Dobbelsteen is de slechtste voorspeller van studiesucces

Minister Ritzen van Onderwijs laat onderzoeken of er goede alternatieven zijn voor het lotingsysteem dat wordt gehanteerd bij de toelating tot bepaalde studierichtingen. W.J. van der Linden doet alvast een concrete suggestie: Waarom gebruiken we de examencijfers niet om een systeem van gewogen wachttijd in te voeren? Dat is in elk geval veel billijker dan gewogen loting.

In de discussie over de waarde van het systeem van gewogen loting voor de toelating tot studierichtingen met een numerus fixus wijzen de voorstanders telkens op de beperkte waarde van het gemiddelde cijfer op het Nederlandse eindexamen als voorspeller van succes in de universitaire studie.

Hoewel het nog maar de vraag is of voorspelling van succes het enige criterum is om een toelatingssysteem te rechtvaardigen - toelating tot de universiteit als een beloning voor een goede in het VWO geleverde prestatie lijkt een criterum dat evenzeer te rechtvaardigen valt -, nemen ik dit argument serieus en vraag ik me af hoe het komt dat eindexamens een beperkte voorspellende waarde bezitten. De redenen die ik geef zijn deels technisch van aard, deels hebben ze te maken met het feit dat succes op de universiteit ook van niet-cognitieve factoren afhangt.

De eerste reden is dat de schriftelijke eindexamens door de jaren heen substantieel in moeilijkheid fluctueren. In principe is het dus mogelijk dat kandidaten met dezelfde kennis in het ene jaar andere cijfers krijgen dan in een ander jaar. Tot nu toe is geprobeerd om de effecten van deze fluctuatie op te vangen door een correctie van de cijfers achteraf, maar deze praktijk berust op de onhoudbare aanname dat de populatie eindexamenkandidaten door de jaren heen constant is gebleven. Voor een aantal vakken zal dit bezwaar volgend jaar overigens niet meer gelden. Dan zullen voor deze vakken de examens voor de eerste keer geëquivaleerd mogen worden op basis van in proefonderzoek verzamelde statistische gegevens.

De tweede reden is dat het gemiddelde examencijfer ook berekend wordt op de resultaten van het schoolonderzoek en dat uit onderzoek naar de praktijk van het schoolondezoek genoegzaam bekend is dat er, zowel tussen scholen als tussen individuele docenten binnen scholen, dramatische verschillen bestaan in de wijze waarop de stof wordt geëxamineerd en gescoord. Ik doel hier dus niet op het gegeven dat de schoolcijfers gemiddeld hoger plegen te liggen dan de cijfers voor het centrale examen, dat hoeft de betekenis van de cijfers als voospeller van studiesucces nog niet aan te tasten, maar op de variatie die er voor zorgt dat een even voor scheikunde behaald op de ene school iets anders kan betekenen dan een zeven voor hetzelfde vak op een andere school.

De derde reden is dat in het systeem van gewogen loting het gemiddelde examencijfer wordt berekend over het volledige, door de kandidaat zelf gekozen vakkenpakket. Hieronder zitten dus ook vakken die niets met het succes in een medische studie van doen hebben en die het gemiddelde als voorspeller van het succes in deze studie dus onbetrouwbaar maken. Het is al vaker gezegd, als je als VWO'er de kans op inloting wil maximaliseren, is de beste strategie om naast de verplichte vakken uitsluitend vakken te kiezen waarvoor je gemakkelijk een hoog cijfer haalt. Op dit moment zeggen gemiddelde eindexamencijfers dus evenveel over de bereidheid van de kandidaten om deze strategie te volgen als over hun kennis van de voor toelating verplichte vakken.

Gelukkig is er wat betreft de laatste twee zaken hoop op verbetering. In het kader van de op handen zijnde herziening van de tweede fase van het VO, wordt een apart profiel ingericht dat toegang moet verlenen tot universitaire studierichtingen op het gebied van natuur en gezondheid. Verwacht mag worden dat als het systeem van gewogen loting blijft bestaat, alleen het gemiddelde cijfer voor de profielvakken gebruikt zal worden. Ook zijn er maatregelen aangekondigd om tot een betere standaardisering van het schoolonderzoek te komen.

Uit diverse internationale studies naar de voorspellende waarde van toelatingsexamens tot het hoger onderwijs blijkt dat er een substantieel verband bestaat tussen testscores en studiesucces. Of deze resultaten zich direct naar de Nederlandse situatie laten vertalen, is onbekend; daarvoor ontbreekt nationaal onderzoek. Maar ik durf wel de voorspelling aan dat met een verbeterde versie van ons eindexamen een vergelijkbaar verband kan worden bereikt.

Zou er dus nooit beter voorspeld kunnen worden? Zeker wel, succes in een academische studie hangt ook af van niet-cognitieve factoren als motivatie voor de gekozen studie, begeleiding vanuit het ouderlijk milieu, het feit of men naast de studie een baan moet aanhouden om in de benodigde financiën te kunnen voorzien, het gemak waarmee men in de nieuwe omgeving goede sociale contacten opbouwt, etcetera.

Iedere studentendecaan zal dit lijstje moeiteloos uit eigen ervaring kunnen aanvullen. Tot welke verbetering van de voorspellingen kennis van extra factoren zal leiden, weet ik niet. Eigenlijk interesseert het antwoord mij ook niet.

Veel belangrijker is de vraag of het wel geoorloofd is om kandidaten de toegang tot het universitaire onderwijs te ontzeggen op basis van objectieve gegevens over bijvoorbeeld hun lichamelijke gezondheid, hun verwachte financiële positie, de mogelijkheid tot ondersteuning vanuit het ouderlijk milieu of uit een onderzoek naar hun psychische stabiliteit? Zelf zou ik zeker niet aan een dergelijke selectie willen meewerken. Ik verbeeld mij zelfs dat de maatschappelijke steun daarvoor volledig ontbreekt, met uitzondering van selectie op basis van gemotiveerdheid voor de studie, waarover straks meer.

Een goed resultaat in het VWO blijft een belangrijke determinant van academisch succes, en het is louter vanwege een hoogst respectabele vorm van ethische zelfbeperking dat we niet overgaan tot een stelsel van voorspellers met maximaal succes.

Dwingen de bovenstaande gegevens ons tot het systeem van de gewogen loting? Integendeel, zou ik zeggen. De slechtste voorspeller van academisch succes is de dobbelsteen. En er is niet veel kansberekening voor nodig om te laten zien dat toelatingsexamens op basis van examencijfers èn loting ontetrouwbaarder zijn dan op basis van examencijfers alleen.

Het is mij dus een raadsel hoe voorstanders van het systeem van van gewogen loting ter verdediging van hun keuze kunnen wijzen naar de beperkte voorspellende wijze van het eindexamen. Het effect van loting is in volmaakte tegenspraak met hun argument.

Minister Ritzen opperde onlangs de gedachte om interviews met aankomende studenten in te voeren als alternatief voor een loting. Dat lijkt mij geen goede gedachte. Interviews zijn feilbaarder instrumenten dan examens. De beoogde interviewers zullen de grootste moeite hebben om oprechte antwoorden te onderscheiden van sociaal wenselijke (“Op m'n zesde wist ik al dat ik arts wilde worden, en daarna is deze wetenschap alleen maar sterker geworden”), ze zullen gevoelig zijn voor zogenoemde halo-effecten (de vlotte babbel, het plezierige voorkomen) en in de conclusies uit interviews zullen allicht weer oordelen kruipen over de factoren die ik hierboven als onethisch hebben uitgesloten. Slechts na een grondige training van de interviewers en met verscheidene onafhankelijke interviews per kandidaat is wellicht een bevredigend resultaat mogelijk. Maar als er bijvoorbeeld voor 5 interviews per kandidaat zou worden gekozen, zouden er dit jaar al meer dan 35.000 interviews nodig zin geweest. Wie traint al de interviewers die voor dit gigantische aantal nodig zijn? En wie durft het aan om bij dit aantal interviewers alle kandidaten een vergelijkbare behandeling te garanderen?

Er is geen alternatief voor een goed en degelijk eindexamen. Maar er is wel een alternatief voor de loting die er in Nederland aan wordt toegevoegd, en dat is de plaatsing op grond van de eindexamenresultaten op een wachtlijst. Duitsland heeft een ingewikkeld systeem voor de toelating tot numerus fixus studierichtingen. Daarop valt wel het een en ander af te dingen, maar een aantrekkelijk aspect is dat iedere kandidaat uiteindelijk op een wachtlijst terecht komt. Hoe hoger de ingeschatte kans op succes, hoe korter de wachttijd. Als men zich onderwijl voor een andere studie inschrijft, wordt de wachttijd bevoren. De aanhouder kiest dus tijdelijk een baantje, niet zelden in de zorgsector.

Met een kleine moeite zouden we in Nederland deze banen zelfs op maat kunnen creëren. De Duitse ervaring is dat iedereen die voor deze route kiest nooit langer dan drie à vier semesters hoeft te wachten om alsnog met de studie te kunnen beginnen. De overigen hebben ondertussen hun interesse in een medische studie verloren. De bereidheid om de wachttijd uit te dienen, is dus een aardige indicator voor de motivatie voor de medische studie.

En motivatie is zo ongeveer de enige niet-cognitieve factor waarvan de samenleving vindt dat deze eigenlijk mee zou moeten tellen bij de toelating tot universitaire studies.

    • W.J. van der Linden
    • Data-Analyse aan de Universiteit Twente