Het socialisme is een eikeltje; Behoedzame biografie van Herman Gorter

Herman de Liagre Böhl: Met al mijn bloed heb ik voor U geleefd. Herman Gorter 1864-1927. Uitg. Balans, 560 blz. Prijs ƒ 85,-

Volgens de meeste literatuurgeschiedenissen houdt het leven van Herman Gorter (1864-1927) op in de jaren negentig, toen de dichter zich tot het socialisme bekeerde. In de onlangs verschenen biografie van historicus en politicoloog Herman de Liagre Böhl komt Gorters leven dan pas op stoom. Daardoor blijven ook veel vragen onbeantwoord. “Hoe kon zo'n groot dichter in zijn politieke geschriften zulke ronkende, retorische zinnen schrijven? En zulke kwijlerige liefdesbrieven?”

Kunnen wij ooit iemand kennen? Het meest wijze antwoord op deze vraag zal wel luiden: nee, maar we laten het er niet bij zitten. 'Zijn reis naar Friesland is altijd onopgehelderd gebleven', zo luidt de slotzin van De uitvreter van Nescio. Het klinkt als een nederlaag, maar tegelijk geeft die laatste regel ook meteen de bron van het verhaal aan: zonder de vele onopgehelderdheden in het leven van de uitvreter was Nescio vermoedelijk niet eens tot het schrijven van de novelle overgegaan.

Zonder geheimen geen literatuur. En zonder raadsels geen biografie. Ik las de biografie van Herman de Liagre Böhl over Herman Gorter. Een lijvig boek. Vijfhonderd bladzijden tekst, zestig bladzijden noten, bibliografie en register. Er is jarenlang aan gewerkt. Na lezing moest ik vaststellen dat ik er eerlijk gezegd nog steeds niet veel van begreep: van Gorter, van de wendingen in zijn leven, van wat hem dreef en van wat er nu werkelijk in zijn hoofd omging. Maar toch is Met al mijn bloed heb ik voor U geleefd een mooi en meeslepend boek. Zoals De uitvreter wel degelijk een portret van de uitvreter geeft, ook al zijn de motieven voor zijn Friese reis ons dan niet helder geworden, zo geeft ook deze biografie wel degelijk een portret van de dichter en socialist Gorter, hoezeer dan ook door raadselen omgeven. Gorter ken ik nog steeds niet, maar ik weet nu in ieder geval veel meer: over de mens, over zijn poëzie, over zijn politieke leven, over de tijd waarin hij leefde - en ook over mijn beperkte blik op dit alles.

Mijn beeld van Gorter was, zo weet ik nu beter dan ooit, danig vertekend. Volgens de archieven leefde Gorter van 1864 tot 1927, maar in de literatuurgeschiedenis liet men hem veel eerder sterven. Gorter was de Gorter van de Verzamelde lyriek tot 1905. Of de Gorter uit Enno Endts Herman Gorter Documentatie, die maar liep tot 1897. Als dichter was hij interessant tot en met de Kenteringssonnetten van 1895. En zo schrompelde Gorter steeds verder ineen, van 1905 via 1897 naar 1895. En ook daar kon nog wel weer wat vanaf. Want eigenlijk was Gorter alleen maar de Gorter van de Verzen, die wonderlijke bundel die er in 1890 zomaar ineens leek te zijn, dat rare geval van extase en eenvoud, die merkwaardige en nog steeds niet gedateerde mengeling van hoogst onbeholpen en hoogst sensitieve taal, in zekere zin het begin van de moderne Nederlandse poëzie. De Verzen van 1890 waren de echte nieuwe lente en het echte nieuwe geluid dat Gorter een jaar daarvoor zelf al aangekondigd had in de beginregel van dat ook al zo nieuwe, maar toch nog veel traditionelere epos Mei.

Jongelingsjaren

Een heel leven en een heel oeuvre teruggebracht tot een korte dichterlijke jeugd vol vernieuwing, een symbool van lente, met wat kwade wil samen te vatten in één regel, zijn eerste en meteen ook meest gevleugelde regel: 'Een nieuwe lente en een nieuw geluid' - als de speld in de hooiberg van zijn leven en werk. Wie de speld zocht, vond hem al meteen in de eerste regel klaar liggen. Wat zou een biograaf verder nog in de hooiberg te zoeken hebben?

Een van de verdiensten van de biografie van De Liagre Böhl is dat hij dit eenzijdige beeld drastisch bijstelt. Zijn eerste zin lijkt wel een provocatie: 'Herman liet zich in 1883 op achttienjarige leeftijd inschrijven als student in de klassieke talen aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam.' Beginnen met de achttienjarige Gorter: dat is gewaagd. Alsof bij zo'n meidichter niet juist alles wat er maar in zijn jongelingsjaren voorviel van het grootste belang zou wezen: zijn eerste lente en zijn eerste brabbeltaal ('een nieuw geluid'), zijn eerste tekening, het eerste boek dat hij las, desnoods zijn eerste trap tegen een bal. Men zou een speurtocht naar en door allerlei juvenilia verwachten, met driftige speculaties over kiemen van de latere bloei. Maar De Liagre Böhl laat meteen de achttienjarige Herman aan het woord, niet 'als 'n jonge vogel fluitend', maar bezonken terugblikkend op zijn jeugd. Zo luidde de eerste zin van de autobiografie die hij in zijn groentijd voor het studentencorps moest schrijven: 'Daar de ontwikkeling en wording van een kind ten nauwste samenhangt met het leven des vaders, zoo is men gewoon, eene levensbeschrijving, wil men die geregeld geven, te beginnen met den oorsprong van dat leven, den vader.' Vreemd, maar waar: uit dezelfde ouwelijke pen zouden ook de Mei en de Verzen vloeien, maar dat was pas jaren later.

Natuurlijk laat De Liagre Böhl ons in het vervolg niet geheel in het ongewisse over de jeugd van de dichter. Vader Simon en moeder Jo krijgen hun regels. Het doopsgezinde predikantenmilieu wordt kort geschetst. De schooljaren van Herman trekken even voorbij en de eerste karaktertrekken worden voorzichtig aangegeven. En gelukkig krijgen we toch ook nog even het oerdecor van de Mei te zien, als Herman zich in zijn autobiografie herinnert hoe de zomervakanties bij zijn grootouders in het Friese Balk verliepen: 'Hoe dikwijls lag ik daar in het gras kijkende naar de blauwe lucht, naar de witte wolken, die er in dreven en de menigte spreeuwen, die op de kersen kwamen aanvliegen en op de groene takken er in zaten te pikken, dat het een lust was om te zien.'

Maar overigens worden Gorters jonge jaren vlot behandeld. Zijn jeugd tot en met het gymnasiumdiploma is binnen dertien bladzijden geknipt en geschoren. In nog eens zeventien bladzijden krijgen we zijn bewustwording als dichter te lezen en dan zitten we al, voordat de biografie goed en wel op gang is, midden in de Mei en de Beweging van Tachtig. En zo gaat het snel door. Op bladzijde 139 zijn de Mei en de Verzen van 1890 al geschreven, in druk verschenen, door de pers besproken en door de biograaf geïnterpreteerd. En terwijl Gorter alweer afscheid neemt van zijn sensitieve periode, vraagt de beduusde Gorter-leek zich onthutst af: was dit alles? En vooral: wat kan hier in de komende 360 bladzijden allemaal nog op volgen? 'Crisis en huwelijk' heet het hoofdstuk dat daarna begint, en de eerste zin daarvan luidt: 'Enkele weken na het behalen van de doctorstitel kreeg Gorter een baan.' En dan is één ding wel duidelijk: crisis, huwelijk, en ook nog eens een baan - in 1890 is de lente van Gorter ook meteen voorgoed voorbij.

Radencommunisme

Het meest verrassende van deze biografie is wel dat deze laatste 360 bladzijden minstens zo interessant blijken te zijn als de eerste 140. Dat zal wel komen door mijn gebrekkige kennis van het post-sensitivistische leven van Gorter: zijn studie van het spinozisme, zijn bekering tot het socialisme, zijn bevlogen strijd voor de goede zaak van het radencommunisme. Maar vermoedelijk ligt het ook aan de biograaf, die op dit gebied beter thuis is dan in de poëzie. De Liagre Böhl, historicus en politicoloog, promoveerde in 1973 al op een studie naar Gorters politieke activiteiten in de opkomende communistische beweging. Hij is hier minder voorzichtig, heeft duidelijk plezier in het uiteenzetten van de achtergronden van de verschillende vroegsocialistische richtingen en verliest nergens zijn greep, met als gevolg dat hij stilistisch ook beter op dreef raakt. Daardoor lijkt het alsof ook Gorters leven na 1890 pas werkelijk op stoom komt - en zo ziet De Liagre Böhl het vermoedelijk ook wel.

Of we het met dit schema eens zijn, doet niet eens zoveel ter zake. Gorter zag het zelf graag zo, en daaraan heeft een biograaf zich maar te houden - niet aan wat de geschiedenis er honderd jaar later van gemaakt heeft. Wij kunnen nu wel vinden dat Gorter zich als dichter omstreeks 1895 min of meer heeft opgeknoopt, maar hijzelf moest natuurlijk verder. Hij wist wat de korte, maar al te hevige inspanning van het werken aan de Verzen hem gekost had: een zware crisis, overspanning en uitputting. Bovendien was hij in het begin van de jaren negentig niet de enige die afstand begon te nemen van het ver doorgevoerde impressionisme, het estheticisme en het hyperindividualisme, ten gunste van een meer gemeenschappelijk kunstideaal. Symbolisme en socialisme hingen in de lucht, zoals deze biografie goed laat zien. Dat is een tweede verdienste van De Liagre Böhl: hij heeft veel oog voor wat er buiten Gorters leven gebeurt, voor het politieke klimaat en de tijdgeest.

Een andere verdienste is dat hij Gorters overgang naar zijn zogenaamde socialistische poëzie volstrekt serieus neemt. Meestal wordt er wat lacherig over gedaan, over regels als 'De arbeidersklasse danst een groote reidans / aan de oceaan der wereld', maar De Liagre Böhl behandelt ze met veel respect. Hij probeert met Gorter mee te denken, zijn achtergronden te begrijpen, zijn behoefte aan leermeesters, vaderfiguren en heilsleren te duiden - en hij laat overtuigend zien hoe de poëzie daarin de dichter wel moest volgen. Bij zoveel begripvolle context winnen de socialistische verzen zowaar aan schoonheid. 'Het socialisme het is een eikeltje, / het is een ster van uit de vert gevallen, / het is een kindsdroom die tot waarheid werd': rare regels misschien, maar ze hebben toch wel iets, in hun onbevangen beeldspraak. Ze hoeven niet onder te doen voor veel van het Germaans-mythologische gedoe in de Mei, met Balder en tritonen en al die elfen en waternimfen - en wielrijders ook.

In zekere zin deed Gorter als socialistisch dichter hetzelfde als toen hij zich in de wereld van Mei en het sensitivisme stortte: hij leverde zich uit aan iets volstrekt nieuws en onbekends. Het socialisme was nog jong en in opkomst. Gorter verdiepte zich als SDAP-propagandist in allerlei praktische en theoretische kwesties, tot aan die Agrarfrage toe. Daarnaast wilde hij zijn nieuwe geloof ook in poëzie onderbrengen, en daarvoor bestond al helemaal geen traditie. 'Sinds ik socialist ben, heb ik de socialistische kunst grootendeels uit mij zelf moeten halen. Steun van de buitenwereld had ik bijna niet, want er was nog niet veel van socialisme', schreef hij in 1919 aan Ada Prins. Dat veel van zijn socialistische verzen mislukten, wil De Liagre Böhl liever niet al te openlijk toegeven; het respect voor Gorters inzet en optimisme blijft voorop staan.

Sport

De Liagre Böhl is er in zijn biografie in geslaagd de touwtjes van begin tot eind in handen te houden. Dat is knap bij een dichter die aan snelle stemmingswisselingen onderhevig was en een veelbewogen leven leidde dat van veel kanten benaderd kan worden. Behalve de dichter en de socialist, en de dichtende socialist, en de woelige tijdgeest is er ook nog 'de mens' Gorter die bijvoorbeeld van sport hield, en van zijn moeder, en van vrouwen, vaak meer dan één tegelijk - met alle verwikkelingen vandien. Bij De Liagre Böhl komen al deze Gorters aan bod, afwisselend in thematische hoofdstukjes van zo'n twintig bladzijden.

Het gevolg is wel een zekere verbrokkeling. Een echte synthese geeft deze biografie niet, en een helder psychologisch portret evenmin. Daar moet meteen bij gezegd worden dat Gorter zelf niets van psychologiseren moest hebben. 'Voor zover hij bepaalde tekortkomingen bij zichzelf meende te constateren, wilde hij die het liefst zo snel mogelijk uit de weg ruimen.' Dat meende hij geleerd te hebben van de identiteitscrisis uit zijn sensitieve periode. 'Niet over onmacht spreken' en 'nooit zwakte toonen', dat waren sindsdien zijn uitgangspunten: een radicale keuze voor wat De Liagre Böhl noemt 'de sterke, manlijke kant van zijn eigen persoonlijkheid.' De zachtaardige en gevoelige kanten van zijn karakter bleven daardoor verborgen - en de biograaf laat dat in het algemeen ook maar zo. Aan al te veel gespeculeer over Gorters diepere motieven waagt hij zich meestal niet. Dat leidt tot veel onbeantwoorde vragen en het geeft de biografie een wat buitenkantig aanzien. Met al mijn bloed bevat 22 afgeronde essays, afwisselend over de mens, de dichter, de politicus en het geestelijk klimaat, in chronologische volgorde. Daarbij komt natuurlijk veel interpretatie kijken, maar als geheel is dit toch eerder een degelijke inventarisatie van alle mogelijkheden dan een afgerond portret.

Tekenend voor Böhls behoedzame benadering is dat hij pas na Gorters dood zelf het woord neemt. In een uitgebreid slotwoord probeert hij enkele grote lijnen te trekken en voorzichtig tot een min of meer psychologische conclusie te komen. Bij alle verscheurdheid, tweespalt en tegenstrijdigheid zou de dichter Gorter (dus inclusief de socialistische dichter) in ieder geval een ongebroken leven hebben geleid. En dat zou dan weer te danken zijn aan het feit dat deze 'dichter, die meestal in eenzaamheid leefde, over een veel machtiger persoonlijkheid beschikte dan de Gorter die tussen de mensen verkeerde.' Deze dichterspersoonlijkheid kon volgens De Liagre Böhl wel 'de polen van zijn geaardheid met elkaar te verzoenen', daartoe in staat gesteld door weer een andere hulp-persoonlijkheid, 'de mysticus in Gorter'. Het zou kunnen, maar het klinkt allemaal wel erg schematisch.

Je zou kunnen zeggen dat deze biografie in overeenstemming is met het leven dat erin beschreven wordt, althans van de buitenkant. Dichterlijke en politieke ideeën zijn belangrijker dan de grillige bewegingen van het gemoed en het leven van alledag komt er wat bekaaid van af. Tussen de scholingsbrochures en partijconflicten door zijn er heus wel sappige anekdotes en dramatische passages te vinden, maar De Liagre Böhl bewaart ook hier een zekere afstand. Tijdens het lezen betrapte ik me er soms op dat er vragen bij me opkwamen als 'Wat áten Wies en Herman eigenlijk?', 'Ging Wies wel eens kijken als Herman moest cricketen?', 'Wanneer precies schoor Herman zijn snor af - en waarom?' Ik geloof niet dat ik het echt hoef te weten, maar dat ik het me afvroeg zegt wel iets over de distantie, de afgewogenheid en de sobere stijl waarmee De Liagre Böhl zijn personages beschrijft: tot leven komen ze niet.

Wie Gorter was, laat staan: wie de ware Gorter was, valt moeilijk te zeggen. De gespannen leraar die zijn leerlingen sloeg, de joviale leraar die na schooltijd met ze ging voetballen, of geen van beiden, omdat hij overspannen raakte en al snel besloot het onderwijs de rug toe te keren? De dichter van de Mei, of de dichter die tot over zijn oren verliefd was op Jenne Clinge Doorenbos, afgewezen werd, zich terugtrok in de duinen en in een soort manische stemming in een paar maanden tijd de eerste versie van het epos Pan schreef, tot hij door een lichte hartaanval getroffen werd - om zich daarna eerst in Bussum door zijn vrouw, vervolgens door zijn moeder en zus in de Alpen te laten verzorgen en in het diepste geheim veel te snel weer naar Oslo af te reizen om daar Jenne te zien? Was de ware Gorter de bevlogen redenaar die in een arbeiderscafé gewoon begon te spreken en binnen een paar minuten een heel gehoor om zich heen verzameld had? De fanatieke sporter die niet goed tegen zijn verlies kon? Zo zijn er nog veel meer vragen. Hoe kon zo'n groot dichter in zijn politieke geschriften zulke ronkende, retorische zinnen schrijven? En zulke kwijlerige liefdesbrieven? Waarom moest hij met zoveel oude vrienden breken, en waarom viel hij zijn politieke tegenstanders zo hard aan?

Ankerruimte

Wat dreef hem precies toen hij, een 56 jaar oude maag- en hartpatiënt, in 1920 met enkele leden van de nieuwe Kommunistische Arbeiter Partei Deutschlands als verstekeling plaatsnam in de ankerruimte van een schip, met de bedoeling ooit Moskou te bereiken? Het lukte, dat wel - na een weken durende reis vol ontberingen, gevolgd door een weinig hartelijke ontvangst door de Moskouse kameraden. Lenin bleek niet eens de moeite genomen te hebben Gorters Offener Brief an den Genossen Lenin te lezen. Tijdens een vergadering mocht Gorter het woord voeren, om nog één keer de zaak van het radencommunisme te bepleiten. Hij deed het met overgave en hij begon al sprekende zelfs te huilen ('overigens zonder dat hij zichzelf onderbrak', zoals een ooggetuige meldde), maar dat vermocht Trotski c.s. niet te vermurwen. De eisen van de KAPD werden afgewezen, waarna Gorter en zijn kameraden verder aan hun lot werden overgelaten. Een zo mogelijk nog onmenselijker terugreis volgde, inclusief berovingen, sneeuwstormen en enkele dagen hechtenis. Toen Gorter eindelijk ziek en uitgeput thuis kwam, schreef hij Jenne: 'Eindelijk aangekomen. Doodop, moe, mager en uitgeteerd. Maar het Doel is bereikt, Geliefde. Ik keer terug, een beter, sterker, en gelukkiger mensch.' In werkelijkheid was er geen ander Doel bereikt dan dat de Berlijnse KAPD, dat stelletje sektariërs, door de Russische communisten dan toch maar, met beperkte rechten, was toegelaten tot de Comintern - waar de partij overigens na korte tijd zelf alweer uitstapte.

Hoe Gorters gedrag rondom zijn reis naar Rusland te duiden? Naïviteit? Kortzichtigheid? Geldingsdrang? Onverbeterlijk optimisme? Eindeloze inzet voor de goede zaak? Op het derde congres van de Comintern, in de zomer van 1921 in Moskou, werd Gorter, die er zelf niet bij was, door Karl Radek spottend afgeschilderd als 'een wijsgeer en bovendien nog dichter'. De notulen melden fijntjes dat er na deze opmerking in de zaal 'hilariteit' ontstond. Het is een van de plaatsen in deze biografie waarop de tragiek zich vanzelf aandient, zonder dat De Liagre Böhl er iets aan hoeft te doen: de socialistische dichter die achter zijn rug om wordt uitgelachen door een gezelschap internationale communisten - en nog wel om zijn dichterschap. De lezer ziet zich hier, zoals wel vaker, overgeleverd aan vele gemengde gevoelens: medelijden met de gekwelde en eenzame idealist, ergernis vanwege de hondse bejegening, bewondering voor zoveel gedrevenheid, verbazing om zoveel naïviteit - en vooral: onbegrip. Wie Gorter nu precies was, blijft een raadsel - ook al is dan door de naspeuringen van De Liagre Böhl zijn reis naar Rusland allerminst onopgehelderd gebleven.

    • Guus Middag