Ik heb weet van de dingen, ik weet van gevoelens; Lennaert Nijgh, een zanger met papier en pen

Als zanger Boudewijn de Groot een troubadour is, is zijn tekstdichter Lennaert Nijgh een rederijker. Met hun engelenvingertje wezen ze in de jaren zestig naar iedereen met wie ze het oneens waren, zegt Nijgh over die tijd. Nu hebben ze samen een nieuwe cd gemaakt. “Ik zou nu geen lied kunnen schrijven over de misstanden in Bosnië of Servië.”

Boudewijn de Groot: Een nieuwe herfst. Papa's Music, ƒ 39,90

Vroeger, op de middelbare school, in de tijd van meisjes van zestien en bos en strand, van Meester Prikkebeen, van Mijnheer de President en van je eigen testament, waren de singles en lp's van zwart, glanzend vinyl. Boven het hart van de plaat stond de titel van het nummer. Eronder de namen van de zanger en componist, soms ook die van de tekstdichter: B. de Groot/ L. Nijgh. Die eerste is zanger Boudewijn de Groot, afgebeeld met overweldigend lang haar, getooid met kettingen en kralensnoeren, een suède jas met witte kraag, in weer een ander leven coltrui en spijkerbroek of met bloemenslingers om het hoofd.

Later kwamen de klaphoezen. Nog meer ruimte, vier keer dertig bij dertig centimeter, voor de Haarlemse zanger met zijn onberispelijke tongval, bitter, melodieus en melancholiek tegelijkertijd. Een troubadour. De liederen die hij zong, vol heimwee naar voorbije liefdes en rusteloosheid, waren van een smetteloze stijl.

Als Boudewijn de Groot een troubadour was, dan ging er achter hem een rederijker schuil. Die rijmen en stijlfiguren konden alleen door een soepele, geoefende hand geschreven zijn. Iemand die de klank en metriek van de taal kende. Geheimzinnige, korte naam. L-punt-Nijgh. En altijd verscholen achter dat schuine streepje. Bestond hij wel, deze Nijgh? Was hij geen verzinsel, een romanfiguur verdoold in de muziek?

Voor het eerst sinds lange tijd, zo'n vijftien jaar na Hoe sterk is de eenzame fietser, hebben Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh een sterke cd gemaakt, waarvan de titel een licht-ironische verwijzing is naar hun eigen leeftijd en de openingsregels van Gorters Mei: Een nieuwe herfst. De cd is niet aan te slepen.

De Groot ging een tijdlang zijn eigen weg, werd toneel- en filmacteur. Lennaert Nijgh bekwaamde zich in andere genres; hij schreef columns voor het Haarlems Dagblad, gebundeld in Stad van hout, en historische beschouwingen over diezelfde stad, getiteld Haarlem bestaat niet. Nijgh is librettist van de musical De Engel van Amsterdam en maakte ook liederen voor Liesbeth List, zoals 'Pastorale', en voor Rob de Nijs. Toch verloren De Groot en Nijgh elkaar nooit uit het oog, ze woonden zelfs tot voor kort als buren in een straat aan de rand van Haarlem, uitkijkend naar Bloemendaal en Aerdenhout. Nijgh heeft daar nog steeds zijn domicile, De Groot is uitgeweken naar het iets verderop gelegen Overveen.

Als Lennaert Nijgh praat, met iets van een branieachtige ondertoon, lacht hij veel met korte, harde plofgeluiden. Hij slaakt kreten. Zijn gezicht is smal, wangen die groeven vertonen. Nijgh is, zoals hijzelf met de nodige spiritualiteit zegt: “Een zanger met papier en pen.” Dat is hem voldoende.

Voor velen zijn de jaren zestig ondenkbaar zonder 'Het land van Maas en Waal', 'Prikkebeen' en 'Verdronken vlinder'. “Het was een vondst van Boudewijn,” zegt Nijgh, “om de nieuwe cd Een nieuwe herfst te noemen. Wij zijn inmiddels de vijftig gepasseerd, hebben de nodige huwelijken achter de rug, omzwervingen gemaakt. Het enige rotsvaste in mijn leven is eigenlijk de muziek. Vroeger schreef ik weleens voor anderen, nu uitsluitend voor Boudewijn. Boudewijn heeft ook andere tekstschrijvers, zoals Ruud Engelander.”

We spreken elkaar op zijn boot de Jonge Jacob in de haven van Spaarndam. Het is een omgebouwde Urker kotter uit 1928, door Nijgh in 1969 aangeschaft. Cassettebandjes staan tegen de wand van het verblijf. De tafel is net groot genoeg voor een kruik Beerenburg en twee glaasjes. Een potkachel moet in herfst en winter voor warmte zorgen, want op de boot schrijft Nijgh veel van zijn teksten.

Niet ver van de ligplaats van de boot staat een tekst van Nijgh in het grijze steen van het boezemgemaal van Rijnland gebeiteld: 'Het Spaarne stroomt het Spaarne stroomt voorbij.' De woorden van dit lied, 'Het Spaarne' van de lp Hoe sterk is de eenzame fietser, laten zich, zoals van al zijn teksten, niet makkelijk uit het geheugen wissen. “Ik kan nauwelijks zeggen hoe mijn teksten ontstaan, sommige komen rechtstreeks uit het onderbewuste, aan andere moet ik hard werken. Het is ook niet zo dat het vroeger gemakkelijker ging dan nu; het is hetzelfde gebleven. Wel ga ik aldoor uit van een hartregel, een hartekreet zo je wilt, en daaromheen bouw ik het lied. Ik schrijf met een melodisch beeld in mijn hoofd, ik zing als ik schrijf. Wanneer Boudewijn daar andere muziek voor bedenkt, vergeet ik snel mijn eigen melodie. Ik ben lieddichter, dus ik schrijf niet om gelezen te worden. Je schrijft per definitie voor een dyslectisch publiek, want teruglezen is onmogelijk: wie de regel kwijt is, is feitelijk verloren. Daarom moet elke regel er staan tegelijkertijd met dat je die hoort. Dat is een kunst, die ik na veel oefening onder de knie heb gekregen.

“Hoeveel liederen zijn we nu verder, sinds de allereerste? Meer dan honderd. Ik leen mijn tekst aan een zanger en heb daar geen moeite mee. Ik heb ook niet het idee op het tweede plan te staan; mijn aandeel is even noodzakelijk als Boudewijns stem. Ik wil geen armetierige dichtbundel schrijven, daarmee bereik je zo goed als niemand. Ga dan maar stencilen.

“Als kind van zes, zeven jaar al had ik belangstelling voor muzikale lijnen. Ik kende Beethovens Pastorale uit mijn hoofd. In de platencollectie van mijn ouders ontdekte ik Schubert, Die schöne Müllerin en Winterreise. Bij Schubert en zijn tekstdichter, de classicus Wilhelm Müller, ligt mijn inspiratiebron. Müller is in de vergetelheid geraakt. Het verhaal gaat dat dank zij Schubert zijn teksten onsterfelijk werden, onzin. Ze zijn schitterend.

“Schubert was op de middelbare school ver-bó-den. Zo ouderwets mocht natuurlijk niemand zijn. Dietrich Fischer Diskau, begeleid door Gerald Moore. Onvergetelijk; nu ik erover praat heb ik de Philips mini-groove lp van hun Winterreise weer in handen. Ik hield niet van jazz; wel van Jacques Brel, Everly Brothers, Buddy Holly. En Jaap Fischer, die was voor Boudewijn en mij van het allergrootste belang.

“Ik ben trouw gebleven aan mijn jeugd, daarom ben ik in zekere zin nooit volwassen geworden. En ik wil dat ook niet. Engeland, whisky, vrouwen, Ierse folk-muziek, traditionele muziek: dat is mijn wereld. Volwassen worden is de dood, dat weet elke tuinier. Dan treedt het verval in. Ik wil dat niet, daarom zal ik altijd de vrijheid van de zogenaamd onvolwassene nastreven. Er is een Chinees spreekwoord dat zegt: 'Als je op de top bent moet je doorklimmen'.”

Liefde speelt een grote rol op Een nieuwe herfst. De voorbije, de onmogelijke, de ideale liefde. Eigenlijk zingt en dicht het duo nog altijd alsof de middelbare school niet voorbij is, ze zijn voorgoed met die tijd verbonden. Nijgh schreef, en Boudewijn zingt begeleid door zoete violen: 'Als je niet van me houdt,/ moet ik daarmee leren leven./ Maar de nacht is koud en de morgen ver./ Ga niet weg en blijf nog even.'

Van protest is geen sprake meer. Op Een nieuwe herfst staat geen nieuwe 'Welterusten, mijnheer de president', een lied dat de anti-militaristische gevoelens vertolkte van een generatie. “We verzetten ons toen tegen alles, tegen de gevestigde moraal, tegen gezeten burgerij. Met ons engelenvingertje wezen we iedereen beschuldigend aan met wie we het niet eens waren. Er is zelfs nog voor ons gewaarschuwd vanaf de kansel. Onlangs kwam een vrouw naar me toe die zei: 'Dat ik op mijn zestiende van huis ben weggelopen, is jouw schuld'.

“Binnen drie jaar, tussen 1966 en '69 gebeurde er van alles; een jaar was lang, in een paar jaar gebeurde meer dan nu in tien jaar. 'Jong' was het sleutelwoord voor alles. Wij vertolkten iets dat onder onze leeftijdgenoten leefde, wij hadden er de stem voor. We waren de hoop van het vaderland. Ik zou nu geen lied kunnen schrijven over de misstanden in Bosnië of Servië, daarvoor zijn geëigender middelen, werk bij het Rode Kruis bijvoorbeeld.

“We hadden in die jaren niks te verliezen. Boudewijn woonde in Amsterdam, werkte ergens als magazijnbediende want hij was vader geworden en moest de kost verdienen. Ik zat op de filmacademie, samen met tal van eigenwijze lui die allemaal kleine geniale Godards waren, we maakten dezelfde soepgrijze speelfilms zonder verhaal. President Johnson, de generatiekloof, de musical Hair, Bob Dylan: het hoorde allemaal bij elkaar. Als je nu de foto's ziet van de happenings om 't Lieverdje, valt op hoe keurig de mensen zijn die eromheen staan, Urker dominees. Met bril, grijs of zwart pak, stropdas. Onze opstandigheid was eigenlijk tegen hen gericht. Nu ziet een topman bij Philips er in zijn vrije tijd uit als een dure versie van een Siberische woestijnherder.”

“Boudewijn en ik hadden nog een andere motor. Op de vraag: 'Waartoe zijn wij op aarde?' antwoorden we: 'Om wereldberoemd te worden.' We deden het niet voor minder. Ik heb nooit iemand meegemaakt die serieus iets wilde bereiken zonder die inzet. Het stadium van de schuifdeuren, van op een kamertje voor jezelf proza of poëzie in elkaar priegelen, is dodelijk voor de kunst. Je moet de moed hebben de wereld in te gaan. Ach, zover keken wij ook weer niet om ons heen. Amsterdam, Haarlem en aan het eind van de Zeeweg het strand vormde het decor. Maar op het strand kom ik nooit meer.”

“Onze samenwerking heeft niets mystieks. Boudewijn vraagt mij een tekst en, afhankelijk van mijn stemming, schrijf ik die. Hij componeert er de muziek bij. Dat is alles. We schrijven nooit samen, ik werk alleen. Ik schreef mijn liederen voor vrouwen, nog steeds, en dat is al erg genoeg. Op de cd staat 'Avond', ooit voor mijn vrouw Anja geschreven, nu de vrouw van Boudewijn. Dat doet geen pijn. Een lied op papier is uiteindelijk voor iemand anders. Joke, mijn laatste vrouw, dwaalt wel door de regels heen, en een mooi anoniem meisje met wie ik heb geluncht.”

Voor Een nieuwe herfst schreef Lennaert Nijgh 'De rover': 'Waarom dan keer op keer/ opnieuw met iets begonnen, want wat ik had gewonnen/ verloor ik telkens weer./ Waarom zo vaak het vuur/ verliefd weer aangestoken,/ beloften weer gebroken, op jacht naar avontuur.'

“Ik ben een dichter, ik ben wijs,” zegt Nijgh, “ik heb weet van de dingen, ik weet van gevoelens. Wat ik weet? Luister maar eens naar 'Avond'. Daar staat: 'En als de zon schijnt buiten gaan we lopen door de duinen/ en als het regent gaan we terug in bed./ Ik zie het licht door de gordijnen en ik weet: het verleden geeft geen zekerheid./ Want je kunt niets zeker weten/ en alles gaat voorbij'.”

Jarenlang wilden Nijgh noch Boudewijn over vroeger en het verleden praten. Die tijd was voorbij, ze wilden niet beschouwd worden als een roemrijk relikwie. “Het besef van vergankelijkheid is diep in me geworteld. Ik weet ook wel wat ik zie als ik in de spiegel kijk. Op het strand, toen, was er een beeldschoon meisje, zo van een theekopje weggestapt. Domingo Blazer. Waar is ze gebleven? Liesbeth List en Cees Nooteboom speelden in de golven de laatste scène van La Dolce Vita. Voorbij. Ik ben niet defaitistisch, anders zou ik niet voor Een nieuwe herfst hebben geschreven. De tijdmachine bestaat niet. We kunnen niet terug naar 1911, naar 1630 of 1966. Ook de herinnering vervalst ons verleden. Boudewijn en ik hebben veel samen meegemaakt. Toch verschillen zijn beelden sterk van wat ik me herinner. Het verleden is iets waarnaar je alleen terug kunt verlangen, want terugkeren kan niet. Als er een rode draad is die al onze muziek samenbindt, is dat die van het besef dat er andere tijden komen, niet noodzakelijkerwijs betere tijden, nee, andere tijden. De hoop blijft ongebroken.”

    • Kester Freriks