Het raadsel Chimo

Chimo: Lila dit ça. Uitg. Plon, 200 blz. ƒ 36,50. De vertaling van Mirjam de Veth verschijnt in januari bij uitg. Meulenhoff.

Wie is Chimo? Al maandenlang gonst het in Parijs van de geruchten over de identiteit van Chimo, de geheimzinnige debutant, auteur van de bestseller Lila dit ça. Binnen enkele maanden beleefde het boek vijf herdrukken, meer dan 60.000 exemplaren gingen er al over de toonbank. De filmrechten zijn verkocht, buitenlandse uitgevers betaalden een recordbedrag voor het boek.

Het manuscript, twee ordinaire ruitjesschriften, kwam via een advocaat bij uitgeverij Plon terecht. Onderzoek naar het priegelige, onzekere handschrift zou uitwijzen dat de auteur intelligent en ontwikkeld is, reden voor sommigen om aan te nemen dat Chimo niet de ik-persoon uit het boek kan zijn, een jonge, tweede generatie-Algerijn uit de Parijse banlieue. Achter Chimo zou een bekende auteur schuilgaan, die voor dit nogal pornografische werkje niet met zijn echte naam wil tekenen.

In de Parijse voorstad waar Chimo, negentien jaar, zijn verhaal vertelt is elke dag precies als de vorige, van een lamlendig makende uitzichtloosheid. In de voorstad blijft zelfs het klimaat niet onaangetast: 'Hier is het nooit mooi weer. De flats houden het tegen. Het kan heel warm zijn, verstikkend zelfs, maar niet mooi. Mooi is ergens anders dan hier.'

Brood wordt gekocht bij de buurvrouw, het zijn haar restjes die ze verkoopt voor de halve prijs. Er is geen geld, er is geen werk, er is geen klap te doen. In de voorstad wordt niets ooit vervangen of gerepareerd. Niets werkt. Niet de lift en niet de gestolen brommers, die met leeggereden tank schroot liggen te worden tussen het afval dat de mensen het raam uit kieperen.

Er is alleen Lila, zestien jaar, die woont bij haar fanatiek-katholieke tante. Blond en blank als een engel is ze, met de blauwe ogen van een madonna. Maar tussen het grauwe beton kan liefde niet gedijen. Lila met haar stem als een klok heeft het hart van een hoer. Aan Chimo vertelt ze haar seksuele escapades en hij schrijft ze 's avonds bij kaarslicht in zijn ruitjesschrift. Chimo mag haar poesje zien als hij wil, haar toon is argeloos en alledaags, alsof ze hem een snoepje aanbiedt. En eigenlijk is dat ook zo: voor Chima is Lila 'een lot uit de loterij of een cruise. Iets.' Lila staand op de pedalen van een fiets, Chimo op het zadel mag onder haar rok; Lila van de glijbaan zonder onderbroekje aan, Chimo gehurkt ervoor.

Het erotisch raffinement en de ontroerende beschrijvingen van het milieu maken Lila dit ça tot een bijzonder boek. Als Chimo inderdaad een straatkind uit de banlieu is, dan wel een die beschikt over een buitengewone gevoeligheid, talent voor authentieke tragi-komische observaties en een grote mate van distantie van en reflectie op zijn eigen leven. Voor een schrijver zijn dat prachtige eigenschappen, maar in de betonnen jungle van de banlieu tekent zo'n buitenbeentje zijn eigen doodvonnis. Ook Lila overleeft het niet. In deze versie van Romeo en Julia komt ze aan haar einde na een groepsverkrachting. De rol van Chimo komt niet eens in de buurt van die van redder in de nood.