Chepe

Jose Jaime Gonzales Pico, Chepe voor vrienden, heeft de Tour '96 een historisch karakter gegeven. Dat Indurain vroeg laat tegen een fringale aan zou lopen was voorspelbaar. Dat Rominger halverwege de Tour zijn gevoelige knie zou beschadigen kon een kind weten. Dat Jevgeni Berzin na een succesje alweer meer aan een bed met duizend vrouwen dan aan die venijnige bocht in Sestrières zou denken, was zijn genetisch lot.

Maar een Colombiaan die een vlakke etappe in La Grande Boucle wint ressorteert niet meer onder de menselijke verbeelding. Kenners en encyclopedische geesten staan dan voor een Deus ex machina, voor een staatsgreep van de goden. In Valence is dus wielergeschiedenis geschreven. De Tour is niet meer in handen van Jean-Marie Leblanc, maar van een hogere macht. Hoezo sprinten met een 53/11? Wie zegt dat er geen glorie is weggelegd voor jongens zonder ballonkuiten?

Chepe uit Sogamoso, fietsend voor God en zijn moeder, nauwelijks ingewijd in de geheimen van een verzet - Colombianen trappen altijd klein - nooit gehoord van de mediatraining van Willebrord Frequin, zo stilzwijgend als zijn verleden, en toch winnaar in Valence. In zijn niet eens zo splijtende demarrage hoorde ik Joop Zoetemelk spreken: “Weet je wat een slimme renner is? Dat is een jongen die weet wanneer hij mee moet springen. Die hoeft niet te vragen wie er weg is.” Het hedendaagse wielrennen schreeuwt om dit soort oude wijsheden, om een retrograde emancipatie naar de tijd toen een wiel nog een wiel was, een frame een frame en een bidon een drinkbusje.

Alles aan het peloton is hightech geworden. De renner, de fiets, het voedsel, de zoen van de podiumwijven, zelfs de uitgesproken jubel na een etappezege. Niets is nog met de hand gemaakt. Als kind kon ik mij uren vergapen aan een mooi paars stuurlint of aan een met de hand gelijmde tube. Wie kijkt er nog om naar de kleur van een stuurlint? De fiets heeft haar eigen post-technologische inferno gecreëerd: carbonvorken, hartslagmeters, kilometertellers, knipperlichten voor de verzuringsgraad, gesofisticeerde remmen and all that jazz.

De Tour een epos van honger en ontbering? Welnee, dat gevoel voor drama fietst al lang niet meer mee. Renners laten zich niet meer door een sneeuwstorm over de Galibier jagen. De grote ploegen hebben nu een airco-bus, met een comfort waar de meisjes van Yab Yum alleen maar van kunnen dromen. Bar, massagetafel, waterbed, infuuskamer, bubbelbad, de paradijsjes wisselen elkaar af als Chinees vuurwerk. Het is er zo gezellig dat Jan Raas zijn zomervilla aan de Côte d'Azur heeft verkocht. De rennersbus is zijn vaste vreugde geworden.

De moderne wielrenner is een rekenwonder. Ook daarmee wordt het epos van de Tour in de kiem gesmoord. Een zonderling als Chepe, die niet eens weet op welke dag van welk jaar hij is geboren en voor wie na een etappe alleen de luxe van de vereelte vuist van zijn masseur wacht, krijgt soms een vrijbrief van het peloton. Chepe die nooit geleerd heeft in tijd te denken en alleen in liefde voor de fiets leeft, mag als het zo uitkomt zijn eigen onsterfelijkheid scheppen. Voor een dag. Indurain, Rominger en Riis met hun chrono-neurose kijken hoog over dat geluk heen. Zij denken: eerst rekenen dan fietsen. Bjarne Riis die de eerste week van de Tour nog op pure woede hengstte is, sinds hij in het geel rijdt, door geen briesje meer geranseld. Hij verbergt zich constant achter de hoge ruggen van zijn (superieure) knechten en controleert de koers vanuit de mollige menigte die het peloton is. Aanvallen: ho maar! Het verwijt, tactisch en defensief te koersen, waar Indurain vijf jaar lang aan werd opgehangen blijkt de taaie schimmel van iedere gele truidrager te zijn. Alleen wordt het de boekhouders Riis en Rominger minder zwaar aangerekend dan El Rey. Schoonheid verveelt. Indurain op de fiets blijft een in brons gegoten standbeeld. Rominger met zijn appelwangen en kromme rug of Riis met zijn armen als tractorbanden mogen met minder sterven zegevieren. Nog gelukkiger zouden de volgers zijn als straks een anonieme dwerg van twee turven hoog, geplaagd door aambeien en steenpuisten, in het geel Parijs binnenrijdt. De gunst van het succes is het enige in de Tour dat nog niet is verhightechd: de karavaan duldt alleen heldenlevens die in de varkensstal beginnen.

    • Hugo Camps