'Justitie niet actief tegen geknoei bij faillissementen'

ROTTERDAM, 13 JULI. “Ik weet niet alles, maar ik heb wel signalen gekregen die vragen oproepen. Bijvoorbeeld dat het personeel een dag na de overname van de nieuwe eigenaar te horen kreeg dat zij de lease-auto's en de mobiele telefoons moesten inleveren. Dat het meubilair vervolgens de huurpanden werd uitgedragen. U moet uw eigen conclusies maar trekken.”

Curator mr. C. Leenarts van het vorige week failliet verklaarde uitzendbureau Ario zit met vijftig ordners administratie en talloze onbeantwoorde vragen. Het uitzendbureau liep slecht, werd overgenomen door een nieuwe eigenaar die op Jersey was gevestigd en die nieuwe plannen aankondigde. De volgende dag kregen de vaste medewerkers te horen dat zij op straat kwamen te staan. De helft van de tweehonderd uitzendkrachten kan zijn werk inmiddels bij een ander bureau voortzetten, al moeten zij wel enkele weken salaris missen, zo verwacht curator Leenarts. Maar wat zijn de oorzaken van het bankroet?

Leenarts' vragen lijken typerend voor wat zich in bijna een op de drie faillissementen afspeelt, zo blijkt uit een vorige week verschenen onderzoek naar oneigenlijk gebruik van de Faillissementswet door het Hugo Sinzheimer Instituut van de Universiteit van Amsterdam. Uit een onderzoek naar 286 faillissementen blijkt dat curatoren in 29 procent van de faillissementen melding maakten van mogelijke onregelmatigheden of wanbeleid.

“Er wordt veel geknoeid met faillissementen”, bevestigt mr. S. de Ranitz, advocaat bij De Brauw Blackstone Westbroek en voorzitter van het bestuur van de Vereniging Insolad, de club van gespecialiseerde faillissementscuratoren.

Jaarlijks gaan in Nederland, afgezien van eenmanszaken, zo'n 3.200 bedrijven op de fles. Op grond van het aantal dubieuze gevallen dat de onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam hebben geconstateerd, gaat het jaarlijks om ruim duizend bedrijven .

In 15 procent van de faillissementen constateren de onderzoekers dat ondeskundigheid bij het bestuur van het bedrijf of opzettelijk misbruik door bestuurders de oorzaak waren van het debacle. “Als zich onregelmatigheden voordoen, overweegt de curator in de meeste gevallen de mogelijkheid een civiele procedure aan te spannen, veelal in verband met bestuursaansprakelijkheid. In een beperkt aantal gevallen acht de curator nader boekenonderzoek nodig; slechts zelden overweegt hij aangifte bij de politie.” Voor De Ranitz is het geen verrassing dat in 30 procent van de gevallen onregelmatigheden of wanbeleid aan de orde zijn. Uit een onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie uit 1983 bleek dat bij 37 procent van de opgerichte vennootschappen later sprake was van frauduleus handelen of ander misbruik.

“Het is natuurlijk wel de vraag wat onregelmatigheden zijn”, zegt De Ranitz in een reactie op het onderzoeksrapport van de Universiteit van Amsterdam. Als een ondernemer bijvoorbeeld niet tijdig een jaarrekening heeft gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel - “en dat gebeurt nogal eens” - is juridisch gezien sprake van wanbeleid, maar “dat heeft niet echt een nare smaak”.

De Ranitz vindt het geruststellend dat het onderzoek niet heeft uitgewezen dat faillissementen meer dan gemiddeld worden gebruikt om zieke of oudere werknemers te lozen. Vermoedens daarover en vragen van Tweede-Kamerleden van Groen Links en de PvdA waren vorig jaar de aanleiding voor minister Sorgdrager (Justitie) het onderzoek te laten uitvoeren.

Tegenover de geruststelling over de gevolgen voor de werknemers staan de indicaties van faillissementsfraude, een veelkoppig monster waartegen politie, justitie en de Economische Controle Dienst (ECD) tot nu toe zonder veel succes vechten. Het aantal ECD-onderzoeken stijgt wel, vorig jaar van 98 naar 123, terwijl het aantal processen-verbaal van 55 naar 76 stuks ging, maar de getallen blijven laag ten opzichte van de duizend gevallen die er landelijk moeten zijn. Twee jaar geleden schatte de ECD een jaarlijks schadebedrag door frauduleuze faillissementen van 500 miljoen gulden.

Mr. J. van der Kaaden, advocaat-generaal in Den Bosch en voorzitter van de justitiële werkgroep Bestrijding Faillissementen, beloofde vorige maand een nieuwe, gecombineerde aanpak van faillissementsfraude waarvoor justitie, ECD, Kamers van Koophandel en de rechterlijke macht zich moeten inzetten. In drie arrondissementen is een proefproject gestart.

“Het is afwachten wat dat oplevert”, vindt De Ranitz. Hij constateert bij curatoren een hoop vermoeidheid als het erop aankomt aangifte van frauduleuze praktijken te doen. Aangifte bij justitie op zich kost niet veel tijd (“een uurtje”) en curatoren doen toch al onderzoek naar de oorzaken van faillissementen, dus extra werk is het ook niet. Maar het vervolg dat het Openbaar Ministerie eraan geeft, stelt teleur. “Je kunt bij wijze van spreken de dossiers even goed bij de straat zetten als bij justitie deponeren. Er is nog geen officier van justitie opgestaan die zegt: daar zet ik eens lekker mijn tanden in.” Dertien jaar na het onderzoek van het WODC klinken de aanwijzingen over malafide handelen bij faillissementen onverminderd krachtig. De pakkans bij bankovervallen is groter, de gevangenisstraffen zijn hoger en de mogelijke buit is kleiner dan bij faillissementsfraude, denkt De Ranitz. “Het is een illusie dat curatoren een fraude altijd zien. Er is wel degelijk een circuit dat misbruik maakt van deze methodes. Je moet het opnemen tegen bewuste fraudeurs, met goede advocaten, goede accountants, goede fiscalisten. Die zien ook niet altijd de hele taart.”

    • Menno Tamminga