Neergezet om nooit meer te vertrekken; Beeldende kunst op Schiphol

Schiphol is een van de grootste beeldenparken van Nederland. De meeste kunst op de luchthaven is ingetogen, maar sinds kort staat er ook kunst die brutaal om aandacht vraagt. In Vertrekhal 2 worden mensen die zichzelf belangrijk vinden voor gek verklaard en op perron 4 staat een man onder de douche. “Kunstenaars die een rustige, verstilde ruimte nodig hebben moeten hier niet werken.”

In de hal van station Schiphol hangen aan het plafond enorme ventilatoren als kleine, grijsgroene ruimteschepen. Er staan pilaren in dezelfde kleur, roltrappen schuiven naar boven en beneden, borden met aankomst-en vertrektijden van treinen en vliegtuigen knipperen om aandacht en daar tussendoor lopen de reizigers - gehaast, om met hun koffers en kinderen zo snel mogelijk trein of vliegtuig te bestijgen.

In dit pandemonium staat, stokstijf, een fel rood-wit geblokt gebouwtje, dat nog het meeste lijkt op een vierkante versie van de raket uit het Kuifje-album Raket naar de maan. Het staat er alsof het door professor Zonnebloem is neergezet om nooit meer te vertrekken - zo sterk valt het uit de toon van de omgeving. Dat komt ook goed uit: het gevaarte is bedoeld als ontmoetingsplaats voor aankomende en vertrekkende reizigers, al bleek het afgelopen jaar dat het ding zo opvallend is dat de meeste mensen het niet als trefpunt herkennen en er een bordje 'meeting point' bij geplaatst moest worden.

Hoewel de blokkendoos in de eerste plaats is ontworpen als trefpunt is het ook een kunstwerk, onderdeel van een van de grootste beeldenparken van Nederland. Het werd in 1995 gemaakt door de Amerikaanse kunstenaar Dennis Adams onder de titel Coda, en waarschijnlijk is het het bekendste beeld uit de collectie van luchthaven Schiphol, die zo'n honderd werken omvat. De werken die daarvan de meeste aandacht trekken zijn opvallend genoeg allemaal het afgelopen jaar geplaatst, met de laatste uitbreiding van de luchthaven. Naast Coda zijn dat onder andere dertien monitoren van Niek Kemps in de vloer van Vertrekhal 2, waarop de wachtende reiziger radarbeelden voorbij ziet trekken, en een verticale tekstbalk van de Amerikaanse kunstenares Jenny Holzer tussen Vertrekhal 1 en 2, waarop in felgekleurd rood of geel licht zinnen voorbij trekken als 'Much was decided before you were born' of 'People are nuts if they think they are important'. De meeste van de honderd Schipholwerken zijn niet voor het publiek zichtbaar, omdat ze in kantoren, privévertrekken en vip-ruimtes hangen. Zo'n dertig zijn wel toegankelijk voor het publiek, en een toeschouwer die alle werken wil bekijken is al gauw zo'n tweeënhalf uur aan het wandelen - wat slechts een optie lijkt voor reizigers met veel vertraging.

Surabaya

Dat het werk van Adams niet zomaar een felgekleurd verzamelpunt is, merkt de wachtende reiziger als hij het gebouwtje binnengaat. Daar hangen foto's van rood-witte voorwerpen die op Schiphol te zien zijn: hekjes, hokjes en loodsjes, gefotografeerd in de eenzame, kale landschappen rondom de landingsbanen. Adams heeft er namen onder gezet als Pekalongan, Palembang, Surabaya en Willemstad - steden in voormalige Nederlandse koloniën, wat in deze omgeving van aankomst en vertrek bij bezoekers een wat wrange smaak kan oproepen. De initiatiefnemers van het werk maken zich daar nauwelijks druk om: “Een typisch Dennis Adams-achtig grapje”, zegt Ben van Heesbeen, coördinator kunstzaken van Schiphol. “Toen we hem vroegen dit meeting point te ontwerpen, wisten we dat Adams vaak maatschappijkritiek in zijn beelden verwerkt. Daar hadden we geen problemen mee. Wel hebben we hem gevraagd enigszins rekening te houden met de omgeving. Daar had hij weer geen problemen mee.”

In tegenstelling tot Coda hebben de meeste kunstwerken op Schiphol geen praktische nevenfunctie, maar dat betekent niet dat de luchthaven een vrijplaats is voor kunstenaars. De kunst op Schiphol is 'gebruikskunst', zoals de meeste andere kunst op openbare plaatsen als parken, pleinen of gebouwen. Zulk werk is door de opdrachtgevers in de eerste plaats neergezet om de omgeving te verfraaien en de monotonie van gebouwen en straten te doorbreken - het is 'kunst die een positieve bijdrage levert aan de kwaliteitsbeleving van de ruimte', zoals de kunstcommissie van Schiphol haar aankopen motiveert. Toch zullen veel reizigers tot voor kort nauwelijks hebben gemerkt dat er op Schiphol zoveel kunstwerken te zien waren. De werken die er stonden waren beschaafd en ingehouden, museaal bijna, en vielen nauwelijks op voor een toeschouwer die met zijn gedachten meer bij zijn vertrekkende vliegtuig was dan bij de kunstvoorwerpen tegen de achterwand - als hij de werken sowieso al zag tussen alle reclameborden en verkeersterminals door.

Die concurrentie met de omgeving is een eeuwigdurend gevecht voor de kunst op Schiphol, en daar komt de strijd met de commercie nog eens bij. Op iedere plaats waarop de kunstcommissie haar oog laat vallen om een kunstwerk neer te zetten, kan de commerciële afdeling van Schiphol net een hamburger-stalletje hebben gepland. Daarop volgt vaak langdurig overleg tussen de betrokken instanties wie die plek mag bezetten. “We zijn daarom tegenwoordig vooral op zoek naar kunstenaars die zich willen meten met de omgeving”, zegt Saskia Bos, directeur van De Appel in Amsterdam en sinds 1993 lid van de kunstadviescommissie. “Kunstenaars die een rustige, verstilde ruimte nodig hebben moeten hier niet werken. Daarbij moet het ook kunst zijn die zich wáármaakt op het moment dat het er staat - voor ieder kunstwerk moet tenslotte een leuk terrasje met paraplu's worden opgeofferd.”

Radarbeelden

Voor de betrokken kunstenaars betekent dit meestal dat ze sterker rekening houden met de toeschouwer dan ze normaal zouden doen, als ze hun werk voor zichzelf of een tentoonstelling maken. Daarom wordt er de laatste jaren op Schiphol veel vaker dan in een museum kunst geïnstalleerd waaraan iets te beleven valt: zo kan de toeschouwer op de videoschermen van Niek Kemps radarbeelden van Schiphol zien die een week daarvoor zijn opgenomen. Af en toe wordt er kunst neergezet die letterlijk bruikbaar is, zoals Dennis Adams' ontmoetingspunt of de forse lampen met stalen beslag, die Marien Schouten in 1993 voor Terminal-west ontwierp. De lampen zijn alleen voor kenners als 'typische Schoutens' te herkennen, de kunstenaar heeft er eigenlijk alleen wat betreft de materiaalkeuze zijn eigen 'handschrift' ingelegd. “Aan een heel persoonlijk statement had ik ook weinig behoefte”, zegt Marien Schouten, die in september een solo-tentoonstelling van zijn schilderijen en installaties krijgt in het Stedelijk Museum van Amsterdam. “Ik vind dat je als kunstenaar voor iedere plek waar je werkt een passende bewering moet doen. Deze locatie heeft nauwelijks intimiteit, zoals een museumzaal wel kan hebben. Op zo'n moment vind ik dat ik me aan de plek moet aanpassen. Daarom ben ik ook tevreden over het resultaat - ze hangen daar goed zo.”

Ondanks de publieksvriendelijkheid van veel werken moet er op Schiphol ook rekening worden gehouden met de bedreiging die de toeschouwer ervoor vormt. Kunstvoorwerpen hebben een sterke aantrekkingskracht op vandalen, graffiti-artiesten en namenkrassers - een beeld dat op Schiphol wordt geïnstalleerd moet in principe dan ook 'hufterproof' zijn, zoals Ben van Heesbeen het omschrijft. Dat dat niet altijd lukt, blijkt bijvoorbeeld bij Appel van Kees Franse, een van Schiphols bekendste 'oude' beelden, dat in 1975 werd neergezet. De uit houten schijven opgebouwde appel was aanvankelijk blank, maar al na ruim een week verschenen de eerste namen op het beeld, gekrast met stift, pen of verf. Na een paar jaar was de appel vol. Sindsdien zijn af en toe pogingen ondernomen het beeld weer schoon te maken. “Maar ook dan stond het binnen een paar dagen weer vol”, aldus Van Heesbeen. “Het is zo langzamerhand een traditie geworden dat mensen er hun naam op zetten. In overleg met Kees Franse hebben we toen besloten het maar zo te laten - alleen de kauwgom laat ik er eens in de zoveel weken aftrekken.”

Een andere belangrijke voorwaarde die de luchthaven stelt aan te plaatsen kunstwerken, is dat het niemand mag provoceren; vooral religie ligt gevoelig. “Natuurlijk weet je nooit zeker of je geen fouten maakt”, zegt Ben van Heesbeen. “De ervaring heeft geleerd dat je ook met symboliek moet oppassen. Zo is een bepaalde bloem, ik meen de witte orchidee, voor Japanners een voorteken van de dood. Dan kun je ze natuurlijk niet aandoen om ze een mooie bos witte orchideeën op een foto voor te schotelen vlak voordat ze opstijgen.”

Tot nu toe heeft geen kunstenaar volgens Van Heesbeen moeite gehad met de restricties - de enige ingreep die ooit plaatsvond was het schrappen, in overleg met de kunstenaar van een aantal zinnen uit de vier uur durende tekstinstallatie van Jenny Holzer. “De zinnen die we hebben weggehaald gingen over lustmoord, wat gepaard ging met nogal wat bloederigheden”, zegt Van Heesbeen. “Dat vonden we net even te ver gaan.”

Roestwolk

Dat Schiphol, ondanks alle obstakels die kunst in de openbare ruimte met zich meebrengt toch een collectie heeft kunnen opbouwen, is te danken aan ontwerper Kho Liang Ie, die in 1967 werd gevraagd zorg te dragen voor de inrichting van de nieuwe terminal. In het kader van de percentage-regeling kunst, die in die tijd werd ingesteld, ging Schiphol bij ieder nieuw gebouw een bedrag voor kunst reserveren. “Kho Liang Ie had een heel duidelijk concept voor de luchthaven”, vertelt Van Heesbeen. “Hij wilde een heldere lay-out, met duidelijke zichtlijnen en veel glas, zodat je de vliegtuigen goed kon zien - hij vond dat de mensen, de wegwijzers en de reclameborden kleur aan het gebouw moesten geven.” Liang Ie ging daarin zover dat ook alle kunstwerken die op zijn initiatief in het gebouw verschenen in grijs of bruin metaal werden gemaakt - geheel in de geest van de tijd uitgevoerd door bekende kunstenaars van de openbare ruimte als André Volten, Peter Struycken en Carel Visser. Hoewel die beelden vaak speciaal voor de bewuste plaats waren ontworpen, hebben ze een sterk museale uitstraling - de roestwolk van Volten, een constructie van metalen, doorzichtige kubusjes, lijkt nog het meest op een Sol LeWitt-beeld dat per ongeluk aan een plafond terecht is gekomen. Wie die beelden nu ziet, krijgt al snel het gevoel dat het museumkunst is die naar de openbare ruimte is verplaatst. De beelden werden weliswaar ontworpen om rekening te houden met het gebouw waarin ze terecht kwamen, maar blijken nauwelijks rekening te houden met de terloopse manier waarop een toeschouwer op een luchthaven een kunstwerk beleeft.

Een werk uit die periode dat subtiel opvallend zou kunnen zijn, is het beeld Four Lines van de Amerikaanse kinetische beeldhouwer George Rickey. Rickey installeerde zijn beeld in 1975 in Vertrekhal 2 op een plaats waar de lucht vaak langs de wanden scheerde. Dat kwam voor het kinetische beeld goed uit - de vier stroken metaal begonnen er zachtjes van heen en weer te wiegen. Maar sindsdien moderniseerde Schiphol steeds verder en werden de tochtstromen langzaam uit het gebouw gebannen. Het gevolg was dat Four Lines jarenlang volledig stil hing en het aluminium beeld tegen de aluminium muur nauwelijks nog opviel. Ben van Heesbeen besloot er een aantal jaren geleden daarom maar een ventilatortje boven te hangen.

De collectie van Schiphol vormt een goede afspiegeling van de smaken en modes die kunst in de openbare ruimte de afgelopen dertig jaar heeft gekend. Op een aantal verloren plaatsen zijn nog wat klassieke beelden te vinden, zoals dat van KLM-grondlegger Albert Plesman in Vertrekhal 2, of het abstracte jaren-zestig beeld voor het Martinair gebouw, dat door de architect ir. Jonkers in een moeite door met het gebouw werd ontworpen. Met die traditie werd door Kho Liang Ie gebroken toen hij in 1967 onder anderen Visser, Volten en Arthur Spronken in de arm nam. Doordat er daarna een aantal jaren niet werd gebouwd, kwam er ook nauwelijks geld beschikbaar voor beeldende kunst. De volgende kunstgolf kwam daardoor pas in 1974/75, toen er opnieuw een uitbreiding plaatsvond en Franse, Rickey en Tajiri (een van zijn befaamde knopen), beelden mochten neerzetten. Vervolgens lag het verzamelbeleid van Schiphol vijftien jaar zo goed als stil - op een enkel beeld na werd er niets meer aan de collectie toegevoegd.

Hollandising

Aan het begin van de jaren negentig ontstond in de directie van de luchthaven het idee dat Schiphol in de toekomst vooral zou moeten groeien als transfer-luchthaven. Omdat Schiphol, volgens het management, voor veel buitenlandse passagiers het enige gedeelte van Nederland was dat ze te zien zouden krijgen, werd besloten dat de luchthaven zich meer als Nederlands zou profileren - Hollandising werd het toverwoord. Ook de kunst op de luchthaven werd voor dat doel ingezet. Hugo Kaagman werd gevraagd om een wand vol te schilderen met de van hem bekende delftsblauwe motiefjes, en Mark Brusse installeerde een 'meeting point' dat uit een paar klompen op een enorme sokkel bestaat - als de plannen van de toenmalige directeur waren doorgegaan had een van de verkeerstorens de vorm van een tulp gekregen. Dat is veranderd sinds H. Smits in 1993 directeur van Schiphol werd en de nieuwe uitbreiding van de luchthaven vroeg om nieuwe kunstwerken. Smits werd zelf voorzitter van de kunstcommissie en vroeg Wim Crouwel, ontwerper en voormalig directeur van Museum Boijmans Van Beuningen, en Saskia Bos, directeur van de Appel in Amsterdam, om ook in het overleg plaats te nemen. Sindsdien lijkt er weer beleid in de Schiphol-collectie te komen. De opvallendste werken van de collectie, zoals de beelden van Holzer en Adams zijn de afgelopen drie jaar aangekocht en de plannen voor nieuwe kunstwerken, onder meer van de Italiaanse kunstenaar Mario Merz, klinken veelbelovend.

De allerbeste aankoop van vorig jaar is het werk dat, in samenwerking met de spoorwegen, op perron vier van het NS-station werd geïnstalleerd: een filmpje dat Marijke van Warmerdam maakte van een douchende man, vorig jaar al te zien op de Biennale van Venetië. De camera is in het filmpje recht op de man gericht, maar hij kijkt niet in de lens. Met een wat duffe blik in zijn ogen, maar bijzonder stoïcijns, laat hij het douchewater over zijn hoofd lopen, uren en uren achter elkaar door - af en toe spuwt hij een klein straaltje uit. Het is een prachtig, merkwaardig rustpunt tussen alle reizigers die zenuwachtig op hun trein staan te wachten.

“De komst van Smits in 1993 heeft erg geholpen om het kunstbeleid meer geaccepteerd te krijgen”, zegt Ben van Heesbeen. “Dat hij voorzitter van de kunstcommissie is geworden, betekent dat kunst op Schiphol serieus genomen wordt, ook door de mensen die zich met commerciële activiteiten bezighouden. Ik merk dat de strijd om een goede locatie niet altijd meer uitvalt in het voordeel van het hamburgerstalletje - daarmee is al veel gewonnen.” Saskia Bos: “We zoeken in het kunstbeleid op dit moment vooral naar werk dat de strijd met de commercie aankan. Het is voor de kunst zo sterk dringen tussen de reclameborden, de wegwijzers en de ijsverkopers dat we zoeken naar kunstenaars die zich distantiëren van die reclame-uitingen en daar oplossingen voor zoeken. Kunstenaars die zeggen: als er in de lucht geen plaats meer is voor mij, dan ga ik wel in de grond zitten.”