Hond & Fok

De hond zoals wij die nu zien lopen is in negen van de tien gevallen een far cry van zijn oorspronkelijk vorm, de wolf. Sinds wij met hem omgaan, nu een jaar of vijftienduizend, hebben wij zijn uiterlijk gemanipuleerd en gemetamorfoseerd dat het een lust was.

We hadden de hond nodig voor allerlei doeleinden en dus werd er, lang voordat iemand wist wat een gen was, doorgefokt en nog eens doorgefokt op nuttige eigenschappen. Niet alleen het uiterlijk, ook het innerlijk van de hond pasten wij aan onze wensen aan. De 350 hondenrassen die wij nu (er)kennen dienden ooit allemaal een speciaal doel. Wij fokten een herdershond met korte beentjes zodat die precies onder de schop van een woeste koe door kon. We creëerden een schapenhond met lenige schouders, onverslijtbare voetjes, en een uniek hypnotiserend oog, het schapen fixerende collie eye.

Soms fokten wij eigenschappen te ver door, of weten we er nu niet meer zo goed raad mee. De bulldog werd met korte snuit gefokt, extreem krachtige kaken en een terugliggende neus, zodat bij een stierengevecht de hond net zo lang kon blijven hangen tot hij door zijn eigen gewicht naar beneden viel. Met een homp vlees van de stier in de bek natuurlijk, liefst de tere neus. Zelfs zorgden we voor een zeer hoge pijndrempel bij vechthonden, en een psychische blokkering van de kaakspieren zodra het dier vast heeft, de zogenaamde kaakklem. Nu hondengevechten nauwelijks meer voorkomen worden we nog wél soms geconfronteerd met dit nare trekje van sommige bull-achtigen: de hond die zich in een mens heeft vastgebeten kán domweg niet meer loslaten. Bij Franse en Engelse bulldoggen vinden we de kaakklem of een overmatige vechtlust niet meer, maar die hebben weer last van de ademhalingsorganen: die functioneren vaak niet meer goed omdat de voorsnuit om schoonheidsredenen almaar korter is gefokt - luister naar de reutelende kortneuzigen in de wachtkamer van de dierenarts. Daar vinden we ook de Pekingezen bij wie de ogen akelig ver uitpuilen of er al uitrollen: zij hadden ooit de meeste waarde aan het keizerlijke hof als ze met een heel plat bekje en grote ogen bijna op een kindje leken.

De terriërsoorten hebben geen last van hun rechtopstaande staart, die wij zo fokten om ze tijdens de jacht gemakkelijker uit holen te kunnen trekken, en voor ons is het wel een vrolijk gezicht. Maar wie beschermt de honden tegen al die andere uiterlijke en innerlijke uitwassen? Naast de Dierenbescherming en de kleine Haagse Bond tot Bescherming van Honden bestaat de Koninklijk goedgekeurde Raad van Beheer op Kynologisch Gebied, opgericht in 1902. Deze overkoepelt de vele honderden verenigingen en organisaties die zich met honden bezighouden. Bepaald niet gratis: de Raad rekent fikse tarieven voor het registreren van een kennelnaam, het uitgeven van stambomen, en dergelijke.

Van dat geld wordt een Raad van Beheer in stand gehouden die vanuit een statig pand in Amsterdam alles in de gaten houdt: de raszuiverheid, tentoonstellingsresultaten, de aanstelling van keurmeesters en gedragsbeoordelaars, de fokkerij en de sport. Alles. De Raad van Beheer streeft naar 'zowel een typisch uiterlijk, een goede gezondheid als een sociaal aanvaardbaar gedrag'. Maar dat blijkt niet altijd met elkaar te combineren te zijn. Enige verantwoordelijkheid voor het fokken van rashonden berust bij de rasverenigingen, die elk hun eigen beleid bepalen. Hier vinden we de ware liefhebbers van een ras, maar ook de rasfanatici. Als de verhouding niet goed ligt wordt er ofwel slapjes gefokt, of worden de raskenmerken dermate overdreven dat excessen ontstaan. Veel hangt af van de geformuleerde rasstandaard, die diverse interpretaties toestaat. Fokkers die zich niet kunnen of willen conformeren aan de regels van de club, om nette of onzuivere redenen, kunnen zich straffeloos losmaken en een eigen weg volgen. De enige 'sanctie' van de Raad bestaat in zo'n geval in het ietsjes verhogen van de prijs per geboren nest.

De Raad van Beheer, een soort KNVB van de hondensport, staat dus betrekkelijk machteloos. Het is dan ook eerder de Dierenbescherming die in het geweer komt als het mis gaat dan de Raad van Beheer. Pas vrij laat ging de Raad zich bemoeien met de (on)wenselijkheid van het couperen van oren en staarten, een kwestie die werd aangezwengeld door de Dierenbescherming. De belangen van de fokkers van honden met gecoupeerde staarten heeft de Raad feller verdedigd dan vanuit het standpunt van de hond gezien misschien wenselijk was - kynologen willen niet in de omringende landen uit de toon (en dus de competitie) vallen met dieren waar hangende staarten aan zitten. Voor de oren heeft de Raad zich van een hondvriendelijker kant laten zien: al sinds 1989 zijn gecoupeerde oren op shows - hét ijkpunt voor het uiterlijk - verboden. Die komen nu dan ook alleen nog in de veteranenklasse voor en bij het sindsdien opmerkelijk grote aantal Belgische mededingers. De Raad van Beheer kan dus wel degelijk een revolutie inzetten, als hij wil.

Vanaf 1 september zitten we na al die moeite opgescheept met een wet die gecoupeerde oren op shows en ook in de verkoop verbiedt, maar pas over vijf jaar beslist over de staartdracht.

Wie het boekje Mooi, mooier, mooist? (uitgegeven bij de SDU) doorleest, over schade berokkenende raskenmerken bij honden, huivert. “Bij de Chihuahua dient men te streven naar een hond met gesloten fontanellen.” Ontstoken huidplooien, puilogen, harde of lange haren die in de ogen groeien, ingegroeide krulstaartpunten - het leed is onafzienbaar. In Duitsland verscheen een paar weken geleden het boek Hunde sind die bessere Menschen waarin de auteur betoogde dat de fokkers verantwoordelijk zijn voor alle ellende die de hond treffen kan en eigenlijk zo ongeveer op de electrische stoel thuishoren.

Een kern van waarheid zit daar wel in, even afgezien van dat laatste. Fokkers zouden wat minder halsstarrig kunnen vasthouden aan archaïsche raskenmerken, zeker wanneer mens of dier last van die kenmerken heeft. Kan een marktgerichte fokker niet eens gaan werken aan het ontwikkelen van een gezonde hond die goed in déze maatschappij past? Wat je er infokt kun je er toch ook weer uitfokken? Sommige dierenbeschermers pleiten voor het spontaan loslaten van alle raskenmerken, zodat een soort doorsnee, een Hema-bastaard zou ontstaan. Je kunt dan net zo goed streven naar bijzondere types. Een hedendaagse hond zou op verschillende poothoogtes en in diverse kleursschakeringen verkrijgbaar moeten zijn - waarom niet, kunst wordt ook vaak uitgekozen bij de kleur van het bankstel - niet te groot voor in de stad of juist afschrikwekkend van formaat, met hoe dan ook een geringe poepbehoefte en de neiging om dat alleen op speciale plekken te doen, met een intens beschaafd blafje, grote onderlinge verdraagzaamheid en een onwrikbaar ontzag voor de mens - een soort Überhund eigenlijk.

    • Margot Engelen