Het verdriet van Athene

Honderd jaar Olympische Spelen - de Grieken rekenden erop dat de jubileum-editie van het grootste sportfestijn ter wereld opnieuw in Athene zou worden gehouden. De traditie verloor het echter van het Coca-Colakapitaal.

Over het verlangen om Hellas tot permanente zetel van de Spelen uit te roepen.

Zelden heeft Athene zo'n sombere dag beleefd als 18 september 1990, de dag waarop bekend werd dat de Olympische Spelen van 1996 naar Atlanta gingen.

De Grieken, aangemoedigd door hun kranten, hadden er vast op gerekend dat de Griekse hoofdstad het sportfestijn zou mogen herbergen, honderd jaar nadat in Athene de eerste moderne Spelen waren gehouden. Er was een feestprogramma uitgestippeld, compleet met vertoningen in het oude marmeren stadion, muzikale optochten, vuurwerk en wat niet al.

In de vroege middaguren viel een stomme stilte over de stad, zelfs het kleine groepje dat tegen de Spelen was geweest, durfde niet van opluchting blijk te geven. Alle wegen vloeiden tranen van verdriet, tranen ook van woede. Het botte en barbaarse Coca-Colakapitaal - waar Atlanta het centrum van is - had gezegevierd over de oude culturele waarden, zo kon men horen. In de pers gingen de volgende dag stemmen op die ervoor pleitten, de Olympische Vlam maar eens niet ter beschikking te stellen, al was het alleen al om te verhinderen dat de Amerikanen daarmee op grote schaal reclame zouden gaan bedrijven.

Al deze geluiden zijn intussen verstomd, de Grieken zijn geheel en al gespitst op Atlanta, en president Stefanopoulos, recentelijk op bezoek in die stad, heeft er de vriendelijkste woorden aan gewijd. Athene heeft, in een nawerking van de frustratie, de kandidatuur voor 2000 voorbij laten gaan maar heeft zich nu weer aangediend voor die van 2004.

Het had weinig gescheeld of ook de Spelen van 1896 waren in Athene niet doorgegaan, hoewel het klimaat daarvoor, zowel in binnen- als buitenland, wel rijp was. In de Griekse hoofdstad waren tussen 1859 en 1888 al vier keer een soort 'Olympische Spelen' gehouden, zij het op zeer beperkte schaal, met uitsluitend Griekse (en Grieks-Amerikaanse) deelname en met sterke commerciële begeleiding. In Frankrijk was baron Pierre de Coubertin (1863-1937), die een militaire opleiding had afgebroken, in 1892 gekomen met het voorstel de Spelen op internationale schaal te laten herleven. Hij vond instemming bij een geleerde Griek die permanent in de Franse hoofdstad verbleef, Dimitris Vikelas (1835-1908), de latere voorzitter van het eerste Olympische Comité. Allebei waren ze voorstanders van de Britse vorm van sportbeleving, met rivaliteit en waar nodig teamwork, nadat het Duitse gymnastische idee, met Jahn als pionier, de hele eeuw zo'n beetje had beheerst.

Er was voor Frankrijk een goede reden, de Olympische uitdaging op zich te nemen. Twintig jaar tevoren, in het voetspoor van de gewonnen oorlog tegen Frankrijk, hadden Duitse archeologen het 'eigenlijke' Olympia, tweehonderd kilometer ten westen van Athene, mogen opgraven. De Coubertin verkondigde dat het nu aan de Fransen was, de olympische idee waar te maken. Na aanvankelijke onverschilligheid kwam het in 1894 in Parijs tot een congres, waar de Delphische Hymne werd geïntroduceerd, en waar Vikelas voor het eerst pleitte voor het houden van de Spelen in Athene. “Van deze oude instelling bent u de kleinzonen, maar wij Grieken de zonen.”

Het klonk allemaal heel mooi, maar kort tevoren, in december 1893, had de eerste minister van Griekenland, Trikoupis, in het parlement de latere legendarische woorden uitgesproken: “We zijn helaas failliet.” De staat had niets in kas voor een onderneming als deze en in oktober 1894 kwam de premier officieel met de raad, “zich niet verder met de Olympische Spelen bezig te houden”. Een brief die De Coubertin vervolgens in de Griekse pers liet publiceren maakte grote indruk vanwege de passage: “We dachten hier in Frankrijk dat het woord 'onmogelijk' niet in het Griekse vocabulaire voorkwam.

'' Inmiddels had hij - en dat had tot tijdelijke onmin met Vikelas geleid - contact opgenomen met Boedapest, dat in 1896 zijn duizendjarig bestaan wellicht luister wilde bijzetten met de Spelen. Maar de Hongaren worstelden met hetzelfde financiële probleem als de Grieken.

Kroonprins Konstantijn, die twintig jaar later, in de Eerste Wereldoorlog, zou bijdragen tot de opsplitsing van het Griekse volk, nam nu de zaak in handen.

Maar een reddende functie speelden vooral de geldinzamelingen die op grote schaal loskwamen. Met name Grieken in het buitenland bleken scheutig - bijdragen van niet-Grieken werden niet geaccepteerd - en het benodigde minimumbedrag van 600.000 drachmen werd tenslotte verre overschreden, doordat de 'weldoener' George Averof vanuit Egypte meer dan een miljoen beschikbaar stelde voor de restauratie van het uit 131 na Christus daterende stadion, waarvan de fundamenten twintig jaar tevoren waren blootgelegd. In ijltempo werd het prachtige stadion, nog altijd Kállomarmaro - Mooi Marmer - geheten, vervaardigd. Het biedt plaats aan 70.000 personen.

Intussen was Trikoupis afgetreden en zijn opvolger Deliyannis was weer een groot pleitbezorger van de Spelen. Een minister bracht hem op het idee, geld te werven met de verkoop van olympische postzegels. Het parlement wijdde op 15 juli 1895 een stormachtige zitting aan deze kwestie, waarbij alle filatelistisch geïnteresseerde afgevaardigden aan het woord kwamen. Het project werd een groot succes en de twaalf fraaie, in Frankrijk gedrukte zegels zijn nog steeds de trots van verzamelaars.

En zo begonnen op de Griekse nationale feestdag, 25 maart - volgens de nieuwe kalender 6 april - de Spelen ten aanschouwe van de koningen van Griekenland en Servië, maar in een stadion wat blijkens de foto's niet geheel was volgelopen.

Het was juist Pasen geweest, zowel voor orthodoxen als voor westersen, en twee dagen tevoren was voor het stadion in stromende regen het standbeeld van Averof onthuld. Alle hotels waren propvol, en in Athene zag men overal mensen uit de provincie, toen nog herkenbaar aan hun foustanella (rok).

Er namen slechts tien landen deel (waaronder niet Nederland) en de Spelen duurden tien dagen. De takken van sport waren, behalve atletiek: zwemmen, gymnastiek, gewichtheffen, worstelen, tennis, het aristocratische schermen (hoge toegangsprijs, bijna geen publiek), schieten, roeien en wielrennen, waarvoor een grote baan was aangelegd bij Faliron aan de zee. De meeste gouden medailles (elf) gingen ook toen al naar de Verenigde Staten, met vlak daarachter Griekenland, dat het merendeel van de ongeveer driehonderd deelnemers had afgevaardigd. Griekenland kreeg die eerste keer meer goud dan bij alle latere Spelen tezamen.

De namen van de Griekse winnaars zijn zowat vergeten, met uitzondering van die van de marathon-triomfator, Spyros Louis, die legendarisch bleef. Bij de opening van de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn mocht hij voorop lopen met de olympische vlag. In alle regio's in Griekenland zijn straten naar hem genoemd en er is ook een speelfilm over hem gemaakt.

De marathon was op het laatste moment aan het programma toegevoegd op instigatie van de Franse geleerde Michel Brel. Niemand wist eigenlijk hoe groot de afstand was tussen Marathon en Athene (meer dan veertig kilometer).

Er hadden zich 25 deelnemers gemeld, merendeels Grieken. Het gerucht liep dat de winnaar zich zou mogen verloven met de dochter van weldoener Averof.

Bij de deelnemers was een groepje boerenjongens uit het dorp Maroessi (langs de route) die geen van allen hadden getraind. Een hunner was Louis, die in Athene werkte als waterdrager. Bij de race bleef hij aanvankelijk lelijk achter. Tot aan Pikermi, halverwege, leidde de Fransman Lermiziau, maar die kwam in moeilijkheden toen hij ergens de verkeerde weg insloeg. Louis vroeg bij een herberg een glas wijn en kreeg te horen hoe ver zijn tegenstanders voorliepen. Hij haalde ze stuk voor stuk in, terwijl in het - nu wél volgepakte - stadion het gerucht postvatte dat de Australiër Flack ging winnen, maar die had zes kilometer voor de finish opgegeven. Toen een Griek als eerste het stadion binneliep, in een tijd van 2.58,50, was de vreugde onbeschrijfelijk. Ook de nummers twee en drie waren trouwens Grieken. Gevraagd door koning George wat voor geschenk hij wilde, antwoordde hij: “Een paard en wagen.” Een restauranthouder bood hem dagelijks een maaltijd voor een jaar, maar een geschenk van tienduizend frank van een rijke Fransman wees hij af.

Het amateurisme werd toen nog au serieux genomen.

De honderd meter werd gewonnen door de Amerikaan Brook in twaalf seconden. Op de foto van de start is hij de enige die de klassieke knielhouding aanneemt, blijkbaar niet verplicht. Over de hele linie kampten deze Spelen nog met een gebrek aan reglementen. Zo was het een tijd lang onduidelijk wie het discuswerpen had gewonnen. De Amerikaan Garret had bij de laatste worp het meeste succes, maar de Griek Paraskevopoulos had een veel beter gemiddelde.

Garret kreeg het goud, maar de Griek werd - niet alleen door zijn landgenoten - als de eigenlijke winnaar beschouwd.

De Olympische Spelen van 1896, 'de eerste en laatste' in Griekenland, zijn de geschiedenis ingegaan als een groot succes. Dat 'laatste' is trouwens niet helemaal waar. In 1906 zijn in Athene Spelen gehouden die men kan betitelen als de drieëneenhalfste. Zij vormden een reactie op de Spelen van Parijs (1900) en St. Louis (1904) die geen van beiden goed uit de verf waren gekomen.

Die van 1906 waren een Grieks initiatief, bedoeld om de instelling te redden.

Zij zijn nooit officieel erkend en De Coubertin heeft zich er ook van gedistantieerd. De deelname was echter behoorlijk en het waren ook de eerste Spelen waarbij bijna alle deelnemers op een plek (het Zappion) werden geherbergd.

Tot de motivatie van deze tussentijdse Spelen droeg bij het Griekse verlangen, reeds in 1896 uitgesproken, om Hellas tot permanente zetel van de Spelen uit te roepen. Een verlangen dat in de recente jaren zeventig opnieuw werd verwoord door de latere Griekse president Karamanlis, die er aan toevoegde dat het gebied Olympia zelf kon worden ingeschakeld bij de organisatie. Maar ook bij deze aspiraties maakten de Grieken vooralsnog bitter weinig kans.

    • Frans van Hasselt