Sport als kompas

Dat sport en politiek met elkaar te maken hebben, is zo langzamerhand een vermoeiend cliché. Dat sport en commercie twee handen op één buik zijn, is inmiddels evenmin een inspirerend gegeven.

We weten het. Maar pijnlijk blijft het. Al was het maar omdat het de sport zelf onrecht doet. Want het zijn niet de politiek en de commercie die het voortouw hebben. Nee, het is de sport zelf die steeds weer haar eigen waarheid schept. Het is de sport die altijd de voorafspiegeling is van ontwikkelingen die zich maatschappelijk nog moeten uitkristalliseren.

Twaalf Olympische Spelen zijn er sinds 1945 geweest. Elke keer was de sport er eerder bij dan de rest van de wereld, wees de sport de weg die het maatschappelijk leven buiten de stadions nog aan het zoeken was.

In 1948 viel dat nog niet zo op. De politiek had net een spoor van vernieling getrokken. De Koude Oorlog was weliswaar begonnen, maar de sport was nog niet ontdekt als wapen. Fanny Blankers-Koen, volgens menig verzuilde vrouwenbond in het vaderland een ontaarde moeder, won gewoon vier gouden medailles zonder dat Soekarno daarvan wakker lag.

Maar vier jaar later, in Helsinki, kenterde het tij. Voor het eerst deed de Sovjet-Unie mee. De Russen kregen er een eigen olympisch dorpje, zodat ze niet met de vijand hoefden om te gaan. De Amerikanen op hun beurt kregen van komiek Bob

Hope de opdracht hen te verslaan. Het lukte ze niet. Wat in Hongarije, Polen en Tsjechoslowakije nog in het echt moest gaan gebeuren - de grootmachten tot het uiterste tarten - deed in 1952 een simpele legerofficier: Emil Zatopek. Zestien jaar later zou hij wegens zijn profetische gedrag alsnog tot vuilnisman worden gedegradeerd.

In 1956 was het weer raak. In Boedapest trokken Russische tanks in november de stenen uit de straat. Nederland was als gidsland nog niet bekend. Maar het Nederlands Olympisch Comité besloot op eigen gezag toch tot een boycot. Het stond nagenoeg alleen.

De Hongaren gingen namelijk wel naar Melbourne. Ze wonnen er negen gouden medailles, maar vooral de halve finale waterpolo van de Sovjet-Unie. Er viel menig klap in het zwembad.

In 1960 en 1964 waren Rome en Tokio opnieuw de spiegel van wat nog moest komen. Alsof de sport al wist dat het met de raketten op Cuba niet zo'n vaart zou lopen. Natuurlijk, het waren de spelen van Wilma Rudolph (100 en 200 meter in Rome) en Dawn Fraser. Maar eerst en vooral waren het de Spelen van Abebe Bikila, de keizerlijke gardist die in Rome heus wel schoenen had maar er niet lekker op liep en daarom blootvoets ging. Dekolonisatie, kortom, lang voordat het woord elders in de wereld op waarde werd geschat.

Eind jaren zestig was het de sport die het culturele aspect van de migratie aan de orde stelde. In Mexico ging dat precies zoals het in 1968 betaamde: chaotisch. Tommie Smith en John Carlos (eerste en derde op de 200 meter) op kousenvoeten op het ere-podium, met gebogen hoofd en gebalde vuist in zwarte handschoen. Ze vertolkten het activisme van 'black power', zoals Bob Beamon even verderop in het stadion met zijn sprong van 8,90 meter een droom à la Martin Luther King realiseerde.

In 1972 gebeurde daarentegen precies het omgekeerde. Terwijl de Rote Armee Fraktion in Duitsland nog braaf Baader-Meinhoffgroep heette, werd München wakker geschud door een vorm van terreur die pas jaren later in Europa politieke invloed kreeg. Maar, zoals het een voorhoede past, reageerde de sport profetisch. De 'games went on', omdat IOC-voorzitter Avery Brundage het zo wilde.

Tegelijkertijd dienden zich daar ook al de jaren tachtig aan: Mark Spitz, het nieuwe type topsporter met zijn unieke handelsgeest. Via Spitz diende het individu zich aan, de sporter die de gepolitiseerde natie het nakijken gaf.

Dat bleek pas goed in Moskou. De invasie in Afghanistan had de roep om een brede boycot in het Westen ontlokt. Maar het front was al aan het verbrokkelen. De Amerikanen gingen niet, de Britten wel. En in Nederland mocht iedereen zelf beslissen. In 1984 volgde Los Angeles definitief de weg die Spitz twaalf jaar eerder al had gewezen. Frisdranken en fastfood grepen de macht. Globalisering avant-la-lettre. En dat terwijl de eerste McDonald's op het Poesjkinplein in Moskou nog geopend moest worden!

Over politieke passies werd sindsdien niets meer vernomen. We moesten het doen met de kleine gekte. Sprintster Florence Griffith had vooral rare nagels. Dit alles culmineerde in het absolute symbool van de nieuwe superieure normaliteit: Carl Lewis, groter dan wie ook, maar ook herkenbaarder voor welke sterveling dan ook. Allemaal vreselijk knap en bewonderenswaardig, maar soms ook slaapverwekkend. Vijf jaar voor het slotakkoord van de Koude Oorlog had de sport in Los Angeles de nieuwe tijd doorgrond. In Barcelona bereikte deze nieuwe wereldorde zijn feestelijk hoogtepunt.

Rest de vraag waarheen de spelen ons de komende weken zullen voeren. Zal het individualistische tijdvak in Amerika zijn climax beleven? Of is er toch een nieuwe periode in aantocht? Het antwoord is aan Atlanta. Want op de Spelen kan je altijd veel meer zien dan je op het eerste gezicht te zien denkt te krijgen.

    • Hubert Smeets