Aan Waldheim is alles ontgaan

KURT WALDHEIM: Die Antwort

319 blz., geïll., Amalthea 1996, ƒ 55,85

Verveling en kokhalzen, deze reacties weet Kurt Waldheim, oud-bondspresident van Oostenrijk en ex-secretaris-generaal van de Verenigde Naties, te wekken met zijn levensverhaal Die Antwort, dat enige weken geleden met een ceremonie in het parlement in Wenen aan de wereld werd prijsgegeven. Verveling omdat hij bladzij na bladzij op pompeuze toon gedachten over het wereldgebeuren ten beste geeft die nooit verrassen, nimmer origineel en altijd weldenkend zijn en met het woord 'clichématig' het beste beschreven worden.

Wat kan de reden zijn dat aan dit boek in de hele wereldpers en dus ook in deze krant aandacht en ruimte worden besteed? Natuurlijk maar één : omdat Waldheim tien jaar geleden met 53,9 procent van de stemmen tot staatshoofd van zijn land werd gekozen nadat onthullingen in twee Oostenrijkse publikaties profil en de Salzburger Nachrichten, in een deel van de wereldpers (o.a. de New York Times) en in persconferenties van instellingen als het Joods Wereldcongres hadden aangetoond dat hij over zijn oorlogsverleden niet bepaald openhartig was geweest. Hij had niet in de jaren 1942-1945, zoals hij meer dan eens had geschreven, “afgekeurd voor actieve dienst” in Wenen rechten zitten studeren, maar hij had in de Balkan als tolk en verbindingsofficier gediend in Wehrmacht-onderdelen. Daarvan was bekend dat zij direct betrokken waren bij het uitmoorden van de burgerbevolking als represaille tegen partisanen-activiteiten en bij deportaties van joden en (na de omwenteling in Rome) van Italianen.

Deze onthullingen waren destijds voor de Oostenrijkse kiezer geen reden hun stem niet op Waldheim uit te brengen. Integendeel. Waldheim werd gezien als slachtoffer van een internationaal complot dat er op uit was Oostenrijk, dat zich zo heldhaftig uit de door de nazi's veroorzaakte 'Stunde Null' had weten op te werken, zwart te maken. Voor velen symboliseerde Waldheim juist de rehabilitatie van Oostenrijk: was hij niet een gerespecteerde ambassadeur en minister van buitenlandse zaken van de eigen staat geweest en tenslotte zelfs secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de hoogste internationale functie op de aarbol? De suggestie dat de Oostenrijker Waldheim, de dienstplichtige luitenant in Hitlers leger, misschien een oorlogsmisdadiger zou zijn geweest en medeschuldig aan nazi-gruwelen, vatte 53,9% der kiezers op als een persoonlijke belediging en zij stemden 'nu pas goed' op Waldheim.

Geheugen

Waldheim zelf speelde destijds ook met overtuiging de rol van vermoorde onschuld. Een stroom ontkenningen rolde uit zijn mond en het hoofdkwartier van zijn verkiezingscampagne. Nooit was hij lid van nazi-organisaties geweest, hij kwam uit een anti-nazi-familie, hij wist niets van moorden op Joegoslavische burgers, niets van de massamoord in Kozara, nooit had hij iets gehoord over de deportatie van joden uit Saloniki, evenmin wist hij dat dit op grote schaal ook in Wenen plaatsvond, dat de Italiaanse ex-bondgenoten als dwangarbeiders naar Duitsland werden versleept was hem onbekend, Hitlers bevel partisanen zonder meer dood te schieten kende hij niet, een moordpartij in Kalavrita waarvan hij het rapport zelf parafeerde kon hij zich niet herinneren, dat de Joegoslaven hem na de oorlog op een lijst van gezochte oorlogsmisdadigers plaatsten was nieuws voor hem, enzovoorts, enzovoorts. Geconfronteerd met onweerlegbare bewijzen die een deel van de bovenstaande ontkenningen weerspraken beriep hij zich steeds op zijn geheugen: wie kan na zo veel jaren zich nog alle details herinneren?

Waldheims boek Die Antwort pretendeert nu, tien jaar na de emoties van de verkiezings- en 'lastercampagne' van toen, een gefundeerd antwoord te geven op wat hem destijds werd verweten. Wie daarvoor het boek koopt komt bedrogen uit. Op details gaat Waldheim nog steeds niet in, alleen als zijn critici een steekje hebben laten vallen is hij er als de kippen bij om dat te signaleren. Zijn boek wemelt van de suggesties dat de Almachtige Grote Internationale Joodse Lobby hem te pakken heeft willen nemen, dat deze nog steeds de dienst uitmaakt in de pers van de westelijke wereld, dat alle beschuldigingen aan zijn adres smaad waren en dat hij nooit iets anders is geweest dan een keurig conservatieve katholieke Oostenrijker, die, hoewel geen verzetsman, steeds in oppositie was tegen de nazi's en verder zijn plicht heeft gedaan in die zin dat hij de toen geldende wetten in zijn geboorteland heeft gehoorzaamd. Alle onthullingen over zijn oorlogsverleden waren nooit anders geweest dan inmenging in de presidentiële verkiezingen van een soevereine staat.

Aan Waldheim blijkt niet alleen in het Derde Rijk zo'n beetje alles te zijn ontgaan wat er om hem heen gebeurde, ook in de afgelopen tien jaar heeft hij elke onaangename waarheid weten te verdringen. Want hoewel het grootste deel van de Oostenrijkse pers (voorop de massaboulevardkrant Kronenzeitung) de details van de beschuldigingen tegen Waldheim consequent heeft verzwegen en verdraaid is er toch sinds 1986 voor het eerst een heilzame discussie over Oostenrijks aandeel aan het nazi-verleden op gang gekomen, waarbij de pretentie dat alles de schuld van de Duitse nazi's was geweest en de Oostenrijkers alleen maar slachtoffers van deze monsters waren werd doorgeprikt. Veel Oostenrijkers waren óók daders is nu door mensen als bondskanselier Vranitzky en de huidige president Klestil toegegeven.

Massacres

Bij Waldheim is er weinig over te lezen. De 'Balkanveldtocht' beschrijft hij als 'ontaard in een burgeroorlog', waarin “schendingen van de mensenrechten, overvallen en verminkingen, wraaknemingen, het doodschieten van gijzelaars en massamoorden aan de orde van de dag waren - bij alle partijen”. Nog net wil hij toegeven dat het Duitse Rijk de agressor was geweest. Van de Holocaust wist hij niets. De onteigeningen, de deportaties, de executies, de openbare vernederingen, de verdwijning in het niets van het joodse volksdeel was blijkbaar niet genoeg om 'van de Holocaust weet te hebben'. Waldheim schrijft “mijn familie en ik hoopten dat de hele nachtmerrie op een gegeven moment voorbij zou gaan. Tot die tijd waren we bezig met overleven.” Vergeten detail: mevrouw Waldheim was lid van de nazipartij en bleef dat tot het bittere eind. Nog een vaker gehoorde wending treft men aan in Waldheims boek. Veel vooraanstaande figuren hadden geen enkele moeite met zijn verleden, schrijft hij. Bijvoorbeeld diegenen die zich afvroegen waarom de vertegenwoordigers van een supermacht, die overal ter wereld linksgerichte ondergrondse bewegingen op de korrel nam, Waldheim verweten in ondergeschikte positie als dienstplichtige communistische partisanen te hebben bestreden die kort daarna, bijvoorbeeld in Griekenland, met de Verenigde Staten in conflict zouden raken. Of de ongelooflijke passage, waarin Waldheim in een van de hoofdstukken waarin hij als staatsman poseert, het Russische volk “zijn geschiedenis, zijn civilisatie en vooral zijn oerkracht” prijst en daarbij zegt de Russen uit eigen ervaring te kennen: “in de eerste plaats als soldaat van de Duitse Wehrmacht bij de veldtocht in Rusland van 1941”. De boeren in de Oekraïne en Wit-Rusland kwamen de Duitsers toen vriendschappelijk met brood en zout tegemoet. Later kwamen helaas agenten van de Gestapo en de partij die zo bruut optraden dat de sympathie werd verspeeld. Heeft Waldheim nooit gehoord over de misdaden die uitgerekend ook de Wehrmacht in Polen en West Rusland beging? Zijn alle onderzoeksresultaten over de massacres van diezelfde Wehrmacht in de Balkan van zijn bureau gerold? Of heeft hij zijn schrijftafel weten te vrijwaren van dergelijke onkiese gegevens? Dit laatst lijkt het meest waarschijnlijk. Op de vraag in een interview met profil naar aanleiding van Die Antwort of hij vorig jaar de tentoonstelling in Wenen had gezien over de misdaden van de Wehrmacht antwoordde hij: “Nee, ik had zo veel andere dingen te doen en ik kende de Wehrmacht”.

    • A.S. Spoor