Een rebel in woelig water; Carrière van Australisch zwemwonder getekend door rellen en tegenslagen

DAWN FRASER, geboren in 1937 in Balmain, Sydney. Viervoudig olympisch kampioen zwemmen. Was op drie achtereenvolgende Spelen (1956-1964) de snelste op de 100 meter vrije slag. Won in totaal acht olympische medailles, een record dat ze bij de vrouwen deelt met de Oostduitse Kornelia Ender. Behaalde 23 Australische titels en vestigde 36 wereldrecords.

Zwemster Dawn Fraser won op drie achtereenvolgende Olympische Spelen het koninginnenummer, de 100 meter vrije slag. Een prestatie die waarschijnlijk nooit geëvenaard zal worden. Toch boekte de Australische haar belangrijkste succes na haar zwemcarrière. Fraser, nu 58 jaar, herstelde van een verlamming aan de linkerzijde van haar lichaam. “Het was de mooiste overwinning van mijn leven dat ik weer gewoon met mes en vork kon eten.”

Erica Terpstra, de Nederlandse staatssecretaris van sport, heeft een mooie zwemcarrière achter de rug, maar nooit won ze van Dawn Fraser. “Ze was ongenaakbaar, een klasse apart”, herinnert Terpstra zich haar befaamde concurrente. “Ik kwam er niet aan bij haar, keek mateloos tegen haar op. Ik had ook absoluut geen zielenpijn als ik van haar verloor.”

Dawn Fraser deed veel voor haar sport, maar de sport deed ook veel voor haar terug. Het water redde haar diverse malen het leven. Ze won niet alleen medailles en brak niet alleen records, maar kreeg ook te maken met onwaarschijnlijk veel leed en tegenslagen. Ze verloor al vroeg haar broer Don die haar de eerste zwemslagen leerde, kende slechts kortstondig geluk in haar huwelijk, raakte bij ongelukken twee keer zwaar gewond en werd in haar loopbaan drie keer langdurig geschorst.

Steeds weer zwom Dawn Fraser de pijn uit haar lichaam. Steeds weer vocht ze zich via het water terug.

Thuis, down under, is ze de populairste sportcoryfee uit de geschiedenis. Het zijn niet alleen de successen die haar zo geliefd maken. Veel Australiërs herkennen zichzelf in de vrijgevochten zwemster. In de vele boeken die over Fraser zijn geschreven, wordt ze als een rebel afgeschilderd. Haar reactie daarop: “Als met het woord 'rebel' wordt bedoeld dat ik onafhankelijk ben, heb ik er geen moeite mee. Ik lig echt niet altijd dwars. Maar ik kan niet tegen onrecht en als ik iets zie dat me niet bevalt, zeg ik het. Ik ben openhartig.”

Het is volgens Fraser geen toeval dat Terpstra en zij later beiden in de politiek zijn terechtgekomen. “We hadden veel gemeen”, blikt ze terug in Sydney. “Vroeger hadden de bonden hun eigen, ouderwetse wetten. De meeste officials probeerden de zaken nooit van de kant van de sporters te bekijken.

Daar verzette ik me tegen. En zo was Erica ook. In die tijd hebben we ons goed kunnen ontwikkelen. We leerden voor onszelf op te komen.''

Fraser lag altijd in de clinch met de autoriteiten. Als ze niet zo'n uitzonderlijke zwemster was geweest, zou haar sportloopbaan waarschijnlijk al in de kiem zijn gesmoord. Maar het telde zwaar dat ze vele successen voor haar land boekte. Afgezien van haar olympische medailles brak ze liefst 36 keer een wereldrecord. “Ik wist altijd dat als ik zou blijven winnen, me niets kon gebeuren.”

Toch overschaduwen de vele incidenten haar prestaties. Fraser was amper veertien toen ze voor het eerst werd geschorst. Ze was in haar woonplaats Balmain, een grauwe voorstad van Sydney, lid van de plaatselijke zwemclub en die vereniging was aangesloten bij de profleague. Fraser werd daarom als professional beschouwd en werd, verraden door een jaloerse trainer van een concurrente, uitgesloten van deelname aan wedstrijden. Het jonge talent was zich van geen kwaad bewust. Ze had nooit één cent ontvangen, slechts wat bekers en medailles. Voor dat argument waren de autoriteiten gevoelig en ze trokken de straf in. Fraser mocht na achttien maanden weer zwemmen.

In 1960 en '64 werd ze wederom langdurig geschorst voor onschuldige overtredingen die ze tijdens de Olympische Spelen van Rome en Tokio zou hebben begaan. “Het lijkt wel of ik een Michelangelo heb gestolen in plaats van dat ik goud heb gewonnen”, zei Fraser na haar thuiskomst van de Spelen van 1960.

Ze was de jongste van acht kinderen. Ze was ziekelijk, vatbaar voor infecties aan de luchtwegen. Zwemmen zou haar goed doen, was het advies van de dokter.

Dus bezocht ze met familieleden vaak het plaatselijke bad, dat inmiddels naar haar is vernoemd. Woedend was Fraser op haar broer Don toen hij haar alleen in het diepe liet spartelen en ze zichzelf moest redden. Later pas besefte ze dat dat een van de belangrijkste momenten uit haar leven moet zijn geweest.

Fraser bleek een supertalent in het water te zijn. Harry Callagher, een vooraanstaand coach, zag haar zwemmen en vroeg of ze bij hem wilde komen trainen. Het was de start van een langdurige en succesvolle samenwerking.

Callagher, die met zijn wijze van begeleiding zijn tijd ver vooruit was, kreeg een baan aangeboden in Adelaide, op uren reizen van haar ouderlijk huis, en de 18-jarige Fraser ging na emotionele taferelen thuis met haar coach mee.

Ze kwam in het zwembad boven de kiosk te wonen. Overdag werkte ze als verkoopster in een kleine winkel en later werd ze zelfs nog pompbediende.

Verder bestond haar leven uit zwemmen. Naderhand sprak ze in een van haar boeken over “een zwemgevangenis”. De harde arbeid wierp vruchten af. Fraser boekte succes op de vrije slag. Ze vond de 200 meter de ideale afstand, maar dat was toendertijd nog geen olympische discipline. In 1956 zwom ze zich internationaal voor het eerst echt in de kijker door op de 100 meter met een tijd van 1.04,5 het wereldrecord te verbeteren dat liefst twintig jaar op naam van de Nederlandse Willy den Ouden had gestaan.

Later dat jaar won Fraser, wederom in een wereldrecord (1.02,00) in Melbourne haar eerste olympische 100 meter. Mede omdat concurrente Cockie Gastelaars onverrichterzake huiswaarts keerde, nadat Nederland besloot de Spelen te boycotten wegens de Russische inval in Hongarije.

In de nacht voor de finale droomde de nerveuze Fraser dat ze moeilijk van het startblok kon afkomen. Haar voeten waren met honing ingesmeerd en in het zwembad bevond zich geen water maar spaghetti, waardoor ze nauwelijk vooruitkwam. In werkelijkheid verliep de wedstrijd zonder problemen. De estafette in Melbourne leverde later nog een gouden medaille op voor Fraser en op de 400 meter vrije slag won ze zilver.

Achteraf noemt Fraser de Olympische Spelen van 1956 de mooiste uit haar carrière. Het was in eigen land en haar vader en moeder zaten op de tribune.

Na haar gouden race leende ze een trap van een tv-ploeg om haar ouders te kunnen omhelzen. Zo deed Dawnie, zoals haar vader haar altijd noemde, altijd wat opmerkelijks. Haar eerste medaille droeg ze op aan haar lievelingsbroer Don die in 1951 op jeugdige leeftijd was overleden aan de gevolgen van een bij de tandarts opgelopen bloedvergiftiging. It was Don's gold.

Het waren in Melbourne ook de enige Spelen die haar na afloop niet in de problemen brachten. Na Rome 1960 - waar ze op de 100 meter de Amerikaanse troef Von Saltza ruim voorbleef en Erica Terpstra als zesde eindigde - werd ze ervan beschuldigd dat ze had geweigerd in de estafette van de wisselslag te zwemmen, dat ze een ploeggenote had geslagen, dat ze het verkeerde badpak had gedragen en dat ze in Zwitserland een volgens de amateurwetten verboden zwemdemonstratie had gegeven.

Fraser ontkende bijna alles. Ze vond achteraf wel dat ze de estafette had moeten zwemmen. “Ik heb me dom gedragen.” Ze bood daarvoor per brief haar excuus aan bij de zwemfederatie, maar werd toch geschorst. Ze mocht niet mee op trips naar Nieuw-Zeeland en Zuid-Afrika. Toch kreeg ze daarna gewoon weer een uitnodiging voor de Australische ploeg. Maar officieel werd de straf nooit opgeheven.

Fraser pakte de draad weer snel op. Bij kwalificatiewedstrijden voor de Gemenebestspelen in oktober 1962 zwom ze in het olympische bad van Melbourne de 100 meter als eerste vrouw onder de magische grens van één minuut. Ze ervoer die prestatie als een bevrijding, omdat “mijn geest eindelijk begreep waartoe mijn lichaam in staat was”. Nooit zwom ze daarna nog een serieuze 100 meter boven de zestig seconden.

Niet lang na haar bijzondere wereldrecord staken in de roddelpers verhalen de kop op over Frasers seksuele geaardheid. Ze zou lesbisch zijn. Fraser bekende later dat ze daar zo van was geschrokken, dat ze vanaf dat moment ophield met het omhelzen en kussen van tegenstanders na wedstrijden. Na haar enige en kortstondige huwelijk woonde ze een periode samen met een vrouw, maar nooit werd duidelijk of ze lesbisch was of is.

Fraser sprak tijdens haar loopbaan vaak openlijk over zaken die anderen als taboes beschouwden. Ze gaf toe flink te roken en op zijn tijd van een flinke slok te houden. In haar in 1965 verschenen biografie vertelt ze smeuïg over de Italiaanse mannen die tijdens de Olympische Spelen van 1960 de vrouwenafdeling van het atletendorp met verrekijkers begluurden. In hetzelfde hoofdstuk verhaalt Fraser over de vele escapades in Rome tussen sporters en sportsters. Een Australische zwemster zou hebben opgeschept over haar vele veroveringen en een atlete uit Nederland zou door officials zijn gewaarschuwd zich minder “aanhankelijk” te gedragen.

Vijfenveertig jaar later kan Fraser zich de naam van de Nederlandse niet meer herinneren. Zelf waagde ze zich destijds in Rome overigens niet aan uitspattingen. “Ik was te verlegen, te groen.”

Het was eigenlijk een wonder dat Fraser in 1964 in Tokio nog voor een derde keer goud won op de 100 meter. In het olympische jaar reed ze na een feestje met een geleende auto tegen een verkeerd geparkeerde vrachtwagen op. De zwemster had ernstig nek- letsel en haar moeder, die naast haar zat, overleed bij het ongeluk. De carrière van de Australische leek voorbij, maar na negen weken in een soort harnas te hebben gezeten, krabbelde ze toch weer op. Zeven maanden na het ongeluk won ze in Tokio de 100 meter, voor de Amerikaansen Stouder en Ellis en voor Terpstra, die net buiten de medailles viel en vierde werd. Fraser was toen 27 jaar en werd door haar ploeggenoten Granny genoemd.

Ze gaf echter niet bepaald het goede voorbeeld. Fraser nam het in Tokio weer niet zo nauw met de regels. Ze mocht niet meelopen in de openingsceremonie, maar deed het toch. Ze droeg niet het voorgeschreven badpak omdat het niet lekker zat. En ze was een dag voor het einde van de Spelen medeplichtig aan het ontvreemden van een vlag uit de tuin van de keizer. Fraser en twee ploeggenoten werden opgemerkt door de politie en, als in een film, vluchtte de zwemster op een fiets van een politieman. Daarbij verstuikte ze haar enkel, zodat ze bij terugkeer in Sydney in een rolstoel uit het vliegtuig kwam. Lange tijd werd aangenomen dat Fraser de hoofdschuldige was van het incident in de keizerlijke tuin. Pas 24 jaar later, in 1988, bekende een voormalig hockeyer dat hij destijds de vlag had gestolen.

Het relletje in Tokio liep uiteindelijk met een sisser af. Toen de politie begreep wie ze had opgepakt, moest Fraser op het bureau handtekeningen uitdelen. De bewuste vlag kreeg ze als souvenir mee. Thuis wachtte haar echter harde sancties van de zwembond. Ze werd voor tien jaar geschorst en dat betekende automatisch het einde van haar carrière. Vier jaar later, in 1968, spande de zwemster nog een rechtszaak aan. Ze won, de straf werd opgeheven, maar toen was het te laat voor de veterane.

I was just a trouble-prone, heeft Fraser eens gezegd. Ze trok problemen aan. Maar terugblikkend zegt ze nergens spijt van te hebben. Of eigenlijk toch wel. “Ik had mijn straf eerder bij de rechter moeten aanvechten. Ja, dat had ik zeker moeten doen.” Dan, zo realiseert ze zich, had ze ook nog kunnen starten bij de Olympische Spelen van 1968 in Mexico Stad. Ze zou vermoedelijk voor de vierde keer hebben gewonnen. Ze was als toeschouwer in Mexico aanwezig, zwom daar voor de lol én ongetraind een 100 meter en kwam op een tijd van 1.00,2 uit. Dat bleek naderhand maar tweetiende seconde langzamer dan de winnares van de olympische finale. Tekenend voor haar klasse was dat haar in februari 1964 gezwommen wereldrecord van 58,9 tot 1972 stand hield.

Voor Fraser brak er na haar carrière een woelige periode aan. Ze trouwde met een bookmaker bij de paardenraces, op wie ze tijdens het trainingskamp voor de Spelen van 1964 verliefd was geworden. Ze kreeg een jaar later een dochter, maar het huwelijk hield niet lang stand. Later schreef ze dat toe aan het feit dat haar echtgenoot Gary niet bestand bleek tegen de enorme publiciteitsgolf die ontstond na haar schorsing.Fraser probeerde de ellende te vergeten door zwemcoach te worden. Die baan beviel haar echter niet. Opnieuw botste ze met koppige, begriploze officials. Een carrière als profgolfster (handicap 8)

werd ook geen succes. In 1970 opende Fraser een kaaswinkel en die verruilde ze na een aantal jaren voor een pub annex hotel in haar geboorteplaats Balmain, The Riverview, waar ze in 1982 een ernstige val van de trap in de kelder maakte. Fraser brak onder meer een rugwervel en leek blijvend invalide te worden.

Een intensieve revalidatie in combinatie met haar wilskracht zorgden ervoor dat ze weer helemaal gezond werd. “Als ik soms heel erg moe ben, krijg ik hoofdpijn, dat is alles”, zegt Fraser. Vier jaar na het ongeval kon ze voor het eerst weer met mes en vork kon eten. “Dat was een heerlijk moment, de mooiste overwinning van mijn leven.” Om zowel lichamelijk als geestelijk verder te herstellen ging ze meedoen aan wedstrijden van oude zwemcoryfeeën, het zogeheten Master Swimming. Haar verrichtingen werden door de Australiërs bijna net zo intensief gevolgd als in haar topperiode. En ze won wederom medailles.

Een weer levenslustige Fraser dook vervolgens op in de politiek. Als onafhankelijk kandidate werd ze in 1988 in Balmain gekozen als afgevaardigde voor het Australische parlement. Ook als politica deed ze haar naam als rebel eer aan. Fraser hield zich bijvoorbeeld niet aan de parlementaire kledingvoorschriften en weigerde een jurk te dragen. Als volksvertegenwoordiger zette ze zich vooral in voor het milieu en de gehandicapten. Maar bij de volgende verkiezingen redde ze het niet meer tegen de kandidaten van de grote partijen.

De 58-jarige Fraser heeft tegenwoordig nog steeds een overvolle agenda. Een afspraak kan pas na vele faxen en telefoontjes worden gemaakt. Uiteindelijk vindt ze even tijd op de luchthaven van Sydney, tussen twee vluchten door.

Fraser verricht pr-activiteiten voor een aantal bedrijven, ze doet nog steeds veel voor gehandicapte mensen en ze moet vaak bij officiële gelegenheden opdraven als sportheldin. Bovendien bezit Fraser een farm in het inmense achterland van Sydney waar ze bruine koeien wil gaan houden. “Ik ben een gelukkig mens.”

Terugblikkend op haar sportloopbaan noemt Fraser de Olympische Spelen een fantastisch evenement. “Ik had het niet willen missen”, zegt ze. “Het is geweldig om met z'n allen je land te vertegenwoordigen. Daar was ik uitermate trots op. Ik ben ook trots een Australische te zijn. Nog steeds vind ik het heerlijk om mijn Australische trainingspak te dragen.”

Fraser heeft het karakter van de Spelen zien veranderen. “Het beeld van al die militairen in Mexico met machinegeweren in hun hand heb ik nog altijd helder voor ogen. Nee, dat vond ik niet erg. Ze waren er voor onze veiligheid. ” De beleving van de sporters is volgens Fraser wel altijd hetzelfde gebleven.

“Geld of geen geld, bewaking of geen bewaking, iedereen doet zijn uiterste best en hoopt een medaille te winnen. Op het moment dat het olympische vuur wordt aangestoken, telt niets meer, huidskleur niet, godsdienst niet en politiek evenmin. Dan zijn al die sportmensen gelijk. Dat zijn happy days.”

Natuurlijk zwemt Dawn Fraser nog steeds, zo'n vijf keer per week. Meestal trekt ze 's ochtends voor dag en dauw een baantje of twintig. “Het is het beste begin van een dag”, oordeelt ze. “Alle stress verdwijnt uit je lichaam. Je bent fris en helder van geest. Ik kan niet zonder water. Water heeft me mijn leven gegeven.”

Erica Terpstra: 'Dawn Fraser was ongenaakbaar, een klasse apart'

'Ik kan niet zonder water. Water heeft me mijn leven gegeven'

    • Hans Klippus