Verliefd op een Schiller-expert; Patricia Duncker speelt met de nalatenschap van Michel Foucault

Patricia Duncker: Hallucinating Foucault. Uitg. Serpent's Tail, 178 blz. Prijs ƒ 29,75. Vert. Auke Leistra: De Foucault Hallucinatie. Uitg. De Prom, 179 blz. Prijs ƒ 24,90

Julian Barnes was met Metroland en vooral Flaubert's Parrot een pesterig, betweterig, postmodern, verrukkelijk of hoe dan ook bewondering afdwingend creatief onderzoeker van het werk van Gustave Flaubert. Hij jongleerde even vrolijk met Flauberts literaire werken als met zijn biografische feiten, die uiteindelijk samen in een onontwarbare kluwen uit zijn handen kwamen stuiteren. Even wonderlijk is het effect van Patricia Dunckers debuutroman Hallucinating Foucault, die door de eigenwijze Engelse uitgeverij Serpent's Tail meteen in pocket werd uitgebracht. Zij vermengde fictie en feiten op een net zo creatieve maar minder postmodern-citaatgrage manier. Autonomer ook, misschien. Waar Barnes schitterde door, via en dankzij Flaubert, koos Patricia Duncker meer een eigen weg.

De van oorsprong Jamaïcaanse schrijfster, werkzaam aan de University of Wales, schonk de aan aids overleden filosoof Michel Foucault (1926-1984) een biograaf, alsmede een veel jongere (pen)vriend en bewonderaar die de romans schrijft die Foucault wellicht geschreven zou willen hebben. Als dit nog niet ruikt naar een writer's writer? Duncker is het inderdaad, en evengoed niet. Ze is ook 'gewoon' heel onderhoudend, en zelfs spannend.

Een nogal onnozel overkomende student Engels in Cambridge werkt aan een scriptie over de Franse, exuberant homoseksuele romanschrijver Paul Michel (Michel Foucaults echte naam), wiens provocerende bestaan in 1984 (!) abrupt afgebroken werd door een opname in een gekkenhuis, en van wie sindsdien niets meer werd vernomen. De student leest en herleest zijn van seks, dood, krankzinnigheid en agressie doortrokken romans, ploegt met eendere gedrevenheid andermans even minutieuze als onbevredigende dissertaties door en wanhoopt over zijn toekomst als wetenschapper. Het ongewone komt pas in zijn leven met een Schiller-exegete, die opmerkelijk onromantisch is. Hard en rechtstreeks, een boekenwurm, zo onderlegd dat ze menigeen schrik aanjaagt, en met ogen die koel en allesziend aan die van een uil doen denken. Zij is zo dominant dat huisgenoten op de vlucht slaan en de student haar alleen maar waagt aan te duiden als 'de germaniste'. Ze dwingt hem op zoek te gaan naar de in een gekkenhuis verdwenen Michel, die samen met Michel Foucault op een foto staat in een oud nummer van het Franse homoblad Gai Pied uit 1984. Daarin ook veel ronde konten, andere appetijtelijke lichaamsdelen, en een uiterst serieus artikel over de arrestatie van Michel die tijdens een aanval van paranoïde schizofrenie grafstenen op het kerkhof Père Lachaise losbeukte, en een nachtwaker de hersens insloeg. Gebiologeerd door de ogen en de wil van zijn germaniste belooft de student Michel op te sporen en hem te bevrijden. De gek.

De lezer is intussen evengoed gebiologeerd geraakt door de merkwaardige macht van de onaantrekkelijke en onaardige Schiller-expert, die alleen wegsmelt in het bijzijn van haar charmante vader en diens liefdesvriend met zijn scherpgevijlde tandjes. De vriend is psychiater voor delinquenten en maakt de student wegwijs op het gebied van schizofrenie. Eenmaal in Parijs en elders in Frankrijk dringt de student, tot ons genoegen zwoegend op Foucaulteaanse noties van goed en vooral kwaad, gekte en (homo)seksualiteit, politiek en pissoirs, door tot in de gestichten waar Paul Michel opgesloten werd en nog blijkt te zijn. Hij sluit zelfs een vreemd soort vriendschap met de man, die in de zwaarst beveiligde afdeling 'verpleegd' wordt. Op haast bovenmenselijke wijze zijn angst voor de gewelddadige homoseksuele mannetjesputter overwinnend voert de student de prachtigste gesprekken met de schrijver over zijn schrijven en leven.

Hier ligt de intellectuele crux van De Foucault hallucinatie. In wezen gaat het de schrijfster om de ingewikkelde relatie tussen leven en werk. Tussen biograaf en schrijver, tussen lezer en schrijver en biograaf. Behalve spannend is Hallucinating Foucault ook nog geestig en uitdagend, omdat de lezer gedwongen wordt nu en dan na te denken over politiek, artsenij, seksuele geaardheid, de keuze om je leven volgens een principe of de waaiende wind te leven, en over spiegelen of voorspiegelen. Daarbovenop is deze debuutroman ook nog op veel plaatsen heel mooi. En emotioneel, voor wie mocht denken dat het hier louter om een intellectualistische tour de force gaat.

De krankzinnige, magere maar sterke en zeer vileine Paul Michel met zijn vreemde ogen doet de student onweerstaanbaar denken aan zijn geliefde. 'Ze behoorden tot dezelfde soort. Ze bekeken de wereld met koude ogen.' De student analyseert, voor zover hij nog kan denken, de afstandelijkheid van zijn object in zijn boeken en zijn hevige hartstochtelijkheid in het leven, begrijpt er niets van en valt onontkoombaar ten prooi aan zijn fascinatie. De afloop van deze roman met zijn driedubbelzinnige titel zal hier niet prijsgegeven worden, maar wel mag vermeld dat de germaniste namens de student een rouwbrief schrijft die meebegraven moet worden, een schitterende, meta-literaire brief van een lezende aan een levende. Heel Hallucinating Foucault staat in het teken van de soms uit de hand lopende relatie tussen lezer en schrijver, waanzin en waarheid. 'Ik stel dezelfde eisen aan mensen en aan fictie, petit - ze moeten een open einde hebben, de mogelijkheid in zich dragen om wie ze dan ook maar ontmoeten te zijn en te veranderen. Dan werkt het - de dynamiek die er altijd zijn moet - tussen schrijver en lezer. Dan hoef je niet te vragen of het mooi is, of afzichtelijk is.'

Michel Foucault doemt geregeld op maar treedt nergens op de voorgrond. Zijn thema's worden misschien zelfs overruled door een van Patricia Duncker zelf: de onbetrouwbare seksuele geaardheid van de mens, die hele levens op losse schroeven kan zetten.

    • Margot Engelen