Kuslust

De Zingende Zaag 29: Het bloed van Adonis. Postbus 1077, 2001 BB Haarlem. Prijs ƒ 25. De Revisor zomernummer: De kus. Uitg. Querido, 112 blz. Prijs ƒ 25

Hij steekt als altijd prachtig en vernuftig in elkaar: de nieuwe Zingende Zaag. 'De Adonis onder de tijdschriften' wordt ditmaal bijeen gehouden door twee boekschroefjes. Koperen boutjes in kleine bolle moertjes, net oorknopjes. Ze onderstrepen dat deze Zingende Zaag 'piercing poetry' bevat. George Moormann koos, samen met gastredacteur Hein van Dolen, een aantrekkelijk onderwerp dat een aantal dichters inspireerde: Adonis. Anton Korteweg nam zijn toevlucht tot ironische gelatenheid. 'Kom aan in Vijftig, stap daar uit - zoals / je dat in, zeg maar, Zutphen doet - / en ga daar naar behoren ouder worden / en oud, met bril, buik, haar uit oor en neus, / elk jaar wat meer, en laat dat rustig zien.' Veel zelfspot, maar niet echt 'piercing'. Dat verwacht je evenmin van schrijvers als Leo Vroman, Maarten Doorman of Jana Beranová. Fotograaf Luuk Wilmering koos met zijn Zelfportretten ook voor de zelfspot. Rogi Wieg liet zich door het onderwerp verleiden tot opstandigheid - 'Jong sterven is voor lelijkerds en dommen. // Spaar me nu, onder mijn lijk mogen later stenen liggen, kolen, / keien, maar laat het een hele mooie, oude man zijn die daar / ligt.'

Meer de kortstondigheid van zijn leven dan Adonis' schoonheid oefende grote aantrekkingskracht uit op de gevraagde dichters. Vreemd genoeg ontstond lang niet altijd fraaie poëzie, vaak vallen de gedichten in dit Adonis-nummer zelfs ronduit tegen. Fréderic Bastet: 'Toen zag ik Adonis staan. / Dodelijk jong, een bruine baviaan. / Zonsondergang. De dood op Scheveningen.' Er schuilt bepaald geen Kaváfis in hem.

Afgezien van een enkel gedicht - Carla Bogaards - is het de buitenlandse, de klassieke poëzie die indruk maakt in de Zingende Zaag, zoals een 'Klaaglied om Adonis' uit ongeveer 100 voor Christus.

Het dubbele zomernummer van De Revisor gaat helemaal over kussen. Alleen al de inhoudsopgave klinkt poëtisch: 'De Kus Die Ons Opeist', 'Venti Quattro Mille Baci', 'Onbekende Tong', 'Zoete Inval', 'De Toneelkus Is Echt', 'De Gevierendeelde Kus'. Daar staat tegenover dat het goorroze omslag, met een door glas gemaakte en sterk uitvergrote, van beneden af genomen foto van een kus, zo afstotelijk is dat elke kuslust er door zou kunnen vergaan. Zien wij er zó uit als wij kussen? Wat vies.

Hans Dagelet en Menno van Beekum klappen uit de school over kussen op toneel. Er wordt, anders dan vroeger, tegenwoordig echt getongzoend op toneel. Van Beekum vindt het maar niets, kunst, nep. 'Waarom men eigenlijk een suggestie van echtheid op het toneel wil is mij een raadsel. Het is het raadsel van de behoefte aan fictie in het algemeen. (-) Waarom willen we het leven zelf niet. Weg met het kunstkussen! Kus alleen als je helemaal echt kunt kussen.'

Er staan heel mooie gedichten over kussen in dit themanummer. Van Peter Verhelst ('langzaam liet ik mij op mijn beurt tot de bodem, / tot en met het laatste woord, door jou leegdrinken'), Kees 't Hart ('u zou het bloed onder mijn nagels vandaan kussen'), Dirk van Bastelaere ('Dat kleine gapen van de tijd waarin we vergeten zullen te ademen') en Elly de Waard: 'Hoe haar lippen, zo fijn / generfd en teer, van het levend / leer van ontluikend roze- / blad zijn en hoe zacht het / botsen van mijn lippen tegen / de hare, het stroeve zoeken / van tweemaal meegevend leer'. Maar er valt ook in proza veel te genieten. Jan Bor schreef een 'Fenomenologie van de kus' - “Dus, als de moderne filosofen vanaf Descartes wat meer de kunst van het zoenen hadden beoefend en over hun zoenervaring hadden nagedacht, waren zij naar het me voorkomt tot belangrijk andere conclusies gekomen.” Vergelijk zijn proza eens met het bloemlezinkje kussen in het werk van A.F.Th. van der Heijden, of dat van Mark Baltser in 'De kus van Pessoa': “Kussen en nog eens kussen wil ik je, als was mijn mond een kompas dat zich niet zou afvragen welke richting het uit zou zoenen, of mijn kus nu een rechte of gedraaide, een gebogen of een duwende kus is, waarbij ik je onderlip met m'n tong krachtig zal beroeren, of mijn kus nu een kruiskus is of een knelkus waarbij ik je beide lippen tussen de mijne zal leggen.”

De Revisor-auteurs gaan voor dit onderwerp opmerkelijk vaak te rade bij de (pop)muziek. Roel Bentz van den Berg bijvoorbeeld - “Nu de fucks per minute in de hard core hip hop bijna niet meer te tellen zijn en de house-beats met de minuut krachtiger aandringen op een collectief orgasme, valt er met de huis- tuin- en keukenkus weinig eer meer te behalen. De laatste die het probeerde en slaagde was Prince, maar zijn kokette 'Kiss' is niet meer dan een gevriesdroogde dode vlieg die van het plafond op je wang valt, vergeleken bij de natte smak waarmee Wilson Pickett in het tweede couplet van 'I Found A Love'zijn Kiss! als een met water gevulde plastic zak in je oor laat knallen.” Jacob Groot stelde een top-10 op van popkusliedjes, met op de tweede plaats The Everley Brothers met 'Till I Kissed You'. 'Stemmen: jonge oudemannen; sfeer: puberale hartslaghunkering.' Herman Berkhout deed hetzelfde met klassieke liederen, waarbij hij Schuberts 'Gretchen am Spinnrade' een 'wanhoopslustkus' noemt.

Literair gezien de meest veelbelovende kusexercitie is 'Aardbeien' van Michel Maas; hopelijk blijft zijn bijdrage aan De Revisor niet incidenteel.