Katholieken Drumcree woedend na Oranje-mars

PORTADOWN, 12 JULI. “Houd je ogen wagenwijd open. Vergeet niks van wat je gezien hebt. En schrijf het allemaal zodat de hele wereld doorkrijgt wie het voor het zeggen heeft in Noord-Ierland. Niet de Britse autoriteiten maar de protestanten maken de dienst uit in Noord-Ierland. Zij schrijven de wet voor. Voor katholieken zijn er in dit land geen rechten. Zo was het dertig jaar geleden. Zo is het nog altijd.”

Een vrouw van veertig in een cyclaamrode pullover spuit woorden als projectielen. Haar handen willen wurgen. Haar ogen werpen vlammen. Toorn en onmacht kleuren haar wangen rood.

De protestantse Oranje-orde van Portadown is in aantocht. Van verre kun je de kolonne al horen marcheren. Over de Garvaghy Road, verdomme. Tegen de wil van de katholieke buurtbewoners. “Ze hebben toch weer hun zin gekregen”, zegt de vrouw met een gezicht dat van walging is vertrokken. “Ze hebben de overwinning waar ze van meet af aan op uit zijn geweest.”

Haar buurvrouwen kunnen zoveel onrecht niet bevatten. Ze ratelen alsof ze de naderende kolonne daarmee neer kunnen stoppen. Aan hun weeklacht komt geen einde. De Royal Ulster Constabulary, de Noordierse politiemacht, had de protestanten toch vorige week de doortocht nog verboden. De wens van katholieke buurtbewoners om van protestantse zegepraal verschoond te blijven, moest worden geëerbiedigd. Daarom stond de plaatselijke Oranje-orde al sinds zondag bij de dorpskerk van Drumcree te wachten om de route te voltooien die ze al 189 jaar lang had gevolgd. Tevergeefs omdat ze gestuit was op een kordon van politie en leger. De impasse, die door de protestanten 'het beleg van Drumcree' gedoopt was, had gisteren haar vijfde dag bereikt.

De buurvrouwen zijn goed op de hoogte. Ze weten dat de Britse premier Major dinsdag het besluit om de optocht te blokkeren in het Lagerhuis nog heeft verdedigd. Ze weten dat de Britse minister voor Noord-Ierland Patrick Mayhew dat besluit woensdag nog “buitengewoon verstandig” heeft genoemd. Al hadden protestantse demonstranten al vier nachten lang het openbare leven in Noord-Ierland ontregeld door auto's in brand te steken en wegen te blokkeren, de autoriteiten hadden verzekerd dat ze niet zouden zwichten voor terreur.

Hoe was het dan mogelijk dat de politie gistermiddag eenzijdig, dus zonder instemming van het katholieke buurtcomité besloot om de optocht toch te laten doorgaan? De buurvrouwen kennen het antwoord wel. Omdat de Royal Ulster Constabulary altijd aan de kant van de protestaten heeft gestaan. Omdat de Noordierse politiemacht voor 93 procent uit protestanten bestaat. Protestantse agenten in Drumcree zijn de afgelopen dagen door hun protestantse broeders aan de andere kant van het prikkeldraad bedreigd met moord en doodslag. Anonieme bellers hebben hun vrouwen de stuipen op het lijf gejaagd. Die pressie heeft gewerkt.

Een man met een legerjack aan en en zwarte muts op zijn hoofd herinnert aan de oproep die de Oranje-orde gisteren als grootste protestantse organisatie in Noord-Ierland tot de protestantse politiemensen richtte. “Trek jullie uniformen uit. Vecht niet tegen geloofsgenoten.” De conclusie van de man met de muts: “Hun uniformen hebben ze aan gehouden. Maar hun onpartijdigheid hebben ze bij de Oranje-leiding ingeleverd.” Het buurvrouwenkoor jent de gewapende politiemannen die de weg komen banen voor de protestantse optocht: “Waar is je oranje lintje? Waar heb je je bolhoed gelaten?” Bekende attributen die Oranje-leden doorgaans bij zich dragen als ze op parade gaan.

Buurtbewoners storten zich op het asfalt om de oprukkende protestanten de doorgang te beletten. Voor hun borsten houden ze protestplakaten van het buurtcomité. Ze scanderen 'baas in eigen buurt' en 'de straat is ook van ons'. Aarzelend zetten ze het lied in dat door voorvechters van de katholieke burgerrechten in de jaren zestig al werd gezongen: 'We shall overcome'.

Maar voor vreedzame protesten is deze dag geen plaats. De politie heeft instructies om de weg schoon te vegen. Efficiënt en in hoog tempo. Buurtbewoners worden met harde hand verwijderd door agenten in gevechtstenue die met geestdrift de wapenstok te hanteren. Ze worden achter de wal van grijze landrovers gesmeten die bumper aan bumper de stoepranden markeren, over een lengte van honderden meters. Mannen beginnen met stenen en flessen te gooien. Een vrouw schiet op een agent af om het glas van zijn veiligheidshelm te bespuwen. Ze draagt een peuter op haar arm.

“Zwarte bastaards”, snerpt de vrouw met de cyclaamrode pullover. Tussen twee snikken zegt ze tegen een buurvrouw: “Ik jank mijn ogen uit mijn kop. Maar alleen van boosheid. Als je dat maar weet.” Om de verklaring op de radio van de Noordierse hoofdcommissaris dat hij alsnog zijn permissie voor de optocht heeft gegeven omdat “het gevaar anders zo groot was dat er doden zouden vallen”, kan ze alleen maar schamper lachen. “ Dus geweld wordt beloond? Vijf dagen lang heeft de politie geen vinger naar de protestanten uitgestoken terwijl ze een hele provincie in gijzeling namen. Maar vreedzame katholieke buurtbewoners worden van de straat gemept.”

“Begrijp je dat niet?”, vraagt een bejaarde vrouw in trainingspak spottend. “Dit is hun land. God heeft het ze zelf gegeven. Zet je voordeur maar vast open. Je bent niet eens meer veilig in je eigen huis.”

Een moeder met twee kinderen aan haar benen bekent dat ze van de ene op de andere dag supporter van het verboden Ierse republikeinse leger is geworden. Terwijl ze bij de verkiezingen vorige maand niet eens op Sinn Fein, de politieke vleugel van de IRA, heeft gestemd. “Tegen geweld helpt alleen maar nog meer geweld. Ik wens in mijn eigen land niet langer als een tweederangsburger te worden behandeld.”

Driehonderd meter verderop, bij de tapijtfabriek, haalt de protestantse bevolking de optocht van 1.300 Oranje-leden jubelend in. Een vrouw stort zich in de armen van haar echtgenoot, alsof hij zojuist zegevierend van het slagveld is gekomen. Omstanders slaan de Oranje-leden op de schouders. De belegeraars van Drumcree worden door bekenden luidruchtig gefeliciteerd.

Bij de Oranje Hal in de binnenstad van Portadown zet de menigte spontaan het Britse volkslied, zacht en ingetogen als een hymne, voordat ze zich in alle windrichtingen verspreidt. “Ons krijgen ze er niet onder”, roepen ze elkaar ten afscheid toe. “Aan ons de overwinning.” “Tot volgend jaar.”