FIETSGEK OP ZOEK NAAR ZIJN GRENZEN

Arend Middelveldt fietste in zeventien dagen van de Noordkaap naar Gibraltar. De 53-jarige veehouder uit Drenthe eindigde vorige week als vierde in de Ultra Cycling Race, een fietswedstrijd van 6.227 kilometer dwars door Europa. “Ik ben altijd iemand geweest die het buitengewone mooi vindt.”

Zijn eerste racefiets kocht Arend Middelveldt veertig jaar geleden van een wielrenner uit zijn dorp Ruinerwold, even ten oosten van Meppel. Sindsdien staat een groot deel van zijn leven in het teken van de duursport: lange-afstandfietsen, marathonlopen, schaatsmarathons en later triathlons. Als jongetje voetbalde hij, net als de meeste andere jongens. Maar in het fietsen en het hardlopen stond hij nagenoeg alleen. De dorpsbewoners vonden het maar vreemd. “Als ik rende of fietste, kreeg ik reacties als 'Waar is de brand?' en 'Ze hebben hem al!'. Sporten was toen nog niet zo algemeen. Iemand die hardliep werkte niet, die kon zijn energie kennelijk niet kwijt.”

Het sporten kwam op een lager pitje te staan toen Middelveldt zijn vrouw ontmoette. “Ik ben vrij jong getrouwd. We kregen kinderen, voor sport had ik geen tijd meer.” Middelveldt werd net als zijn vader boer. Hij leidt een bescheiden en wat vervallen boerderij even buiten de bebouwde kom van Ruinerwold. Als hij, zoals de afgelopen weken, van huis is voor een meerdaagse wedstrijd zorgt een leerling van de landbouwschool voor de veertig koeien. Enthousiast vertelt de al wat gerimpelde Middelveldt over de sport in zijn leven.

Pas nadat de triathlon een jaar of vijftien geleden was 'uitgevonden', zoals Middelveldt het uitdrukt, ging hij weer actief sporten. Hij kreeg ook meer tijd. “Mijn kinderen waren vroeger altijd aan het sporten. Mijn twee zoons deden aan motorcross en mijn dochter reed pony. In de weekeinden ging ik samen met mijn vrouw veel met hen op pad. Toen mijn dochter op haar achttiende verkering kreeg, hield ze op met paardrijden. Dat was één zorg minder. En toen mijn zoons stopten met de motorsport, verdween ook de tweede zorg. Ik kon weer actief gaan trainen.”

Almere organiseerde, begin jaren tachtig, de eerste Nederlandse triathlon. De rage van deze uitputtingsslag - 3,8 kilometer zwemmen, 180 kilometer fietsen en vervolgens een marathon - bereikte ook Drenthe. “Er werd ook hier op het dorp een soort van triathlon gehouden. Ik wist amper wat het was, maar deed toch mee.” Met fietsen en lopen was hij vertrouwd, maar zwemmen was een nieuwe discipline voor Middelveldt. “Een beetje schoolslag, meer kon ik niet. En toen moest ik opeens een kilometer zwemmen.”

Na die eerste keer kennismaking raakte Middelveldt in de ban van de triathlon. “En hoewel ik al tegen de veertig liep, bleek ik goed mee te kunnen met de jongelui. Dat gaf me echt een kick”, zegt de inmiddels 53-jarige duursporter. “In deze sport bestaan bovendien leeftijdscategoriën, ook voor oudere sporters.” De veehouder beproefde zijn lichaam niet alleen bij de triathlon van Almere en bij de jaarlijkse 10 kilometer-loop van Ruinerwold. Hij liep ook de marathons van Eindhoven en Rotterdam en in de winter deed hij mee aan schaatsmarathons, wintertriathlons, langlauf- en rollerski-wedstrijden. “In één jaar heb ik wel eens deelgenomen aan veertig of vijftig wedstrijden. Dat bleek te veel. De motivatie verdwijnt en ik kon me niet meer op één wedstrijd concentreren.”

Middelveldt heeft inmiddels zo'n achttien triathlons achter de rug. In de dubbele triathlon vond hij in 1991 een nieuwe uitdaging. “Gekkenwerk, je wordt er ontzettend moe van. Maar het finishen en nagenieten van een dubbele triatlon is prachtig. Dat is voor mij genoeg om het weer te doen. Bovendien merk ik dat je meer kapot gaat bij een kwart triathlon dan bij een hele of een dubbele. Bij een hele kun je je krachten beter verdelen. Dat vind ik fijner dan dat korte sprintwerk.”

Vorig jaar deed Middelveldt in Den Haag mee aan zijn tweede dubbele triathlon. Hij finishte als derde, na een inspanning van bijna een etmaal. Trots laat hij een ingelijste foto zien van de teletekstpagina met de uitslag. “Kijk, ik kwam een paar uurtjes voor meneer Feijen binnen, dat gaf me een lekker gevoel.” Martin Feijen is zijn grote tegenstrever. De Haagse duursporter is zo mogelijk nog fanatieker dan Middelveldt, want Feijen neemt ook deel aan vijfvoudige triathlons.

Middelveldt weet nog precies wanneer hij besloot zich in te schrijven voor de Ultra Cycling Race. “In Den Haag hing een aankondiging. Mijn kinderen zeiden tegen elkaar: 'Laten we snel voor dat affiche gaan staan, want als pa het ziet wil hij meedoen'. Maar goed, ik kwam er toch achter, want de organisatie stuurde mij een mailing. Wat een onmogelijke tocht, dat kan ik nooit, was mijn eerste gedachte. Maar toen ik zag dat het parcours bij Drenthe ons land binnenkwam, heb ik mij aangemeld. Daar moest ik toch bij zijn.”

De tocht was strak georganiseerd. In het uitgebreide routeboek stonden alle wegen nauwkeurig aangegeven. De deelnemer mocht geen centimeter van de route afwijken. Alleen als er een verkeerde afslag was genomen, mocht de renner met een auto worden teruggebracht. Om de paar honderd kilometer waren tijdstations en controleposten ingericht, vanwaar de deelnemers hun tijd moesten doorbellen naar het hoofdkwartier van de organisatie.

Middelveldt beschikte over een begeleidingsteam van zes personen. Naast vier chauffeurs, waarvan er twee als mecaniciens fungeerden, en een arts was zijn vriendin Anneke mee. De crew bivakkeerde in een grote camper. Middelveldt sliep met zijn vriendin in het kleinere volgbusje. Ook Martin Feijen nam deel aan de wedstrijd.

De Ultra Cycling Race begon 14 juni in Nordkapp, in het noorden van Noorwegen. In het begin van de race gingen de renners nog redelijk gelijk op. Ook Middelveldt deed van voren mee, maar zijn voortvarende start brak hem later op. “Ik begon te onbesuisd. Feijen en de Tsjech Pavelka hadden duidelijk meer ervaring met meerdaagse evenementen dan ik. Ik ging erin als een jonge hond, ik vloog de berg op en ik vloog de berg af. Bovendien had ik de euvele moed om in mijn triathlonpakje te beginnen, en het was best fris daar.” Hij weigerde om een jack aan te trekken. “Ja, kom nou, alles aan mijn fiets is aerodynamisch, met vierspaakswielen en een ligstuur. En dan zal ik in een trainingsjack gaan fietsen!”

In de beginfase kreeg Middelveldt een uitgelezen kans om de koppositie van Pavelka over te nemen. “Ik zie het beeld nog voor me. Er rende een kudde rendieren op de weg. Als boer dacht ik: dat is mijn kans! Ik weet ongeveer wat zo'n beest doet. Pavelka durfde er niet langs. Rendieren zijn vrij log. Ze hebben hoeven, net als paarden, en kunnen niet zomaar een haakse bocht maken. Dus ik ging er zo in volle gang voorbij. Ik zag Pavelka denken: Wat doet die gek nou!”, vertelt hij glunderend.

“Ik ben veel te hard van start gegaan. Mijn uitgangspunt was een gemiddelde snelheid van 27 kilometer per uur, zodat ik 450 kilometer per dag kon halen - ik zou zeventien fietsuren per dag maken. Een dag of drie lukte dat best, maar het heeft me uiteindelijk te veel kracht gekost. Toen ik eenmaal kapot zat, kon ik amper 20 op m'n tellertje krijgen. Pavelka en Feijen verdeelden hun krachten beter. Zij reden gemiddeld zo'n 23 kilometer per uur. Zij sliepen ook korter, Pavelka soms maar twee uur.

“Bij de doorkomst in Nederland zat ik er doorheen. Ik was helemaal opgeblazen. Ik hield te veel vocht vast en was vijf kilo aangekomen. Mijn nek deed vreselijk zeer. Door de kou, de sneeuw en de slagregens in Zweden zwollen mijn nekspieren op. Ik heb dagen rondgereden met mijn helm vastgetaped op mijn rug, anders kon ik niet meer vooruit kijken. Van pijn word je zo ontzettend moe. Ik dacht wel aan afstappen. Maar dat kon ik de jongens van de begeleiding niet aandoen. Zij hadden alles afgestemd om met mij naar Gibraltar te gaan. Bovendien had ik me vanaf vorig jaar juni hierin vastgebeten. Ik was aan mezelf verplicht de finish te halen.

“Later heb ik een whiplash-brace gekregen, toen ging het beter. Die brace ontlastte mijn nek, waardoor ik weer kilometers kon maken. Alles ging op een gegeven moment automatisch, het fietsen, het eten en het drinken. Ik nam nauwelijks waar wat er om me heen gebeurde. Door de kadans waarin ik zat, kwam er zo maar in eens een melodie van een operette in mijn kop. Vreemd, want ik hou helemaal niet van operette.”

In de meeste landen konden de marathonfietsers onopgemerkt passeren. In Frankrijk en Spanje zorgde vooral het vrachtverkeer voor gevaarlijke situaties. Valpartijen heeft Middelveldt genoeg meegemaakt. Maar dat waren niet zijn slechtste ervaringen onderweg. “Ergens in Frankrijk ben ik bijna geschept door een auto die van een zijweggetje kwam. Ik ging een stijle helling af met zo'n 70 kilometer per uur. Ik kon nauwelijks remmen en zag die auto aankomen. Ik dacht echt dat mijn eind gekomen was. Toen ik eindelijk kon remmen, heb ik in de berm liggen janken als een kind.”

De finish, vlak voor de grensovergang bij Gibraltar, stelde teleur. Een groot ontvangstcomité en publiek ontbraken. Voor een benzinestation was tussen twee jerrycans een finishlint over de weg gespannen. Toch ervoer Middelveldt de aankomst als een bevrijding. “Ik zag vlak voor de aankomst die berg op de achtergrond, de rots van Gibraltar. Dat vond ik genoeg. Als je de finish in zicht hebt, voel je even geen pijn meer. Ik had zelfs nog naar de rots kunnen fietsen, die vijf kilometer achter de finish lag.” Middelveldt eindigde, op maandag 1 juli om 09.05 uur, als vierde in een tijd van 405 uur en 35 minuten. Twee dagen eerder was Martin Feijen als eerste over de streep gekomen.

De kans is klein dat de Drentse veehouder nog eens aan deze tocht deelneemt. “Ik dacht dat ik niet kapot kon, dat ik taai was. Nou, ik heb mijn portie wel gehad. Ik heb nu mijn grenzen wel gevonden. Ik denk niet dat ik hem nog een keer fiets, dat moet ik maar niet doen. Kom nou, ik ben 53. Hoewel, met dergelijke uitspraken moet je voorzichtig zijn.”

    • Philip de Witt Wijnen