Help, de bamboe bloeit

Wie zijn tuin graag een exclusief, exotisch tintje wil geven, kiest bij het tuincentrum een polletje bamboe uit. Goedkoop is het allerminst. Maar op een beschut plekje uit de wind, op een humusrijke vochtige grond, heeft u er jarenlang plezier van.

Althans, dat dacht u. Menige tuinier werd deze zomer opgeschrikt door het verschijnen van iele, grasachtige bloempjes in de bladoksels. Help, de bamboe bloeit! Daarna sterft hij onverbiddelijk af, maar rooien is echt niet nodig.

“Bamboe”, zegt Art Vogel, kaschef in de Leidse Hortus botanicus, “is een verzameling van vele honderden soorten, waarvan er maar enkele in ons klimaat kunnen groeien. Eens in de zoveel tijd komt zo'n soort wereldwijd in bloei. De ene soort na 15 jaar, de andere misschien pas na 100 jaar of langer.”

Deze zomer is het de beurt van Fargesia murielae, die erg populair is in niet te grote tuinen, omdat hij niet hoger wordt dan 1,5 tot 2 meter en met zijn fijne, dunne blad een sierlijke indruk maakt. Deze bamboesoort heeft een 'omlooptijd' van wel honderd jaar of langer, want sinds hij in het begin van deze eeuw in ons land werd ingevoerd zag nog niemand hem ooit in bloei.

Meestal komen planten in bloei onder invloed van factoren als daglengte, temperatuur of droogte, maar de bamboe denkt daar blijkbaar anders over. Vogel: “Het wonderlijke is, dat diezelfde Fargesia die nu in uw achtertuin in bloei komt, bij uw tante in Japan en bij uw neef in de VS óók ineens de geest krijgt. De planten komen mondiaal in actie. Dat zit blijkbaar in hun genen.”

Al eerder, in 1980, stond een andere bamboesoort massaal in bloei, Pseudosasa japonica. Die is wat forser uitgevallen en vooral te vinden op oude buitenplaatsen. De bloeiperiode duurde twee jaar.

Het proces vraagt veel energie van de plant. Aan het onderhoud van zijn groene scheuten komt hij dan niet meer toe. Bladeren en stengels sterven massaal af, of ze nu jong of oud zijn. Vogel: “Een jaar of drie is het niet om aan te zien. Wie van een opgeruimde tuin houdt, zet de spa erin. Maar dat hoeft niet, want na een jaar of drie ontstaan vanzelf nieuwe scheuten. Over vijf tot zes jaar is er weer een leuke struik. Het gebeurt maar zelden dat hij echt helemaal dood gaat.”

De bamboe behoort tot de grassenfamilie, al vormt hij daar met zijn houtige stengels en takken wel een buitenbeentje. Meestal plant hij zich ongeslachtelijk voort, met lange ondergrondse uitlopers, die nieuwe scheuten vormen. Zo ontstaat een dichte bamboemat, waardoor de grond op den duur uitgemergeld raakt. Dan wordt het tijd om zaden te produceren, die door vogels en wind naar nieuwe gebieden worden gebracht. De planten moeten hiervoor een soort ingebouwde biologische klok bezitten, en op de een of andere manier lopen al die klokken gelijk.

Het fenomeen heeft de oude Chinese wijsgeren al verbaasd. In een boek uit de Qin dynastie (221 tot 206 v. Chr.) wordt beschreven hoe de bamboe na zestig jaar zaad zet en sterft. Een 17-de eeuws Chinees landbouwkundig handboek raadt aan om alle stengels af te snijden tot in de grond en de holten op te vullen met mest. Dat zou het bloeiproces een halt toebrengen. Op een kleine plantage is zo'n wanhoopsactie met vele handen wellicht uitvoerbaar, maar op een berghelling in een natuurgebied met honderd miljoen bamboestengels per vierkante kilometer lijkt het onbegonnen werk. Medio jaren zeventig stierven de bamboestruiken in de Min-bergen in het noorden van de Chinese provincie Sichuan voor het eerst sinds 1885 massaal af. Voor een bamboespecialist als de panda is dat funest. Er werden 138 dode pandaberen in het gebied gevonden.

Toch hebben ze miljoenen jaren op aarde kunnen overleven. Vaak trekken ze weg naar een ander gebied, waar een andere bamboesoort staat die op dat moment niet bloeit, bijvoorbeeld hoger of juist lager op de hellingen. Alleen wordt het in kleine, versnipperde natuurgebiedjes, omringd door dichtbevolkt cultuurland, steeds moeilijker om ongestoord rond te trekken. In zijn boek The Last Panda stelt de Amerikaanse panda-onderzoeker George B. Schaller, die jarenlang veldonderzoek in China deed, dat het argument van massale bamboesterfte door de Chinese autoriteiten maar al te graag gebruikt wordt om pandaberen in het wild te vangen, op te sluiten in fokcentra of door te verkopen aan dierentuinen. “Daar ziet het publiek een clownesk gezicht in plaats van het spookbeeld van een tot uitsterven gedoemde diersoort.”

    • Marion de Boo