Boogerd laat niet met zijn voeten spelen

Joop Zoetemelk en Erik Breukink zijn uitzondering op de regel dat een vlak land geen goede klimmers oplevert. Van de nieuwe lichting Nederlandse coureurs kan de 24-jarige Michael Boogerd uitgroeien tot een sterke ronderenner. “Er zit een betere stamp achter.”

LE PUY, 13 JULI. Hoe word je een goede klimmer? Kun je het aanleren? Of is het een aangeboren gave? Michael Boogerd kijkt eens naar zijn lange dunne bovenbenen en zegt dat hij inderdaad een ideale lichaamsbouw voor een klimmer heeft. Woonachtig in het westen des lands moest hij zijn vader overreden om met de auto naar het Limburgse heuvelland te rijden. Daar wilde hij ontdekken of hij gemakkelijk bergop fietste.

“Ik was nog een nieuweling, een jaar of vijftien. We moesten de Pietersberg beklimmen. Ik had dat ding nog nooit gezien en dacht: god alle mensen, moet ik daar omhoog? Ik zag jongens rijden met hele grote kransjes. Maar diezelfde jongens gingen stoempend naar boven. Ik heb het hele spel omver gereden en wist niet wat me overkwam. Een paar weken later ben ik een bevestiging gaan zoeken. Weer naar een koers in het zuiden. Toen was het cirkeltje rond. Ik was een klimmer.”

Vorige week won hij de vlakke en natte etappe naar Aix-les-Bains. Boogerd sprak na afloop van een verrassende overwinning. Hij is geen rouleur en ziet zichzelf in de toekomst niet zo vaak een vlakke rit winnen. Hij is meer iemand voor het hooggebergte en toonde in de Alpen zijn gelijk. Als enige Nederlander hield hij zich redelijk staande in het hooggebergte. Met een 23ste plaats in het algemeen klassement verrast hij vriend en vijand, maar niet zichzelf.

“Een Touretappe winnen is een heel leuke bijkomstigheid. Maar ik hecht nog meer waarde aan een goed klassement. Vooraf wilde ik bij de eerste vijftig rijden. Na de Alpen weet ik dat een plaats bij de eerste dertig haalbaar is. Ik heb nooit een wedstrijd van drie weken gereden. Ik had verwacht dat ik hier al helemaal achterover zou hangen. Maar laat ik niet te vroeg juichen. Voor hetzelfde geld rijd ik volgende week op m'n tandvlees.”

Boegie, Bogie, Boog. Bijnamen horen bij een aansprekende sportman. De naam Boogerd komt uit Zeeland. Michael heeft zijn hele leven in de residentie gewoond. Een Hagenees en zeker geen Hagenaar. Een keurige jongen is hij nooit geweest. Hij lacht om zijn eigen opmerking, het Haagse schoffie met de grote witte tanden.

“Als klein mannetje reed ik tegen allemaal boeren die de hele dag tegen de wind in stampten. Ze vonden die stadsjongen maar een rare. Ik zou wel een grote waffel hebben, dachten ze. Maar ik had en heb geen grote waffel. Ik blijf dezelfde Michael Boogerd. Mijn familie doet ook heel normaal na die ritzege. Die zijn echt niet met z'n allen naar de Tour gekomen. Veel te nuchtere mensen.”

Hoe heeft hij de overwinning afgelopen week zelf verwerkt? Kan een derdejaars professional alle aandacht relativeren? “Als ik 's avonds op bed lig probeer ik me voor te stellen hoe de reacties bij thuiskomst zullen zijn. Mijn leven is van het ene op het andere moment veranderd. Het is een roes. Ik heb nog elke dag die kriebels in m'n buik. Het zijn net vlinders. Mijn vriendin krijgt veel reacties. Als gewone verpleegster is ze al die aandacht niet gewend. Nee, ik moet verpleegkundige zeggen. Anders krijg ik ruzie met haar. Verpleegster is te min.”

“Ik moet oppassen dat ik niet alleen maar nageniet. Die verleiding is er natuurlijk wel. Je denkt toch: ik heb ze allemaal mooi beet. Maar ik heb geen zin elke dag gelost worden. In het klassement kan ik nog een paar plaatsjes opschuiven. Ik wil in de Pyreneeën het een en ander laten zien.”

Boogerd bewaart pijnlijke herinneringen aan het afgelopen jaar, toen hij nog als een beginneling werd afgeschilderd. Hij reed in het najaar een slecht WK en overwoog de fiets in de schuur te zetten. “Ik reed redelijk goed, maar kreeg veel kritiek. Ik ging nog harder trainen om iedereen de mond te snoeren. Daar heb je natuurlijk allemaal niks aan. Dan ben je meer tegen jezelf aan het fietsen. Ik ben iemand die snel dingen aantrekt. Je hebt ook jongens die het allemaal niks kan schelen. Dat ga ik waarschijnlijk nog krijgen, die onverschilligheid tegenover de buitenwereld.”

Je kunt hem beschrijven als een vrolijke piekeraar. Een renner die niet de hele dag zijn blik op oneindig kan zetten. “Ik denk echt wel eens: jezus christus nog zestig kilometer, nog tien kilometer bergop, nog een week in de Tour! Ik vraag me regelmatig af waar we allemaal mee bezig zijn. Waarom ik in die asociale wereld terecht ben gekomen.”

“Iedereen wint liever zelf, maar dat heb ik nooit gehad. Bij de junioren merkte ik dat het een afwijking was. Ik kon mezelf helemaal wegcijferen. Ik had net zo lief dat er een ander won. De laatste jaren ben ik niet meer het type lulletje. Ik laat niet meer met m'n voeten spelen. Maar een brutaaltje zal ik waarschijnlijk nooit worden.”

Boogerd is nog lang niet uitgeleerd. Lichamelijk kan hij nog sterker worden, hoewel er afgelopen winter veel spieren zijn bijgekomen. Krachttraining is een toverwoord in het peloton. In mentaal opzicht hoopt hij nog meer profijt te trekken van De Rooy en Van Houwelingen, zijn nieuwe ploegleiders bij de Rabobank. “Vorig jaar keek er niemand naar me om. Je werd aan je lot overgelaten. Theo en Adri gaan heel persoonlijk te werk. Het is toch leuk om waardering te krijgen, ook al heb je een slechte uitslag gereden.”

Zijn persoonlijke begeleider is Rini Boogerd, zijn 29-jarige broer die zelf een verdienstelijk amateur was maar de stap naar de beroepsrenners nooit heeft kunnen maken. “Afgelopen winter hebben we mijn positie helemaal veranderd. Kleinere fietsen genomen. M'n zadel wat lager. Ik zat al vrij goed op m'n fiets maar ik heb nu het gevoel dat ik wat compacter zit. Ik kan wat meer met mijn krachten smijten. Er zit een betere stamp achter. Stamp ja, zo noemen ze dat toch in het wielerjargon?”

    • Jaap Bloembergen