Het kleinste museum ter wereld

Hoe vaak ben ik er blind langsgelopen? Dat moeten vele tientallen keren zijn geweest. Op weg naar de bibliotheek, naar de markt, naar het overdekte terras van de Maagd van Holland, waar 's winters de koffie warm en het lijf steenkoud blijven. Aan de voeten van die Maagd lag jarenlang de rommelmarkt, een eerlijke chaos onder de platanen, waar vondsten wachtten op hun ontdekking.

Maar sinds de markt is verplaatst naar een stalinistisch plein, de Binnenrotte, valt er dankzij gemeentelijke regelneven en kille vormgevers weinig meer te rommelen.

Heel vaak is het kleinste museum ter wereld, gevestigd aan de Botersloot 40 in Rotterdam, dus over het hoofd gezien. En door de markt-verhuizing laat menige stadsgenoot nu zelfs de volledige straat links liggen. Toch is het opvallend dat in dezelfde buurt een enkele fietser even een omweg maakt, van zijn zadel stapt en behoedzaam om zich heen kijkt, alsof hij wil controleren nog steeds de enige te zijn die 'het geheim' kent. Daarna nadert hij een donkergroen geverfde gevel en tuurt naar binnen. Passanten wanen hem diepgestoord of bijziend.

Achter een gat in de donkere pui dat niet groter is dan een A4'tje, strekken zich de 99 centimeter diepe, helverlichte zalen uit van het Museum Van Nagsael. Het is dag en nacht geopend en de vormgeving komt exact overeen met een modernistische expositie-ruimte; notenparket op de vloeren, kraakwitte muren en rechte banen van verlichtingsarmaturen. Via een zaalbrede trap stappen de ogen van de toeschouwer het museum in.

Elke eerste van de maand opent hier een nieuwe tentoonstelling, veel kleiner van formaat dan die in de Londense telefooncel die sinds kort ook het 'kleinste museum ter wereld' wil zijn. Noëlle Cuppens heeft er nu regenplasjes van glas over het parket gestrooid en op de zwart geschilderde achterwand hing zij een ronde opname van een rechte horizon, misschien een vizierblik op een bewolkte oceaan. Of zien we een ruimtefoto van de aarde, die in het heelal een verlaten en lekkend museum heeft waargenomen? Museum Van Nagsael is dit keer in een weemoedige stemming.

Denk nu niet dat deze kijkdoos een grap is van een paar beeldende kunst-malloten, gedesillusioneerd in het vaderlandse museumaanbod. “We hebben niets tegen de bestaande musea”, zegt Rolf Engelen. “We wilden graag iets op straat doen, iets dat zich richt op de goede waarnemer. Het klinkt moralistisch, maar we hopen dat mensen door ons museum iets beter naar hun omgeving gaan kijken.”

Samen met zijn net zo ernstige collega-kunstenaar Silvia B. vormt Rolf Engelen (beiden 32 jaar) de tweekoppige museumdirectie. Hijzelf is directeur tijdens de oneven maanden, Silvia regeert in de even maanden. “Men vraagt vaak of ik van mijn werk als beeldend kunstenaar kan leven”, vertelt Engelen; “zodra ik het woord 'directeur' laat vallen, zwijgt men. Maar als ik eraan toevoeg ook nog twee fietsen te bezitten, wordt men weer wat zenuwachtig.”

Het tentoonstellingsaanbod vanaf de opening in november tot nu is gevarieerd. Architecten, grafisch vormgevers, fotografen, schilders, zelfs dichters waren welkom. Wie nu meteen wil opbellen om een collectie eierdoppen of mini-olifanten aan den volke te tonen, vindt geen gehoor. Zonder slag of stoot kom je de Van Nagsael-zalen niet in. De twee directeuren nodigen elk afzonderlijk hun exposanten uit op basis van het werk dat zij elders van hen gezien hebben. Ze hoeven ten opzichte van elkaar geen verantwoording af te leggen of concessies te doen, daar gaat teveel tijd mee verloren.

Eerst voelt zo'n genodigde kunstenaar zich vereerd, aldus de directie. Hij of zij beseft nog niet hoe er getobd moet worden om een presentatie te maken in een t-vormige ruimte van zo'n vijftig bij 99 centimeter die “boven een maquette uitstijgt en ook nog verwondering wekt”. Er valt in de achterliggende zaal ook niets weg te moffelen, want terzijde is een 'fish-eye' in de pui gemonteerd. Via deze bolle 'loep' kan de toeschouwer perspectivisch alle hoeken in de gaten kan houden.

De eerste exposant J.H.J. van Melis zette een vrachtwagentje neer met lieden die toepasselijk druk in de weer waren met de opbouw van een presentatie. Netty van Osch vulde transparante vitrines met fluorescerende, blauwe en witte voorwerpjes die 's nachts net deden of ze dansten. En Anne-Marie van Sprang hing een kroonluchter op waaraan een spookachtige acrobaat de ruimte verkende, beide gemaakt van witte paraffine.

De bezoekersaantallen zijn onbekend. Stiekem loopt de directie wel eens aan de overkant te posten. Afgaande op de familie die erboven woont en die zo nu en dan een zeem over het ruitje haalt, duidt het vetgehalte op aardig wat belangstellenden. Uitnodigingen versturen vindt het museum overbodig. Het wil dicht bij de kern van de zaak blijven: het maken, kijken en tonen van kunst. In een klein fotoboekje worden wat kiekjes van voorbije tentoonstellingen bewaard, en dat is alles. De enige Van Nagsael-ansichtkaart komt in stapeltjes wel eens 'per ongeluk' in het kaartenrek van een volwassen museumwinkel terecht. Het stemt de leiding vrolijk op deze manier financieel bij te dragen aan het in stand houden van hun monsterlijk grote collega's.

Van Nagsael is overigens vrijgesteld van huurkosten. Het stukje pui hoort bij de lampenwinkel die het genereus heeft afgestaan. Voor het onderhoud, het stuccen en verven van de muren en het in de was zetten van de vloer, draait de directie op. Subsidie is niet gewenst, want dan moet er een beleidsplan worden overlegd, en dan gaat 'de alleenheerschappij over deze tempel voor de kunst' verloren.

Waar die mysterieuze museumnaam vandaan komt? Die vonden de directeuren op een bierviltje in een willekeurig café. Er stond 'nagsael' op geschreven en daar hebben ze toen maar 'Van Nagsael' van gemaakt. “Misschien meldt de schrijver zich nog eens als onze toekomstige mecenas”, zegt Silvia B. Maar ook zonder hem zal het museum zich uitbreiden, zoals dat een museum betaamt. Misschien komt er een verdieping bovenop, misschien een luik onder de parketvloer. Ook het kleinste depot ter wereld kan dan gezien worden.