Franse meesters uit Rusland in Den Haag

Tentoonstelling: Van Monet tot Matisse. Franse meesters uit het Poesjkin Museum in Moskou. T/m 12 okt. Haags Gemeentemuseum, Stadhouderslaan 41, Den Haag. Cat ƒ 39,50.

Het is bijna niet te geloven dat midden in het Haags Gemeentemuseum, waar aan alle kanten druk wordt verbouwd en gerestaureerd, in zes smetteloze zalen zo'n mooie presentatie van wereldberoemde kunst te zien is. Van Monet tot Matisse bevat zestig werken uit de klassiek-moderne collectie van het Poesjkin Museum in Moskou. Wandelend langs al deze topstukken is er van het geratel van drilboren of van mokergedreun niets te horen. Het is een oase van rust. Ook aan de wanden. Signacs Duinkust van Saint-Brieuc ligt er verlaten bij, Bonnards Seine bij Veronnet stroomt loom in het volle licht van een mooie zomerdag. De fluittonen die het faunachtige herdersjongetje aan het strand bij Perros Guirrec op zijn Griekse fluit produceert versterken de sfeer van rust die zijn luisterende damesgehoor uitstraalt. Het is siësta op dit schilderij van Maurice Denis.

Ook Picasso's Saltimbanques hebben een sfeer van stilte om zich heen. Treurig blikken de harlekijn en zijn vriendin met hun witgepoederde gezichten over hun lege glaasjes heen het café in. Hun stevige contouren versterken de intensiteit van het diep-oranje en rood en het krachtige blauw dat hun gezichten nog witter maakt. Kortom het is een tentoonstelling met louter hoogtepunten.

Wie echter van een tentoonstelling verwacht dat er een verhaal - of zelfs een moraal - inzit, komt hier niet aan zijn trekken. Tussen de verschillende kunstenaars bestaat niet veel meer samenhang dan dat ze allemaal behoren tot een korte periode van de wereldgeschiedenis van de kunst. De toeschouwer voelt zich in Den Haag bijna alsof hij niet op een tentoonstelling met echte schilderijen loopt maar in plaats daarvan snel een standaardwerk over de eerste veertig jaar van de moderne kunst doorbladert. Maar dat is dan wel een heel prachtig boek, zelfs voor ons verwende westerlingen.

De geschiedenis van deze naar Rusland gehaalde impressionisten is bizar. De meeste schilderijen werden verzameld door twee Russische industriëlen, Sergej Sjtjsoekin en Iwan Morozow. Beiden zaten in de textiel en deden in de jaren negentig van de vorige eeuw veel zaken in Parijs. In ruim twintig jaar kochten ze bij de kunsthandelaars Durand Ruel, Ambroise Vollard en Daniël-Henri Kahnweiler de prachtigste collecties, eerst vooral impressionisten, later ook Nabis, post-impressionisten en andere -isten. 'En dat', zo schrijft de directrice van het Poesjkin Museum Irina Antonova met nadruk, 'in een tijd dat in Rusland vooral belangstelling bestond voor sociaal realisme'. Iets dat we, volgens de directrice, vooral niet moeten verwarren met socialistisch realisme.

Sommige aankopen waren zelfs voor Parijse begrippen revolutionair. Zo begon Sjtjsoekin te kopen in 1897, op het moment dat het Louvre nog een grote schenking impressionistische werken weigerde.

Tot de vroegste aankopen op de tentoonstelling behoren twee Monets: een lieflijke rose seringenstruik uit 1873 en een paarsgroen doek waarop een eindeloze zee rond een aantal grillige grijze rotspieken heenschuimt. Net als de Balletdanseres bij de fotograaf van Degas, die in een zwaar blauw tegenlicht poseert, waren veel van die eerste werken bij aankoop al zo'n vijfentwintig of meer jaar oud. Voor een verzamelaar betekent dit meestal dat de eerste schifting heeft plaats gehad, de werken misschien duurder maar de keus duidelijker is geworden.

Maar zo gemakkelijk maakten Sergej Sjtjsoekin en Iwan Morozow zich er niet af. In Parijs leerden ze ook allerlei kunstenaars persoonlijk kennen, Morozow bijvoorbeeld raakte bevriend met Maurice Denis aan wie hij verschillende opdrachten gaf.

Sjtjsoekin kreeg een nauwe band met Matisse, die hem in Moskou kwam opzoeken en de 'Matisse-kamer' in zijn paleis voor hem herschikte. Bij het zien van de foto's schrik je van de burgerlijke sfeer die zo'n salon uitstraalt, ook al hangen de Matissen er in dubbele rijen. Op de tentoonstelling is een Stilleven met oost-indische kers te zien waarop Matisse speciaal voor zijn Russische vriend een versie van zijn bekende Dans invoegde. Het is een vrolijk schilderij met een paarsblauwe achtergrond, helderrode meubeltjes, roze lijven en een groen met gele plant. Het kan bijna niet anders of dit grote doek met al zijn contrasten moet de salon van Sjtjsoekin op zijn grondvesten hebben doen trillen toen het in 1912 aankwam.

Met de collecties van de beide heren is het verder vreemd gelopen. Nadat de privé-huizen van Sjtjsoekin en Morozow in 1909 waren opengesteld voor het publiek kon de Russische avantgarde zich erover verbazen - Tatlin, Malevitsj en Gontcharova behoorden tot de enthousiaste bezoekers. Na de oktoberrevolutie van 1917 werden de collecties echter genationaliseerd en moesten de samenstellers ervan die als kapitalist werden beschouwd vluchten om een gruwelijk lot te ontkomen. En hun cultureel erfgoed? Dat was blijkbaar wel goed voor proletariërs. Sterker nog, Irina Antonova schrijft in de catalogus dat Lenin al direct decreten liet uitvaardigen waarin hij aankondigde dat het om een buitengewone verzameling westerse kunst ging die door zijn hoge artistieke kwaliteit van algeheel staatsbelang werd geacht voor de opvoeding van het volk.

Dan denk je negentig jaar later in Den Haag dat het erg mooi is dat wij daar nu ook een tijdje van mogen genieten. De collectioneurs van vóór de Revolutie hadden gevoel voor eeuwigheidswaarde.