Ongeschikt voor het gewone leven

RUTH FUCHS; geboren in 1946 in Egeln, in de DDR; Tweevoudig olympisch kampioen speerwerpen; Won in München (1972) en Montreal (1976) een gouden medaille. De Spelen van 1980 (Moskou) werden een teleurstelling, want de elfvoudige DDR-kampioene, die zes wereldrecords vestigde, eindigde daar als achtste.

Speerwerpster Ruth Fuchs-Gamm won twee gouden olympische medailles voor de DDR. Na een teleurstellende achtste plaats bij de Spelen van Moskou besloot ze direct te stoppen en haar leven een nieuwe wending te geven. 'Een overwinning heeft duizend vaders maar een nederlaag moet je zelf dragen, of alleen met je beste en intiemste vrienden.'

Mevrouw Fuchs, die voor de PDS (de voortzetting van de SED, de vroeger in de DDR heersende communistische partij) sinds 1992 lid is van de Bondsdag, is nogal verrast door het verzoek om een interview. 'Dat speerwerpen is al zo lang geleden', zegt ze ter verklaring. De tegenwerping dat een olympische kampioen uit een land dat niet meer bestaat, een kampioen die nu politicus is, toch veel te vertellen moet hebben, heeft haar tenslotte ja laten zeggen.

De PDS-groep is, het zal geen toeval zijn, op enige afstand van de Bondsdag ondergebracht in het City Centre in Bonn, een modern bouwsel met een grote Mercedes-ster op het dak. Daar ontvangt Ruth Fuchs, die kettingrookster blijkt te zijn geworden, in haar kleine werkkamer op een hoge etage. Aan de muur een verkiezingsposter: Wer nicht kämpft hat schon verloren. Ze is dol op Nederland, zegt ze, maar we zien af van een toelichting.

Hoe bent u eigenlijk tot speerwerpen gekomen?

Wij hadden in de DDR een sportsysteem, waarin jeugd met aanleg voor sport gestimuleerd werd op speciale scholen. Je moest een toelatingsexamen doen of je geschikt was, zoals anderen voor een ballet- of muziekschool. Ik ben er aangenomen in de vijfde klas, je bent dan 10 of 11 jaar. Ik wilde eigenlijk turnster worden.

Hoezo?

Mijn oudere broer nam me altijd mee naar turnen toen ik een jaar of vier was. Later bleek dat ik voor turnen eigenlijk te groot was. Die DDR- sportscholen hadden een breed lespakket, wie als turnster in het kader werd opgenomen moest ook atletiek, zwemmen en andere sporten doen. Zo ben ik tot de atletiek gekomen. Ik kreeg een speer in de hand gedrukt waarmee ik al snel wedstrijden ging winnen. Ik was toen 12 jaar, won een gouden medaille op de jeugdspartakiade in Dresden na een jaar training als speerwerpster. Tot mijn zestiende deed ik trouwens ook de vijfkamp, wegens de atletische veelzijdigheid van de vijfkamp. Echt op het speerwerpen heb ik me pas vanaf mijn zestiende geconcentreerd, toen kwam ik in het DDR-jeugdteam en deed mee aan internationale wedstrijden. Normaal gesproken zou ik al hebben meegedaan aan de Olympische Spelen van 1968 in Mexico, maar bij een laatste test scheurde ik een spier in de elleboog. Dat heeft me twee jaar gekost. Vervolgens ben ik van Leipzig naar Jena verhuisd, ik was in 1966 als twintigjarige getrouwd, mijn man werkte in Leipzig, maar kwam uit Jena en wilde weer daarheen terug.

Uw man was uw trainer?

Nee, mijn eerste man niet. Die was ook atleet, midden-afstandsloper. We zijn na tien jaar gescheiden. Of juister: ik heb scheiding aangevraagd.

Bent U ook vroeg getrouwd omdat dat voordelen meebracht? Bijvoorbeeld dat U daardoor eerder een woning kon krijgen?

Als je in de DDR bij je ouders weg wilde en woonruimte wilde, was het zeker makkelijker als je getrouwd was en een kind had, dan had je eerder een kans op een woning. Bovendien: een echtscheiding was er veel makkelijker dan in de Bondsrepubliek.

U bent tot uw dertigste in een bijzondere positie geweest omdat U, als vrouw, een succesvolle topsporter was. Was uw maatschappelijke loopbaan, door de sport en door uw studie, min of meer voorgeprogrammeerd?

Ja, ik heb na mijn middelbare school hoger beroepsonderwijs gevolgd en later les gegeven aan de medische Fachschule van de Friedrich-Schiller- universiteit in Jena, maar het combineren van training en lesgeven bleek moeilijk. Daarom ben ik gaan studeren. En ik kreeg in 1981 het aanbod om te promoveren aan de Deutsche Hochschule für Körperkultur in Leipzig, dat was zoiets als de sporthogeschool in Keulen. Na mijn promotie in september 1984 heb ik aan de Friedrich-Schiller-universiteit sportwetenschap gedoceerd.

Hoe lang was u toen al lid van de DES, want dat moest u als topsporter en wetenschappelijk docent in de DDR waarschijnlijk wel zijn?

Ik ben in 1971 lid van de SED geworden, ik was toen 25.

Daarvoor bij de FDJ (Freie Deutsche Jugend)?

Natuurlijk, daarvoor bij de Junge Pioniere. Ik heb de normale weg van veel DDR-jongeren gevolgd.

Waren uw ouders ook partijlid?

Nee, mijn vader was jurist en hij kwam uit een heel andere richting, mijn moeder en hij hadden andere opvattingen. Ik ben zelfstandig en vrijwillig SED-lid geworden, ik stond geheel achter de DDR-politiek en heb nooit overwogen om naar de Bondsrepubliek te vertrekken, ook niet toen ik wat ouder was. Maar ik was natuurlijk door mijn sportieve successen min of meer bevoordeeld. Ik ging naar internationale wedstrijden in Oost- en West-Europa. Na 1980 ben ik als vertegenwoordigster van de DDR in de internationale atletiekfederatie (IAAF) gekozen. Dat betekende een grote mate van vrijheid, omdat ik niet meer in een team maar individueel naar internationale congressen en conferenties reisde en veel mensen kon leren kennen. En hoewel men dat in de DDR niet graag zag, moest je ook met Westelijke gesprekspartners omgaan.

Sinds welk jaar waren er atletiekwedstrijden tussen de Bondsrepubliek en de DDR?

Oorspronkelijk was daarvan geen sprake. Er werden volgens Duits-Duitse akkoorden bijvoorbeeld wel, zeg, per jaar drie Westduitse atleten toegelaten tot wedstrijden in de DDR en omgekeerd mochten dan drie DDR- sporters in West-Duitsland deelnemen aan wedstrijden. Tot 1964 had je bij de Olympische Spelen de gesamtdeutsche mannschaft. Daarna, in 1968 in Mexico, traden twee gescheiden teams op, zij het nog onder één hymne, de Beethovenhymne. Pas in 1972, in München, had elk team een eigen hymne en een vlag, uitgerekend daar was de scheiding voor het eerst definitief en geheel zichtbaar.

U hebt in 1972 voor het eerst meegedaan, hoe was de verhouding tussen die twee Duitse olympische teams? Vooral door de Koude Oorlog en de politiek bepaald? Was winnen van een West-duitse eigenlijk net zo belangrijk als een medaille?

Ja, dat was absoluut politiek bepaald. Toen we uit München terugkwamen - ik had goud gewonnen - werden we plechtig ontvangen bij Honecker, geëerd in de stad Jena, op de markt, iedereen kende je, feliciteerde je. Dat was in 1980 anders, dat was voor mij heel interessant. Ik was als Pfeife (mislukking) van de Spelen in Moskou teruggekomen. Iedereen had weer goud verwacht, mijn prestaties vooraf hadden ook in die richting gewezen. Maar ik was mislukt, wat vooral een psychische oorzaak had. Ik was degene op wie jacht werd gemaakt. De verwachtingen in eigen land zijn enorm, als het dan niet lukt keert dat zich tegen je. Ik was in Moskou ook niet helemaal fit, maar dat overkomt vele atleten. Ik ken geen topsporter die na verloop van tijd geen schade oploopt. Maar bij mij telde vooral de psychische belasting. Het idee, je kunt en moet voor de derde keer olympisch goud winnen. Als het kunnen en willen niet meer in evenwicht zijn, gaat het mis. Daarom heb ik destijds tegen mezelf gezegd: het is afgelopen, ik red het psychisch niet meer.

U was toen ook al 34.

Dat was het probleem niet. Ik wilde niet meer, ik was verzadigd en had psychisch niet meer de kracht om verder te gaan. Dat heeft men uiteindelijk in de DDR geaccepteerd.

U had in 1972 en 1976 goud gewonnen, daarvoor bent u in de DDR natuurlijk onderscheiden?

Ik heb vijf keer de 'vaderlandse orde van verdienste' gekregen, drie keer in zilver tweemaal in goud. Maar belangrijker was dat mijn persoonlijkheid door de sport, en door de maatschappelijke erkenning en de contacten die ermee samenhingen, ontwikkeld is. Eigenlijk raak je meer door je nederlagen dan door overwinningen getekend. Want als je goed met nederlagen omgaat, en niet altijd de oorzaken bij anderen zoekt, leer je daar veel van. Een overwinning heeft duizend vaders maar een nederlaag moet je zelf dragen, of alleen met je beste en intiemste vrienden, die leer je dan ook pas echt kennen en waarderen. Dat was na 1980 een heel vormende belevenis, die ik in mijn leven niet had willen missen.

Een succesvolle olympische atleet werd in de DDR alle problemen afgenomen, het gevaar was dat je ongeschikt werd voor het gewone leven. Na 1980 viel ik in een gat, ik had mijn kleine vriendenkring, maar moest mezelf gaan hervinden en mijn eigen kracht zoeken. Daarvoor was mijn promotie belangrijk, ik had behoefte aan een tweede terrein om jezelf te bewijzen.

Wat voor maatschappelijke voordelen had u, kreeg u eerder een auto of een huis?

Een auto kreeg ik in 1972 al, dat wil zeggen: ik moest ervoor betalen maar ik kreeg hem direct, een Skoda. U moet niet vergeten dat je in de DDR anders 12 jaar op een auto moest wachten. Ik kreeg ook snel een woning, veel vroeger dan anderen. Een 2,5 kamerwoning in een nieuwe wijk toen ik in 1970 derde was geworden op het Europese kampioenschap. In '72, na de gouden plak in München, werd me een vier-kamerwoning aangeboden. Met zijn tweeën een vier-kamerwoning, dat was in de DDR een absoluut privilege. Andere mensen woonden soms met twee kinderen in één ruimte.

U was overtuigd SED-lid, u geloofde in het DDR-systeem, hoe was destijds uw verhouding tot buitenlandse sporters, vooral die uit het Westen, uit West-Duitsland?

Officieel stonden de Duitse teams tegenover elkaar met een vijandbeeld. Beide teams, daar blijf ik bij, niet alleen het team uit die slechte DDR. Aan de andere kant kon je natuurlijk met de politieke eis dat je met 'de andere kant' geen contact mocht hebben, bij wedstrijden of op gemeenschappelijke trainingsvelden niets beginnen. Daar stelde je vaak vast dat je Westduitse tegenstanders beleefde en aardige mensen waren, en je raakte dan natuurlijk met jezelf in conflict. Het waren ellendige situaties. Als mens had je behoefte aan contacten van meer dan twee zinnen, en naarmate ik ouder en zelfbewuster werd heb ik zulke contacten ook gezocht. Toch gebeurde het altijd met enig schuldbewustzijn. Officieel was het Westduitse olympische team immers het team van de vijand.

Trouwens, sommige Westduitse sporters gedroegen zich ook alsof wij de vijand waren.

Hoe was dat met Sovjet-sporters? Als het Tsjechoslowaakse ijshockeyteam vroeger van de Sovjet-Unie won, gold dat als een nationaal feest, was dat ook zo in de DDR?

Dat kan ik bevestigen, ja. Nog in de jaren zestig was elke sportfunctionaris een beetje bang voor winnen van de Sovjet-Unie. Daarna kwam er een tijd dat onze politici het erover eens werden dat de Sovjet- Unie op sportniveau ook een 'gewone' partner was. We hadden geregeld van die drie-landentoernooien met Polen en de Sovjet-Unie, en daarbij kwam het wel tot conflicten. De manier waarop de Sovjet-ploeg zich op zulke toernooien gedroeg maakte het wel eens moeilijk om de officieel vriendschappelijke relaties te bewaren. Wij mochten geen sportmateriaal uit het Westen dragen, geen Adidas of Puma, en de Russen hadden dat allemaal wèl. Die gingen trouwens vaak ook liever met Westelijke teams om dan met ons of met de Polen.

Was de DDR in Oost-Europa misschien net zo onpopulair als West-Duitsland dat in West-Europa vaak was?

Beide Duitse staten hebben er flink van geprofiteerd, niet politiek maar anderszins, dat zij geen volledige vrijheid van beslissen hadden. Ze waren gekozen als naadlijn tussen twee systemen. De Sovjet-Unie had als het ware haar bloed gegeven voor onze bevrijding. Maar onze levensstandaard was veel hoger dan in de bevriende Oosteuropese landen, daar gold de DDR haast als een deel van het 'gouden Westen'. Men kwam hier huishoudelijke- en elektro-apparatuur kopen, in het algemeen alles wat de levenskwaliteit verbeterde. Men bewonderde én benijdde ons tegelijkertijd.

Daarbij kwam, in uw wereld, dat de DDR in Oost-Europa ook op sportief gebied uniek was door haar successen?

Ach, de Duitsers, of dat nu in hun genen zit of door hun geschiedenis wordt bepaald, hebben iets arrogants. Ik wil hen niet slecht maken, ik ben er zelf een, maar zij kennen een bepaalde intolerantie tegenover anderen. Ik durf die stelling wel aan, DDR-vakantiegangers gedroegen zich in Bulgarije of Roemenië vaak net zo arrogant als Westduitsers in Italië of Spanje. Het was soms nog ingewikkelder, als je als DDR-burger in Bulgarije met vakantie was in hetzelfde hotel als Westduitse toeristen, dan kregen die in de ene ruimte hun ontbijt, de Oostduitsers in een andere ruimte, die werden dan behandeld als tweede- klasgasten. Nou ja, onze Ost-mark was ook veel minder waard.

Heeft het ministerie van staatsveiligheid (MfS) U ooit gevraagd andere DDR-sporters in het oog te houden, in het buitenland bijvoorbeeld?

Het MfS heeft één keer, in 1972, voor de Olympische Spelen, geprobeerd om me als informeel Stasi-medewerker te krijgen. Ik heb dat geweigerd.

U kon dat weigeren?

Jazeker, daardoor heb ik nooit moeilijkheden gekregen. Men zei mij in dat gesprek dat men wist dat Westduitsers in München zouden proberen mij tot een vlucht naar het Westen te bewegen en dat er in de biografie van mijn ouders genoeg chantagemateriaal zat.

Was dat in het geval van uw ouders dan zo?

Dat weet ik niet. Ik was eigenlijk vooral gechoqueerd over wat die Stasi-kerel zei, terwijl mijn vader een jaar daarvoor overleden was. Maar daarna heb ik toch gevraagd hoe men nu mij met iets zou kunnen chanteren uit de biografie van mijn vader. Ik ben Ruth Fuchs en mijn vader is mijn vader, heb ik die man gezegd. Uiteindelijk bleef het erbij dat ik zei: ok, als iemand in München zou proberen om mij tot vertrek naar het Westen te bewegen, ben ik bereid dat aan de Stasi te melden. Dat leek me legitiem, maar het verzoek om binnen het DDR-team mensen in de gaten te houden, heb ik afgewezen. Er waren al genoeg mensen die zoiets voor de Stasi deden, ik had er geen zin in, zo ben ik niet opgevoed.

U moet nu lachen om mensen die zeggen dat ze nooit hebben geweten dat de Stasi ook in DDR-sportteams overal haar mensen had?

Maar natuurlijk, meestal had je wel een idee wie dat deden. Zoals je wist dat je telefoon thuis werd afgeluisterd. Het ergste wat er kon gebeuren voor de DDR was dat je als Auslandskader 'West-contacten' had. We wisten ook dat er in de Bondsrepubliek altijd mensen van de binnenlandse veiligheidsdienst in onze buurt waren.

Hebt u zelf wel eens moeilijkheden met de partij of de Stasi gehad?

Herhaaldelijk. Na 1980, omdat ik er een gewoonte van had gemaakt openlijk te zeggen wat ik van sommige dingen dacht. Ik had bijvoorbeeld in West-Duitsland een boek van Gorbatsjov gekocht dat in de DDR niet te krijgen was. Ik heb uit dat boek alleen het buitenlands-politieke deel met mijn studenten besproken, en wat video's van de West-t.v. in mijn collegestof geïntegreerd. Dat werd me verboden.

Ik heb veel dingen meegemaakt die me niet bevielen en ik heb geprobeerd daaraan wat te veranderen. Dat is een misrekening gebleken. Ik had nooit bereidheid getoond om een politieke functie op me te nemen, dat principe ben ik ontrouw geworden bij de Volkskammerwahl in 1990. Toen dacht ik: ja, nú ben ik bereid. Met de hoop op, laten we zeggen, iets als de Verenigde Staten van Duitsland, waarvan beide delen langzaam nader tot elkaar hadden kunnen komen. Het is toch hoogst onlogisch te denken dat twee landen en bevolkingen, die in veertig jaar uit elkaar gegroeid zijn, met één pennestreek en zonder problemen een eenheid zouden kunnen vormen. Mijn hoop was in 1990 dat we minstens vier jaar aan zo'n geleidelijk proces van toenadering zouden kunnen werken. In plaats daarvan is alles kapot gemaakt wat de DDR was.

U leefde in het grensgebied tussen top-sport en medicijnen, de DDR is vaak verweten topsporters met dopingprogramma's op te fokken. Hebt u daarmee zelf te maken gehad, bijvoorbeeld anabolica gekregen?

Ik had me eigenlijk voorgenomen daarover niet meer in het openbaar te praten. Doping is geen uitvinding van de DDR, maar in de jaren zestig uit de VS naar Europa gekomen. Eerst de anabolica, die volgens mij vandaag de dag de doping voor de armen zijn, spierversterkend zijn en maximale kracht bevorderend. Je stond voor de keuze: doe je het of niet. Als je nee zei, moest je er rekening mee houden dat je niet op hetzelfde niveau kwam als de anderen. Ik heb ja gezegd en kreeg in de zware trainingsperiodes van die kleine blauwe pillen.

Wanneer begon dat?

Pas in de jaren zeventig, toen ik al meerderjarig was.

Tot 1980, het jaar waarin u na de Olympische Spelen van Moskou ophield?

Natuurlijk, namelijk steeds in de opbouwperiodes in de training, zo heb ik dat ook begrepen, dat het dan het beste werkte. Ik heb in mijn actieve sporttijd alleen dat ene middel oraal genomen. Injecties heb ik altijd geweigerd, ik had over de nadelen daarvan gehoord. Ik ben er nooit toe gedwongen, het was mijn eigen beslissing.

Maar voor u, voor iedereen, stond vast dat zulke middelen op grote schaal werden toegediend?

Ja. Daarbij moest goed worden doordacht dat deze anabole middelen niet te gebruiken zijn vlak voor wedstrijden. Dan heb je je maximale krachtsinspanning en moet je ze niet nemen. Naar mijn mening zouden internationale sportmedici en wetenschappers eindelijk eens bij elkaar moeten gaan zitten en, verdomme, goed moeten definiëren wat manipulatie van prestaties echt is. Iemand die de marathon loopt bijvoorbeeld, kan zijn afstand niet lopen, dat is vandaag de dag algemeen erkend, als hij onderweg niet de precies voor hem geschikte slok krijgt, maar dat wordt geaccepteerd. Er wordt met twee maten gemeten en dat wordt erger naarmate de belangen in de sport groter worden en de commercie steeds verder oprukt.

Is uw stelling eigenlijk dat de kritiek achteraf op de DDR en Oosteuropese landen gericht is, maar de praktijk in het Westen niet anders was en is?

De president van de wereldfederatie van sportartsen, een Westduitser, heeft daarover gezegd: er wordt in Oost én West aan doping gedaan, alleen in het Oosten systematischer en meer prestatiegericht. Daarbij moet ik zeggen dat wij in de DDR steeds werden gecontroleerd op onze lever- en bloedwaarden. ik wist dus dat er geen schade was ontstaan aan mijn lichaam.

Iedereen zegt nu: doping en sport, dat hóórt niet. Maar de sport drukt ook uit wat er in de maatschappij gaande is. Naarmate de sport, ook de zogenaamde amateursport, steeds meer professionele trekken krijgt, en een eerste plaats in wedstrijden vaak zoveel waard is dat je daarmee een soort sociale zekerheid kan verwerven, is er het gevaar dat dopinggebruik weliswaar moeilijker vast te stellen valt maar als verschijnsel toch een steeds grotere rol gaat spelen.

    • J.M. Bik