheid, van genegenheid, geborgenheid en naastenliefde dragen mensen zelf over”. (CDA-partijraad, 1 juni 1996, Utrecht) Want, zo ging hij verder, dáárom hamert het CDA op het belang van gezin, familie, kerk, school, werk, sportvereniging en “noem maar op”. Vooral die laatste categorie, “noem maar op”, is interessant. Want ook straatbendes, supportersverenigingen, misdaadkartels en bordelen vormen “gemeenschappen en verbanden”, maar het is de vraag of de normen en waarden van het CDA daar intensief worden beleden en overgedragen.

Cliché Niets is zo begaanbaar als het platgetreden pad en daarom horen politiek leiders zich ook niet te schamen voor het gebruiken van clichés. Om de positie van het kabinet toe te lichten, zei premier Kok: “De golven gaan hoog, ons schip is klein, al kan het tegen een stootje.” (Regeringsverklaring, 31 augustus 1994, Den Haag) Over een wegens corruptie gearresteerde politicus zei Bolkestein dat deze nu “bromt in de nor”. (Buitengewone Algemene Ledenvergadering, 25 maart 1995, Papendal) En Heerma zal zijn publiek niet verbaasd hebben met de mededeling: “Dames en heren. Politiek is kiezen.” Deze toespraak beëindigde hij met de aan de sportwereld ontleende zinsnede: “Daar gaan we voor!” (Partijraad, 1 juni 1996, Utrecht)

Deemoed De eigen macht mag nooit te veel benadrukt worden. De meeste politieke leiders tonen eerder deemoed als het gaat om hun eigen positie. Wim Kok, de machtigste politicus van het land, omschrijft zijn functie van minister-president met een understatement: “Ik heb er nog dat andere bijbaantje bij dat ik aan het hoofd van de coalitie sta.” (Partijcongres, 10 februari 1996, Zwolle) Heerma verklaarde dat het doel van politieke partijen gericht is op het verwerven van macht, maar: “Om dienstbaar te zijn”. (CDA-partijraad, 19 november 1994, Utrecht) En Kok zei over macht dat die uiteraard nodig is om “het te winnen in een coalitiekabinet, waar geen enkele partij de meerderheid heeft”. Maar, zo voegde hij er snel aan toe, “het begint bij kwaliteit”. (PvdA-congresconferentie, 4 november 1995, Amsterdam).

Van Mierlo is al even omzichtig. Over D66 zei hij tot zijn partijgenoten: “Ik zal proberen daaraan wat leiding te geven - voorzover dat in onze partij kan”. (D66-congres, 5 november 1994, Zwolle). En later: “Het leiderschap doen we zo'n beetje samen, Gerrit Jan in de fractie en ik in het kabinet, voorzover daar iets te leiden valt”. (Algemene Ledenvergadering, 24 november 1995, Lelystad).

Bolkestein laat zich nooit direct uit over zijn eigen rol. Wel indirect: de historische verkiezingsoverwinning van de VVD bij de Statenverkiezingen in maart vorig jaar, verklaarde hij uit het feit dat “de VVD-fractie in de Tweede Kamer sinds 1990” de duidelijkheid verschaft die de kiezer zoekt. In 1990 trad Bolkestein aan als fractievoorzitter en partijleider.

Duidelijkheid (zie: slogan) Het is een wijdverbreid misverstand dat politieke leiders altijd alleen maar spreken in verhullende termen. Toen Van Mierlo de identiteitscrisis in zijn partij eind vorig jaar moest bezweren, zei hij onomwonden dat hij zich “kwaad maakte, omdat we ons zo snel in een verdedigende rol laten drukken”. En over de gedachte die in de partij leefde om een beginselprogramma te schrijven, zei hij: “Dat vind ik - na zoveel jaren - grote onzin.” (Van Mierlo, Algemene Ledenvergadering 24 november 1995, Lelystad). VVD-leider Bolkestein voert zelfs als devies “durf, duidelijkheid en daadkracht”. (Bijzondere Algemene Vergadering, 25 maart 1995, Papendal).

Eenheid Macht steunt op eensgezindheid. Het meest gehanteerde wapen om politieke vijanden (zie: vijand) te beschadigen, is dan ook het wijzen op al dan niet vermeende verdeeldheid. Politieke leiders maken er in de regel veel werk van om de saamhorigheid van de partij te onderstrepen. Voorbeeld: dit voorjaar wezen PvdA en D66, in een poging het overwicht van de VVD binnen de coalitie te reduceren, op de tegenstelling tussen Bolkestein en de liberale fractieleider in het Europees Parlement, Gijs de Vries, wat betreft de Europese integratie. Bolkestein retalieerde aldus: “Terwijl minister Van Mierlo justitiële bevoegdheden naar Europa probeert te tillen, roept de D66-fractie: 'Baas in eigen coffeeshop'. 'Wie is hier toch verdeeld?' zo vraag ik de democraten.” (Algemene Vergadering, 20 april 1996, Noordwijk).

En Kok die in februari dit jaar rechtstreeks in aanvaring kwam met de eigen PvdA-fractie in de Eerste Kamer over de privatisering van de Ziektewet, was om de eenheid te herstellen gedwongen een knieval te maken voor zijn partijcongres: “Als emoties en de gevoeligheden hoog oplopen, haalt het ene woord ook wel eens het andere uit. Daar moeten we ook maar niet mee doorgaan, ik in ieder geval niet. Ik bedoel, als er wat is, moet dat ook gezegd kunnen worden, ook in een goed huwelijk gebeurt wel eens wat. Maar laat ik ook maar de hand reiken aan degenen die zich misschien ook een beetje ongemakkelijk voelen bij bepaalde woorden de afgelopen dagen of gisteren. We moeten samen verder. Ik wil ook graag samen verder.” (Partijcongres, 10 februari 1996, Zwolle). Opmerkelijk is dat Kok zijn relatie met de partij vergelijkt met een goed huwelijk.

Humor Door zijn betoog te larderen met grapjes toont de politiek leider dat hij ontspannen is, goed in zijn vel zit en zeker is van zijn zaak. Kok roemde de rooskleurige toestand van 's rijks financiën aldus: “De overheidsinkomsten lopen zo goed dat minister Zalm binnenkort nog veel vaker om zes uur 's avonds thuis kan gaan eten”. (Kok, PvdA-bijeenkomst, 4 maart 1995, Maastricht).

En toen de Belgische NAVO-secretaris generaal Willy Claes begin vorig jaar in opspraak kwam, hield Bolkestein een betoog over de corruptie onder vooraanstaande sociaaldemocraten in Europa onder het motto: “Wij willen geen Willy-gate”. (Buitengewone Algemene Vergadering, 25 maart 1995, Papendal).

Humor kan ook worden gebruikt om gevoelige kwesties onschadelijk te maken. Dat deed Van Mierlo terugblikkend op de affaire-Van Randwijck, die D66-minister Sorgdrager bijna de kop kostte: “Het grootste nadeel van de gouden handdruk-affaire is dat mensen die hem niet krijgen, nu denken dat ze wél goed functioneren”. (Algemene Ledenvergadering, 24 november 1995, Lelystad).

Hypotheek (politieke) (zie ook: Zegeningen). Bij gebrek aan klinkende resultaten kan de leider voorgenomen beleid alvast inboeken als een politiek succes. Voorbeeld: “Als het lukt om die besparingen te vinden en uit te voeren, dan dalen de uitgaven van het rijk met 0,7 procent per jaar. Dat is nog niet eerder vertoond”. (Van Mierlo, partijcongres 5 november 1994, Zwolle).

Identiteit De politiek leider die door zijn partij niet meer wordt herkend als lid van de club, komt in de gevarenzone. Kok kampt, sinds het WAO-debacle en sinds hij zich presenteert als “premier van alle Nederlanders”, met zo'n identiteitsstoornis. Hij is de enige politiek leider die regelmatig moet herhalen aan welke partij hij ook alweer leiding geeft. Dan spreekt hij zinnen uit als: “Ik zeg dat als premier en als man van de PvdA”. Of: “Laat ik u vierkant zeggen - en ook dit is dan mijn opvatting als man van de PvdA”. (PvdA-bijeenkomst, 4 maart 1995, Maastricht) Nog duidelijker zei hij het op het laatste PvdA-congres: “Laat niemand de lol hebben dat hij denkt dat hij ook maar een centimeter licht kan krijgen tussen de PvdA en mijzelf. Want je kunt dan wel vóór alle Nederlanders zijn, maar je bent ván één partij.” (Partijcongres, 10 februari 1996, Zwolle).

Opvolger De opvolger van de politiek leider bestaat niet, zolang de leider nog actief is. Als toekomstig politiek leider is de opvolger niet alleen een gevaar voor de huidige leider, maar ook een mogelijke bron van tweedracht. Adjudanten (zie aldaar) worden vaak gezien als mogelijke opvolgers, maar de kans dat zij dit worden, is klein. Politiek leiders praten dus alleen met tegenzin over hun opvolger, vandaar dat Van Mierlo vorig jaar over de “hardnekkige misverstanden over het leiderschap van de partij en over de opvolging” zei: “Het leiderschap is geen probleem en de opvolging is niet aan de orde”. (Algemene Ledenvergadering, 24 november 1995, Lelystad).

Slogan Argumenten maken een politieke toespraak ingewikkeld en vermoeiend omdat de partijgenoten juist dan goed moeten luisteren. Daarom kiest een politiek leider liever voor de slogan, de alles verklarende slagzin, die bovendien makkelijk wordt opgepikt door de media. Bolkestein heeft deze kunst tot grote hoogte ontwikkeld. In één toespraak zei hij over werkgelegenheid: “Beter de warmte van een baan, dan de kilte van een uitkering”. En: “Werk is de beste vorm van sociale zekerheid”. Over economische groei: “Wij puffen vooruit terwijl in Azië de trein voortdendert”. Over de vermeende onbetrouwbaarheid van de VVD: “De beste vriend van dit kabinet is onze partij”. Over de Europese integratie: “Waar loze verdragsteksten worden gezaaid, zal euroscepsis worden geoogst”. En over het softdrugsbeleid van D66-minister Sorgdrager: “Op ieder balkon, een gazon”. (Algemene Vergadering, 20 april 1996, Noordwijk).

Syntaxis Hoewel de meeste politieke leiders trachten hun betoog op te bouwen met ordelijke zinnen, bewijst Wim Kok dat een correcte syntaxis overbodig is. “Nederland staat er qua overheidsfinanciën, qua basis voor werkgelegenheid, qua concurrentiekracht, ook dus qua perspectief op houdbare sociale en collectieve voorzieningen beter op dan zes jaar geleden, toen we ongeveer op deze dag besloten in Amersfoort om deel te gaan uitmaken van het kabinet Lubbers III - ik heb van die zes jaar geen spijt - maar wat is dat eigenlijk vooruitgang?”(Congresconferentie, 4 november 1995, Amsterdam)

Toekomstvisie Het belangrijkste argument om maatregelen voor te stellen, is altijd omdat dit nodig is voor de toekomst. Daarom zijn politieke leiders dol op de toekomst. Heerma: “Ons CDA - onderweg naar de volgende eeuw - wil bezig zijn met visies op de toekomst”. (Partijraad, 19 november 1994, Utrecht).

Bolkestein: “Met deze uitgangspunten bereidt de VVD zich voor op de eenentwintigste eeuw”. (Algemene Vergadering, 20 april 1996, Noordwijk).

Kok: “We moeten niet per regeerperiode denken. We moeten denken aan de komende eeuw en die overgang naar de komende eeuw staat dicht voor de deur en we moeten ons preparen om samen met anderen daarvoor verantwoordelijkheid te nemen.” (Partijcongres, 10 februari 1996, Zwolle) Alleen Van Mierlo is spelbreker als hij zegt: “De toekomst is natuurlijk immer het troetelkind van de politiek geweest, juist omdat het heden zo moeilijk is, ook voor D66”. (Algemene Ledenvergadering, 24 november 1995, Lelystad).

Verhulling Het is vaak niet verstandig om als politiek leider al te rechtstreeks pijnlijke mededelingen te doen of omstreden standpunten in te nemen. De tegenstand die zulke uitspraken uitlokken, kan leiden tot politieke schade en dat dient vermeden te worden door woorden te kiezen waarvan de betekenis niet onmiddellijk duidelijk is. Over de totale reorganisatie van het buitenlands beleid zei Van Mierlo: “De ideologische tegenstelling tussen de Partij van de Arbeid en de VVD op het punt van de ontwikkelingssamenwerking had zich versteend in percentages op 0,7 en 0,9 procent. (..) De krachten die nodig waren om in beweging te komen voor een verzoening tussen die twee percentages lagen in een veel wijdere en diepere analyse van een wezenlijk veranderde wereld. Uit deze visie volgen logischerwijze een reorganisatie van het buitenlandse beleid en een daarbij horende herbudgettering.” (Algemene Ledenvergadering, 24 november 1995, Lelystad).

Vijand De politieke vijand is voor de partijleider van levensbelang, al was het maar om het eigen bestaan te rechtvaardigen. Maar behalve dat de tegenstander goed is voor het politieke profiel, biedt gevaar van buiten de leider een uitstekende gelegenheid om de saamhorigheid te versterken. De vijand kan zich heel goed binnen de eigen regeringscoalitie ophouden. Zo verweet adjudant Wallage in het najaar van 1994 vice-premier Van Mierlo dat deze te veel zijn eigen partij-standpunt liet doorklinken in zijn uitlatingen. Van Mierlo: “Ik heb deze opmerking drie keer overgelezen en vervolgens besloten hem te beschouwen als een tijdelijke terugval in een oude gewoonte waarvoor je enig begrip moet kunnen opbrengen en die helemaal niet blijvend hoeft te zijn”. (Congres, 5 november 1995, Zwolle) En Kok maakte op het PvdA-congres in Zwolle begin dit jaar dankbaar gebruik van de poging van Bolkestein, een dag eerder in een krantenartikel, om verdeeldheid te zaaien in sociaal-democratische gelederen. Bolkestein was een “Amsterdamse koopman die dacht dat hij iets kon verdienen op de Zwolse paardenmarkt”. Kok: “Laten we nou maar gewoon afspreken dat Bolkestein zijn VVD doet, dat wij het met elkaar in de PvdA doen”. (Partijcongres, 10 februari 1996, Zwolle).

Zegeningen (tellen der) Niets is zo goed voor de prolongatie van de eigen positie als successen waarnaar verwezen kan worden. Het tellen der zegeningen hoort daarom tot de vaste onderdelen van de meeste politieke toespraken. Kok doet dat op zijn eigen wijze:“Heeft dat kabinet dat de mouwen opstroopte, dat kabinet dat daadkracht liet zien, niet alleen toen de dijken moesten worden versterkt, maar ook toen Schiphol moest worden uitgebreid, ook toen de Betuwe-routebeslissingen moesten worden genomen, heeft dat kabinet zich voldoende de vraag gesteld en ook voldoende overtuigend beantwoord of de beslissingen die werden genomen binnen de maat waren en ook voldeden aan de eisen van duurzaamheid en kwaliteit? Ook daarop zeg ik met opgeheven hoofd: ook daarop durf ik over een aantal jaren beoordeeld te worden.” (PvdA-bijeenkomst, 4 maart 1995, Maastricht).