Onwetende olympische kampioenen

FRANÇOIS BRANDT 1874-1949, ROELOF KLEIN 1877-1960 Olympisch kampioen roeien, twee met stuurman De eerste Nederlandse winnaars van een gouden olympische medaille. Onder de circa 1.225 deelnemers aan de tweede Olympiade in Parijs waren 27 Nederlanders: dertien roeiers, zeven schutters, drie zeilers en vier zwemmers.

F.A. Brandt en R. Klein waren de eerste Nederlanders die een olympische titel wonnen, al hebben ze dat zelf nooit geweten. De twee roeiers uit Delft dachten dat ze op 25 augustus 1900 in Parijs aan wereldkampioen- schappen meededen.

Dankzij historicus Ton Bijkerk werd in de jaren zestig pas duidelijk dat het Nederlandse roeiduo aan de tweede, niet bijzonder geslaagde, Olympische Spelen had meegedaan.

François Antoine Brandt en Roelof Klein wonnen hun gouden medaille op het onderdeel twee met stuurman.

In de serie ging het nog verre van goed met de Nederlandse boot. Met de arts Herman Brockmann als stuurman, lid van de Amsterdamse roeivereniging Nereus, finishten Brandt en Klein als tweede. De achterstand op de sterke Franse ploeg van Societé Nautique de la Marne bedroeg vele bootlengten.

Dat grote verschil wekte alom verbazing. Brandt (25 jaar) en Klein (23) behoorden tot de beste roeiers ter wereld. In een voorbeschouwing in het tijdschrift Nederlandsche Sport door roeimedewerker dokter Meurer, die trainer-coach van Nereus was, stonden Brandt en Klein hoog aangeschreven: “De twee gaat zeer goed, en de ploeg die haar slaat, moet zeer sterk zijn. Klein vooral is, wat beenenwerk betreft, zeer vooruitgegaan.”

Brandt en Klein begrepen niet waarom ze in Parijs in de serie zo duidelijk waren verslagen. Totdat ze bemerkten dat de andere boten een veel kleinere en lichtere stuurman aan boord hadden. Het waren kinderen die nog geen 25 kilo wogen. En Brockmann woog wel 60 kilo. Daarom werd de dokter, hoe kundig ook, vervangen. In zijn plaats kwam een Frans jongetje dat de Nederlandse roeiers van de kade hadden geplukt.

Hij had vroeger al verschillende malen in boten van Societé de la Basse-Seine 'gestuurd', maar was voor zijn diensten bedankt toen hij zwaarder was geworden. Ten tijde van de Olympische Spelen woog het Fransmannetje 33 kilogram. Zijn gewicht stond keurig vermeld in een verhaal dat Brandt in de jaren twintig in een jubileumboek van zijn Delftse vereniging Laga over de gouden race van 1900 had geschreven. De naam van de Franse uitzendkracht stond er niet bij.

Die is ook nooit meer achterhaald.

Met een veel lichtere stuurman aan boord moesten Brandt en Klein voor de finale op 25 augustus hun boot, de A.P. Petrie genaamd, met vijf kilo verzwaren, want anders zou de vin van het roer boven het water uitsteken. Het loden gewicht kwam achter in de boot.

De Franse concurrenten vreesden de Nederlandse tegenstander. Ze spanden samen en de ploeg van RC Castillon werd vooruitgestuurd om voor 'vuil water' te zorgen. Brandt en Klein lieten zich echter niet verrassen.

Ze gingen mee met Castillon en namen zelfs de leiding. Na honderd meter hadden ze al een voorsprong van drie lengten op de achtervolgers. Dat tempo konden de Delftenaren natuurlijk niet volhouden, maar op de meet bleken ze net voldoende krachten over te hebben voor de zege. Het verschil met de Societé Nautique de la Marne was miniem, tweetiende van een seconde.

De overwinning van Brandt en Klein was de eerste olympische titel voor Nederland. Het bleef in Parijs niet bij die ene eerste plaats voor de Nederlandse roei-equipe die onder de naam Minerva Amsterdam meedeed. Brandt en Klein roeiden ook mee in de acht, die als derde eindigde. De 'vier met' behaalde zilver. In beide boten was dokter Brockmann wel de stuurman.

De prijswinnaars kregen in Parijs geen medailles, maar kunstwerken.

Niet bekend

Het tijdschrift Nederlandsche Sport was vol lof over de prestaties van de landgenoten in Parijs. “Wij brengen hulde aan de roeiers, den coach, en den stuurman van Minerva, voor de schitterende wijze waarop zij onze roeisport in den vreemde hebben vertegenwoordigd, en bieden aan den heeren F.A. Brandt en R. Klein onze hartelijke gelukwenschen aan met hunne schoone overwinning.”

De succesvolle Nederlandse roeiers hebben nooit geweten dat ze aan de Olympische Spelen meededen. Ze dachten dat het om wereldkampioenschappen ging. Dat is tekenend. De Spelen in Parijs kunnen als mislukt worden beschouwd. De initiatiefnemer van de moderne Olympische Spelen, baron Pierre de Coubertin, had met zijn IOC-collega's besloten dat de tweede editie, na Athene 1896, in de hoofdstad van zijn vaderland moest plaatsvinden.

Niet bekend

De omstandigheden waaronder gesport moest worden, waren ronduit slecht. Zo moesten de deelnemers aan het verspringen zelf de springbak uitgraven. Er stond in 1900 een aantal onderdelen op het programma dat later niet meer terugkeerde op de Olympische Spelen. Het ging om erkende sporten als cricket, polo en rugby, maar ook om schieten op levende duiven, een onderdeel gewonnen door de Belg Léon de Lunden, en op een bewegende schijf met zwijnen. Ook was er bij het zwemmen een discipline waarbij er in het water boten lagen waar de zwemmers overheen moesten klimmen. Opvallend vond men in Parijs de zeer snelle tijden bij het zwemmen, maar dat bleek te komen omdat er in de Marne, een zijrivier van de Seine, met de stroom mee werd gezwommen.

Het is aan Ton Bijkerk te danken dat we weten dat er in Parijs Nederlanders hebben meegedaan. Deze voormalig wedstrijdzwemmer, marineofficier en directeur sport en recreatie van Leeuwarden verzamelt al 36 jaar materiaal over de Olympische Spelen. Hij kwam in 1960 in een Duits boek, dat hij tweedehands had gekocht, in de olympische uitslagen van 1900 de naam Dooxt tegen met de vermelding dat hij uit Nederland kwam. Het bleek om de zwemmer Johannes Drost te gaan die derde was geëindigd op de 200 meter rugslag.

Bijkerk nam contact op met het IOC en stelde het NOC op de hoogte. Dat resulteerde in 1962 in een communiqué waarin melding werd gemaakt van de Nederlandse deelname in Parijs. Het merendeel van de kostbare olympische collectie van Bijkerk staat in het Nederlandse sportmuseum in Lelystad. Hij hoopt binnenkort een boek uit te geven over die wonderbaarlijke Olympische Spelen in Parijs.

Tot slot, hoe ging het verder met de eerste Nederlandse olympische kampioenen? Brandt en Klein kwamen na hun olympische succes nog maar een enkele keer in de uitslagen voor. Met hun afstuderen als ingenieur in 1901 was er meteen een einde gekomen aan hun sportloopbaan.

François Brandt, geboren in Zoeterwoude, maakte carrière bij de Nederlandse Spoorwegen, maar zette daarna een opmerkelijke stap in een geheel andere richting. Hij werd bisschop van de Vrije Katholieke Kerk in Nederland. Dat bleef hij tot aan zijn dood in 1949. Hij was toen 74. Hij werd opgevolgd door zijn zoon.

Roelof Klein, afkomstig uit Lemmer, ging na zijn studie bij Shell werken. Het bedrijf zond hem naar de Verenigde Staten waar hij zijn verdere leven tot aan zijn dood op 82-jarige leeftijd, in 1960, bleef wonen.