De generaal zwaait af

H.A. COUZY: Mijn jaren als bevelhebber

184 blz., L.J. Veen, 1996, ƒ 29,90

Luitenant-generaal Hans Couzy was in zijn jonge jaren een heel normalejongen die een gezonde hekel had aan dikdoend gezag en dienstklopperij. Als hij in de jaren zestig in Amsterdam was opgegroeid was hij misschien wel provo geworden, want hij had toen al een onbedwingbare neiging om uit de pas te lopen. Maar Couzy bracht zijn jeugd door in Harderwijk, in een voor revoluties immuun ouderlijk huis op een kazerneterrein. De jaren zestig-revolutie was trouwens met een grote boog om Harderwijk heen gegaan, zodat de jonge Couzy niet in de verleiding kwam iets anders te doen dan zich na zijn middelbare schooltijd aan te melden op de KMAin Breda. Dat mocht een tamelijk voor de hand liggende keuze zijn, gezien het beroep en de status van zijn vader (commandant Eerste Legerkorps, eveneens drie sterren-generaal), de cadet Couzy gedroeg zich evenwel niet als het onuitstaanbare zoontje van de generaal.

In zijn zojuist gepubliceerde memoires schetst Couzy zichzelf als een opstandige jongeman die in de jaren van zijn officiersopleiding vaak overhoop lag met zijn meerderen en er groot genoegen in schepte bepaalde docenten beentje te lichten. Met de stof die op de Hogere Krijgsschool werd onderwezen had hij weinig problemen, maar des te meer met de 'infantiele manier' waarop de studenten werden behandeld. “De arrogantie van sommige militaire leraren bracht het slechtste in me boven”. Couzy ging in verzet, liet uit balorigheid zijn haar groeien, droeg in strijd met de voorschriften roze overhemden en gooide zijn kont tegen de krib. Hij kon zich in dat conformistische milieu handhaven door zijn hoge tentamencijfers, maar dat ging ten koste van zijn blazoen. De reputatie van een lastpak zou hij, naar hij zelf ook wel inzag, terecht nooit meer kwijtraken. “Ik merkte dat ik ook zeer irritant kon zijn”.

Informatief

Generaal H.A. Couzy (bevelhebber landmacht, 55 jaar oud) is intussen met gemengde gevoelens uitgezwaaid. Bewindslieden en defensiewoordvoerders uit de Kamer hebben bij zijn vertrek nogal zure kritische woorden gesproken die men niet vaak bij een afscheid hoort en premier Kok heeft zelfs openlijk verklaard dat hij Couzy liever kwijt dan rijk was. De grond voor dat massale politieke ongenoegen is hoofdzakelijk gelegen in de kritiek die Couzy in zijn boek uit op de passiviteit van de Verenigde Naties ('de krakkemikkerige VN-aanpak') bij de val van Srebrenica, in het bijzonder op de rol van de Fransen bij de beslissing om geen massale luchtaanvallen op de stellingen van de Bosnische Serviërs uit te voeren. Couzy heeft met die emotionele maar ongedocumenteerde (en inmiddels weer ingeslikte) kritiek zijn memoires en de zaken die hij daarin behartigt geen dienst bewezen, maar dat wil niet zeggen dat zijn boek niet van waarde zou zijn. Het tegendeel is het geval. Het is een een hoogst informatief boek, dat een leerzaam inzicht geeft in de (ook voor politici) ondoorzichtige verhoudingen tussen de bewindslieden en de militairen in de leiding van defensie.

Couzy's ontleding van het spanningsveld waarop de bevoegdheden van de politieke leiding van het departement en de militaire bevelhebbers op elkaar inwerken, is naar beide zijden fair: kritisch ten opzichte van ministers maar ook kritisch ten opzichte van hemzelf en zijn soort. Couzy heeft weinig op met politiek opportunisme (de ommezwaai van de PvdA, die eerst de dienstplicht hartgrondig verdedigde maar die vervolgens van de ene dag op de andere liet vallen, is daarvan een treffend voorbeeld), maar hij ziet ook de eenzijdigheid van het militaire denken. Hij erkent dat de militaire top “te veel redeneert uit de militaire invalshoek en onvoldoende oog heeft voor de politieke haalbaarheid van haar standpunten”.

De scheidende Couzy beschrijft oud-minister Relus ter Beek (PvdA) als het tegendeel van een vuurvaste beslisser, maar hij geeft hem het volle pond als de man die de noodzaak van reorganisatie van de krijgsmacht na de val van de Muur eerder inzag dan de legerleiding. Ter Beek heeft “de bakens in de krijgsmacht grondig verzet”. Hij heeft als geen ander “de nieuwe politieke situatie in de wereld onderkend en daartoe maatregelen genomen”. Hij heeft “de grootste reorganisatie van de krijgsmacht in de geschiedenis in gang gezet en hij heeft het aangedurfd grenzen te verleggen en een reeks goede beslissingen genomen”. Couzy had het vaak met zijn minister aan de stok, maar hij geeft achteraf grootmoedig toe dat deze een groot aantal zaken “uitstekend heeft geregeld”. Ter Beek krijgt ook alle eer voor zijn verdediging van de (c.q. Couzy's) vrijheid van meningsuiting. De sikkeneurige kamerleden Zijlstra PvdA en Blaauw (VVD) wilden de generaal na zijn publieke kritiek op de afschaffing van de dienstplicht het liefst in de boeien slaan, maar de PvdA-minister hield de generaal, onder afscheping van de kamerleden, standvastig de hand boven het hoofd. “Ik snap best dat je af en toe zulke uitspraken moet doen en ook dat het bij de functie hoort. Ik ga er ook mee akkoord, maar let wel: niet te vaak”.

Genuanceerd

Couzy kwam in zijn functie van bevelhebber (1992-1996) als een leeuw voor zijn welpen op, maar nooit verblind door eigenbelang. In zijn boek - een controleerbare weergave van zijn tegenspel tegenover 'de politiek' - openbaart hij zowel over het defensiebeleid als over zijn politieke tegenspelers genuanceerde opvattingen. Hij toont zich een eigenzinnig man die aan principes hecht en zijn meningen niet gemakkelijk prijsgeeft, maar zijn democratische gezindheid is boven elke twijfel verheven. Ondanks aanvaringen en touwtrekken met de politiek (in het bijzonder met minister Voorhoeve en diens staatssecretaris Gmelich Meijling) kan hij gemakkelijk de zon in het water zien schijnen. Couzy schrijft zonder eigendunk en rancune. Ook militaire ambtgenoten met een vooruitziende blik (zoals zijn voorganger Wilmink, die zich meer inspande voor de totstandkoming van een Duits-Nederlands legerkorps dan hijzelf) krijgen de eer die ze verdienen.

Hoewel hij niet sympathiseert met de Partij van de Arbeid (hij stemt zelf VVD, vroeger DS'70) laat Couzy zich opmerkelijk positief uit over een reeks van PvdA-politici uit een vorige politieke generatie. De socialistische defensiewoordvoerders Harry van den Bergh, Piet Dankert en Klaas de Vries (uit het tijdperk-Den Uyl) en Hans van Mierlo (D66) krijgen de hoogste lof voor hun kennis van zaken. “Parlementariërs van een groot kaliber, die op hoofdlijnen discussieerden en die hoofdlijnen ook begrepen en wogen”.

Hoewel ze nauwelijks gevoed werden door het militaire apparaat (omdat ze tot de oppositie behoorden), beheersten ze zozeer hun stukken dat ze de regering de meeste vrees inboezemden. “Wat dat betreft daalde het niveau in het parlement na hun vertrek waarneembaar”.

Rode hoofden

Aan de socialistische bewindslieden Vredeling en Stemerdink deelt Couzy eveneens tienen uit. Vredeling mocht verantwoordelijk zijn geweest voor het meest bureaucratische organisatiemodel dat de leiding van de krijgsmacht ooit gekend heeft (de zogenoemde Matrix-organisatie, die een sterke verkokering in de hand werkte en tenslotte in logheid en starheid vastliep), maar hij voerde een baanbrekend materieelbeleid uit dat steunde op het principe kwaliteit voor kwantiteit.

Ook Stemerdink toonde volgens Couzy visie. “Hij had beter over de kwaliteit van het leger nagedacht dan de generale staf”. Als Vredeling zijn indringende vragen stelde en precies wilde weten waarom bepaalde wapens en systemen beslist nodig waren, “zaten de generaals er met rode hoofden bij, niet in staat hem precies uit te leggen waarom ze met hun voorstellen waren gekomen. Ze waren niet gewend daar lang over te piekeren, omdat hun wil tot die tijd vrijwel wet was geweest. Tot dan toe was iedere minister altijd heel snel geneigd geweest te denken dat de generaals wel gelijk zouden hebben”. Couzy is niet krenterig in zijn waardering: binnen het militaire apparaat wordt hun beleid nu positief beoordeeld, “maar destijds werden ze beschouwd als vossen die in het geniep een hok met prijskippen waren binnengeslopen”. Het is bij mijn weten de eerste publieke erkenning die de in legerkringen verguisde Vredeling en Stemerdink van een woordvoerder van het militaire establishment mogen incasseren.

    • Harry van Wijnen