Een boksgigant in dienst van Castro

TEOFILO STEVENSON, geboren in 1952 in Antonio Guiteras, Cuba. Drievoudig olympisch kampioen boksen in het zwaargewicht. Werd als enige bokser drie keer kampioen in dezelfde klasse: München 1972, Montreal 1976, Moskou 1980. Door de boycot van de Olympische Spelen in Los Angeles (1984) kon hij zijn titel niet verdedigen. Van de 302 partijen die Stevenson vocht, verloor hij er 19.

Teófilio Stevenson, drievoudig olympisch kampioen boksen, is de ambassadeur van de Cubaanse sport. Bij de Spelen in Atlanta kunnen de eilandbewoners goud winnen in alle twaalf bokscategorieën, voorspelt de gepensioneerde volksheld. Hoe een communistische revolutie van een ontwikkelingsland met elf miljoen inwoners een sportieve grootmacht maakte.

“Teó!”, schalt het door de catacomben van het Ciudad Deportiva. Even later wordt de voormalige olympische bokskampioen joviaal op een van zijn massieve schouders geslagen. Stevenson, die in 1988 zijn glanzende bokscarrière verruilde voor die van sportambassadeur van zijn land, is een graag geziene figuur in het stadion. Het gebouw, waar vanmiddag de dames-junioren van het Cubaanse volleybal trainen, is de thuisbasis van de nationale sportorganisatie Inder. Het speelveld en de tribunes die er cirkelvormig omheen liggen, zijn ingekapseld door een web van kantoortjes. Zo'n duizend Cubanen in dienst van in totaal tientallen sportbonden verdienen er hun peso's. Ook Teófilo Stevenson houdt er kantoor, als vice-voorzitter van de nationale boksfederatie een positie die hij sinds december 1994 bekleedt.

Na faxen vanuit Nederland en voorbereidend werk in Cuba kost het in Havana nog drie dagen voordat er een afspraak met Stevenson gemaakt kan worden. “Hij is als een zwevend elektron”, zegt een Cubaanse sportofficial. “Je krijgt hem bijna niet te pakken. Op Cuba is het bijna onmogelijk om twee mensen te interviewen: Castro en Stevenson.” De laatst gemaakte afspraak, donderdagmiddag 13.00 uur in het Ciudad Deportiva, blijkt allesbehalve waterdicht. Gedurende een paar uur na dat tijdstip ijsbeert de Cubaanse sportjournalist die de afspraak namens de sportstaatsorganisatie Cuba Déportes heeft geregeld, zenuwachtig op en neer. Teó blijkt nog doodleuk thuis te zitten, in de 26ste straat hier niet zo ver vandaan.

In afwachting van Stevenson bezoeken we in hetzelfde gebouw de training van de reserves van het nationale vrouwenvolleybalteam. Het zijn de troonpretendenten van de ploeg die eerder die week goud won tijdens het World Cup-toernooi in Japan. Veelbelovende meiden, met name de vijftienjarige Anniara Muñoz, die samen met haar tweelingzus Arianna op de mat staat. Het zijn dochters van Antonio Muñoz Hernandez, 'de reus van de Escambray', een vermaard honkballer uit de Escambray, een bergketen in centraal-Cuba. Zijn eretitel in het Spaans: el mas grande bateador de la pelota revolucionaria Cubana. De beste slagman uit het revolutionaire Cuba.

Die revolutie heeft op Cuba het stempel van sportland gedrukt. Op de Olympische Spelen zijn de Cubanen door de jaren heen steeds beter gaan presteren sinds Castro het roer op Nieuwjaarsdag 1959 met geweld overnam van dictator Fulgencio Batista. Op de ranglijst van medaillewinnaars in Rome 1960 komt Cuba niet voor. In Barcelona 1992 stond Cuba op een respectabele vijfde plaats, achter de Sovjet-Unie, de VS, Duitsland en China, met veertien gouden, zes zilveren en elf bronzen medailles. Een ongekend hoog aantal voor een (ontwikkelings)land met elf miljoen inwoners. Vooral de boksers droegen bij aan de medailleoogst van Cuba. In de twaalf verschillende categorieën wonnen zij zeven keer goud en twee zilveren medailles.

Ruim drie uur na het afgesproken tijdstip stopt voor de hoofdingang van het gebouw een rode Lada. Stevenson. De 1 meter 98 lange man draagt hoge, stevige wandelschoenen, een lichte katoenen broek en een rood T-shirt, waarachter een iets te dikke buik schuilgaat. Grote, trage stappen. Vriendelijke glimlach.

Geen enkel excuus over het verlate tijdstip. Stevenson gaat voor naar zijn kantoor, waar commissaris Barrientos van de Cubaanse boksbond nog wat licht administratief werk verricht. Een uur lang tikt deze man, een ex-bokser gekleed in Che Guevara-T-shirt, als een bezetene op zijn primitieve schrijfmachine. Zijn keiharde aanslagen - niet los te zien van zijn boksachtergrond - maken Stevenson bij vlagen onverstaanbaar. De oud-olympisch kampioen, het gerammel blijkbaar gewend, trekt zich er niks van aan.

Teófilo Stevenson werd geboren op 29 maart 1952, in Antonio Guiteras, een dorp bij de stad Las Tunas. In de provincie Oriente, waar ook de wieg stond van Fidel Castro en van een van de vele andere sporthelden waar de natie trots op is, Ana Fidelia Quirot. Zijn vader liet in 1922 het Engelstalige eiland St.

Vincent achter zich en vestigde zich op Cuba. Teófilo had twee zussen en twee broers. Eén broer speelde handbal en heeft nu in het Ciudad Deportiva een baan bij de handbalfederatie, de andere was honkballer. Een van zijn zusters speelde intensief basket- en volleybal, de ander was niet in sport geïnteresseerd, vertelt Stevenson.

In 1966, op veertienjarige leeftijd, begon Teófilo met boksen. Als kind vond hij alle sporten interessant, herinnert hij zich, maar vooral voetbal, honkbal en basketbal. “Meestal speelde ik basketbal, tot ik besloot de handschoenen aan te trekken.” Een jaar na zijn eerste partij als bokser maakte hij deel uit van het nationale team. Op 15-jarige leeftijd woog Stevenson 71 kilo. Toen hij de 75 kilo was gepasseerd, kreeg hij de kans wedstrijden in het buitenland te boksen. Maar op hetzelfde moment werd hij gevraagd om in de selectieteams van honkbal en basketbal te komen spelen. Hij koos voorgoed voor het boksen. , Nee, daar heb ik nooit spijt van gehad.” In tegenstelling tot wat verschillende biografische overzichten van Stevenson melden, werd hij niet ontdekt door een Oostduitse of een Russische coach, maar door de Cubaanse bokstrainer Herrera.

Zijn vader, die in 1982 overleed, was zijn grootste fan. De oude Stevenson zag nagenoeg alle wedstrijden van zijn zoon. “Hij heeft zelfs een of twee wedstrijden gebokst, op St. Vincent”, vertelt Teófilo, die met zijn autosleutels speelt. In 1988 bracht Stevenson een bezoek aan de geboorteplaats van zijn vader, op St. Vincent. In de buurt van de plaats waar Harold Stevenson was geboren en opgegroeid, vertelde een 92-jarige man die zijn vader had gekend, dat Stevenson senior behalve een redelijke bokser ook een verdienstelijk cricketspeler was geweest. Tot die dag had Teófilo zijn vader nooit over die op Cuba onbekende sport horen vertellen.

Teófilo Stevenson prepareerde zich op zijn 321 gevechten, waarvan hij er naar eigen zeggen 302 won en 19 verloor, door “te trainen en te trainen”. “Want als je goed getraind bent, is er geen enkel probleem.” In tegenstelling tot zijn opvolger, eenmalig olympisch kampioen in het zwaargewicht Felix Savon, wilde Stevenson wel altijd weten wat de sterke en de zwakke punten van zijn tegenstander waren. Savon - al sinds 1984 ongeslagen - is van mening dat het voor hem voldoende is de ring in te gaan met de overtuiging dat hij moet winnen.

“Iedereen wil winnen”, zegt Stevenson, waarmee hij wil aangeven dat de wil om te winnen niet voldoende kan zijn. “Je moet in elk geval de zwakke punten van je tegenstander kennen.” Die kennis gaf Stevenson zelfvertrouwen. Zijn sterke punt? “Geen enkele opening van me was zwak.” En zijn befaamde rechtse gecombineerd met een ontzaglijke snelheid dan? “Ik was met beide handen even sterk.”

Over de vraag wie zijn grote voorbeelden op sportgebied waren, moet Stevenson even nadenken. De stilte wordt ruw verstoord door het repeterende typegeweld van bokscommissaris Barrientos. Als eerste noemt hij Enrique Figuerola, de atleet die de eerste olympische medaille won voor het Cuba van na de Revolutie van 1959. Op de Olympische Spelen van 1964 in Tokio liep hij de 100 meter in 10,2 seconden, goed voor zilver. De historische medaille van Stevensons held Figuerola prijkt op een verhoginkje in een vitrine in het sportmuseum, onder de vlag van de Spelen in Tokio: de vijf olympische ringen onder de rijzende zon.

Een andere held van Stevenson is de Cubaanse bokser Enrique Regüeiferos, de eerste Cubaanse bokser die sinds de Revolutie een olympische medaille won; zilver in het lichtweltergewicht (tot 63,5 kilo), op de Spelen van 1968 in Mexico. In dat jaar won landgenoot Rolando Garbey eveneens zilver, in het zwaarweltergewicht (tot 71 kilo).

Wat het betekent om de beste amateurbokser aller tijden te zijn, met driemaal Olympisch goud? Stevenson haalt zijn schouders op. Hij heeft er in elk geval geen kapsones van gekregen, de minzame ex-bokser ontbeert elk spoor van arrogantie. “Elke atleet wil de Olympische Spelen winnen, het is de mooiste prijs die je kunt winnen, het maximale.”

Felix Savon is hard op weg om de prestaties van Stevenson te evenaren.

Stevenson probeert zijn voorganger daar zelfs bij te helpen. Ze zijn vrienden van elkaar en wanneer Savon bokst, is Stevenson meestal van de partij. Ook in het buitenland. Met adviezen, voorzover Savon die nodig denkt te hebben.

Stevenson zou er geen moeite mee hebben als Savon net zoveel Olympisch goud bij elkaar zou slaan als hij heeft gedaan, in München (1972), Montreal (1976)

en Moskou (1980). “Het hoort erbij dat records worden gebroken. Voor mij is de erkenning door het volk veel belangrijker. “In elk geval kan Savon mijn prestatie deze eeuw niet meer evenaren”, voegt hij er geruststellend aan toe.

Inderdaad, als Savon goud wint in Atlanta moet hij tot de volgende eeuw - Sydney 2000 - wachten om zijn derde gouden plak te kunnen veroveren. Als Cuba aan de Spelen van 1984 (Los Angeles) en 1988 (Seoel) had deelgenomen, was het aannemelijk geweest dat Stevenson het aantal Olympische medailles had opgevoerd tot vijf. “Nou, ten minste vier dan”, zegt hij quasi bescheiden.

Het kost Stevenson moeite zijn mooiste gevecht in zijn herinnering op te diepen. “Ze waren allemaal mooi en belangrijk. Alle 302 zeges, en zelfs de 19 gevechten die ik verloor. Ik heb eigenlijk het gevoel dat ik nooit heb verloren, omdat je altijd ervaring wint.” Stevenson was nooit een uitbundige winnaar. Natuurlijk, hij was blij na een overwinning. “Ik genoot daar uiteraard van en analyseerde de wedstrijd na afloop vrij snel. Want ook als je wint, maak je fouten.”

Het merendeel van zijn bokalen, medailles en andere trofeeën zijn in zijn huis in Antonio Guiteras, in Oriente, aan de andere kant van het eiland. De rest staat thuis in Calle 26. Een aantal prijzen is uitgeleend aan musea, verspreid over het land. Zijn eerste gouden olympische medaille ligt in een vitrine die elke dag wordt gepoetst, in het nationale sportmuseum in Havana.

Het is het belangrijkste souvenir in de glazen kubus, naast twee gouden plakken die Stevenson op kleinere toernooien won, zijn Everlast- bokshandschoenen en de gouden riem die hoort bij wereldtitel uit 1974.

Een nieuwe generatie Cubaanse boksers bereidt zich letterlijk en figuurlijk op straat voor, zo blijkt onder meer bij een bezoek aan Trinidad. Een plein in het centrum van deze zestiende-eeuwse koloniale stad in het zuiden van Cuba is 's middags nog het domein van jongens, van pakweg acht tot veertien jaar, die met zelfgemaakte ballen en knuppels hun honkbalidolen imiteren. Met blote bovenlijven, in korte broek en op ongemakkelijke schoenen. Hun schoeisel is lichtjaren verwijderd van de Nikes, Fila's en L.A. Gears die hun leeftijdgenoten in het Westen dragen.

Socialistische leuzen sieren de blinde muur aan de rand van het stenen speelveld. Los Trinitarios somos de patria o muerte, de inwoners van Trinidad kiezen voor het vaderland of de dood. Tenminste, dat is het ideaalbeeld van de communistische partij. De jongens werpen, slaan en vangen er fanatiek op los.

Ze hoeven hier, midden in het stadje, niet bang te zijn dat ze auto's raken of ramen aan diggelen slaan. Als gevolg van het jarenlange brandstoftekort rijden er nauwelijks auto's. De temperatuur is hier het hele jaar zo aangenaam (24 graden in de winter), dat ramen overbodig zijn.

Aan het eind van de middag wordt op hetzelfde plein een boksring opgebouwd.

Vlijtige mannen hangen er een elektriciteitsdraad met een handvol peertjes boven. De eerste deelnemers arriveren aan het begin van de avond. Potige jongens, uit alle hoeken van het land. Op hun wedstrijdshirts prijken afkortingen, van de provincies waaruit ze afkomstig zijn: SC (Santiago de Cuba), IJ (Isla Juventud, het Eiland van de Jeugd), PR (Pinar del Rio), H (Havana). In een hoek van het plein spart een zwarte bokser met zijn trainer.

Ondanks zijn indrukwekkende stoten zal hij zijn partij later op de avond verliezen.

De bokspartijen beginnen pas als uit een ouwe cassetterecorder het Cubaanse volkslied heeft geklonken. De 1.500 tot 2.000 toeschouwers, boksers en officials schieten bij de eerste klanken als verschrikt omhoog en houden hun armen kaarsrecht langs hun lichaam. Er volgt een tiental partijen, in verschillende gewichtsklassen. In de hoeken van de ring waar de boksers rusten kunnen ze hun overtollig spuug kwijt in een blikken trechter die aan de touwen is bevestigd. Het publiek juicht, moedigt aan en keert een paar uur later in het donker terug naar huis.

Boksen is een volkssport op Cuba. De mensen zijn er trots op hun pugilisten.

Een jongetje in Isabel Rubio, een dorp in de meest westelijke provincie van het eiland, Pinar del Rio, weet de bezoeker moeiteloos naar het huis van Ariel Hernandez te leiden. Het ventje weet het kleine huis waar de regerend olympisch kampioen in het halfzwaargewicht met moeder en broer woont blindelings te vinden. Op nummer 211 is alleen Ariels broer Rafael thuis. Als hij de vertrekken van de kleine woning toont, inclusief de gouden olympische medaille die over een schilderij is gehangen, is inmiddels de halve buurt gearriveerd. Natuurlijk, allemaal kennen ze Ariel, die hier groot werd door veel rijst en bonen te eten, en de regionale delicatesse, gebakken stierenhersenen. De halfzwaargewicht die hier op handen wordt gedragen, is niet thuis. Hij traint in Havana, zegt Rafael, tweehonderd kilometer verderop.

Morgen komt hij weer terug, met zijn Lada.

Hernandez zal zijn olympische titel in Atlanta verdedigen. Ten minste twee Cubaanse boksers die Barcelona met goud verlieten zijn daar om verschillende redenen niet toe in staat. Superzwaargewicht Roberto Balado kwam in juli 1994 om het leven toen hij na terugkeer van een bokstraining met zijn Lada onder een trein terechtkwam.

Een paar weken geleden moest de Cubaanse boksploeg opnieuw een zware tegenslag incasseren. Zo kort voor de Olympische Spelen ontvluchtten twee boksers hun trainingskamp om vervolgens in de Verenigde Staten politiek asiel aan te vragen. Drievoudig wereldkampioen bij de amateurs in het halfzwaargewicht Ramon Garbey en Joel Casamayor, regerend olympisch kampioen in het bantamgewicht, voelden zich niet langer geroepen om de eer van hun land te verdedigen. Naar verluidt werd beide 22-jarige boksers het leven op het eiland onmogelijk gemaakt, omdat ze weigerden trouw te zweren aan Castro.

Stevenson is wel altijd loyaal gebleven aan Castro. Als actief bokser en ook als gepensioneerd sportman. Van de bokssport nam hij afscheid op zijn geboortegrond bij Las Tunas. Stevenson maakte zijn terugtreden daar bekend op het grootste bokstoernooi in het land, in juni 1988. Hij vocht daar niet; dat deed hij voor het laatst op het wereldkampioenschap in Reno, Nevada, in 1986.

Op 34-jarige leeftijd won hij de titel in het zwaargewicht. Veertien jaar na zijn eerste gouden medaille in München was Stevenson nog steeds de beste amateurbokser. In Reno werd hij tevens uitgeroepen tot de beste technische bokser van het toernooi. Van zijn besluit om te stoppen heeft Stevenson nooit spijt gehad. Verschillende aanbiedingen om toe te treden tot het Amerikaanse profcircuit liet hij ongeïnteresseerd aan zich voorbijgaan. Destijds had hij een of twee miljoen dollar voor zijn overstap naar de VS kunnen krijgen. Hij bleef op Cuba. Dus rijdt hij niet in een Mercedes, een Porsche of een dure Italiaan, maar in een rode Lada. Met imperial.

Het scheelde maar weinig of Stevenson had zijn krachten kunnen meten met Cassius Clay alias Mohammed Ali, bij het begin van Stevensons carrière destijds de beste profbokser en nog steeds beschouwd als de beste bokser aller tijden. Maar terwijl Stevenson al in training was voor het gevecht, tussen 1978 en 1980, belde het kamp-Ali af. “Zij wilden niet”, verklaart Stevenson.

Was Ali misschien bang om te verliezen van een amateur? “Dat weet ik niet. Ik wilde wel.”

Afgesproken was dat beide giganten, die uiterlijk een grote gelijkenis vertonen, vijftien ronden zouden vechten. Verdeeld over drie gevechten van vijf ronden of vijf van drie. De keus was aan Stevenson. De duur van de gevechten was een compromis tussen de drie ronden die amateurgevechten duren en de vijftien ronden in het profcircuit, legt hij uit. Het gevecht kwam er echter niet. Velen, ook buiten Cuba, waren ervan overtuigd dat Stevenson, gewend om zijn tegenstanders al in de eerste ronde tegen het canvas te slaan, Ali verslagen zou hebben.

Een treffen tussen Ali versus Stevenson werd, vooral door de Cubanen, beschouwd als de ultieme strijd tussen het kapitalisme en het socialisme. In reactionaire kringen in beide landen zou een overwinning zijn uitgelegd als een victorie over het politieke systeem van de ander. “De mensen hadden het kunnen uitleggen zoals ze zelf gewild hadden”, zegt de Cubaanse hoofdrolspeler over deze episode in de boksgeschiedenis. “Daar ben ik niet in geïnteresseerd. In Cuba staat sport los van politiek.” Stevenson zegt het met droge ogen.

Sport heeft juist een politieke topprioriteit op het eiland. Van Fidel Castro is een rood standaardwerk vol sportwijsheden in de handel, onder de titel Fidel sobre el deporte. Het bevat al zijn uitspraken over sport tussen 1959 en 1976.

Een kleine bloemlezing: “Sport draagt bij aan de gezondheid. Sport maakt niet alleen fysiek sterk, maar ook moreel. Het sterkt ook het karakter, het versterkt ook de wil. De sport ontwikkelt en vormt het karakter, ontwikkelt de intelligentie, maakt ons tot gezondere burgers en beter voorbereid, in alle opzichten.” (1963) “Onze belangrijkste rivalen in de sport zijn niet de Latijns-Amerikaanse landen, maar de Verenigde Staten van Amerika.” (1974) , Er is een nieuwe generatie volleyballers opgestaan, die een voortdurende progressie in het volleybal garandeert.” (1975)

In januari van dit jaar stonden 'The Greatest' uit de VS en El Gigante, de reus uit Cuba, toch nog tegenover elkaar in de ring. Ali deed Cuba aan met een zending medicamenten ter waarde van een half miljoen dollar en ging bij zijn vriend Stevenson langs. In een boksschool in Havana, genoemd naar de verongelukte Roberto Balado, toonde Mohammed Ali zijn befaamde Ali-shuffle aan jeugdige boksertjes. En hij stapte in de ring voor een schijngevecht met Stevenson. De 44-jarige Cubaan en de 54-jarige Ali, die aan de ziekte van Parkinson lijdt, hielden het een paar minuten vol. Vervolgens ging Ali ook nog het gevecht aan met kleinere Cubanen.

Waar Mohammed Ali slechts trots op zichzelf was (“I am the greatest”) en onder andere door dienstplichtperikelen weinig vaderlandsliefde etaleerde, was Stevenson een wandelende reclamezuil van Fidel Castro. Na zijn actieve carrière werd hij bobo, sportdiplomaat in dienst van het vaderland. “Ik had best wel trainer willen worden, maar dit is me gevraagd”, zegt hij over zijn baan als official. Hij frummelt weer luidruchtig met de sleutels van zijn Lada.

Op de vraag wat zijn baan inhoudt, komt geen duidelijk antwoord.

Ontegenzeggelijk is de symbolische waarde van zijn functie groot: Stevenson is boegbeeld en ambassadeur tegelijk van de sport in Cuba. Het brengt hem regelmatig in het buitenland. Ook in Atlanta zal hij er weer bij zijn. Als bobo én als adviseur van het boksteam.

Met het slotwoord uit Fidels citatenboek in het achterhoofd - Venceremos, wij zullen overwinnen - vloog de olympische selectie onlangs naar Atlanta.

Rechtstreeks wel te verstaan. De Amerikaanse regering had het decennia oude handelsembargo tegen het eiland even opzijgezet en Cubaanse vliegtuigen met atleten toestemming gegeven om op Amerikaanse grondgebied te landen.

Stevenson is allesbehalve een oude, opgeblazen ex-sportman geworden. Hij probeert in conditie te blijven door regelmatig hard te lopen en af en toe een partijtje basketbal te spelen. “Nee, boksen doe ik niet meer.” Wie de nieuwe Stevenson in Cuba is, is voor de vedette een vraag waarbij hij niet hoeft na te denken. Savon natuurlijk. Hij bewondert diens “grote discipline”, een voorwaarde voor succes, stelt Stevenson.

De persoonlijke wensen die de ex-bokser voor zijn eigen toekomst heeft, worden gesierd door bescheidenheid. “Blijven werken”, zegt hij bescheiden. Op sportief gebied hebben de resultaten van de Cubaanse boksploeg op de Olympische Spelen in Atlanta voor hem de hoogste prioriteit. Twaalf gouden medailles in twaalf disciplines is volgens Stevenson geen utopie. “Het is mogelijk.”

Zijn eigen populariteit wordt er in de schaduw van actieve boksers als Savon niet minder op. In de maand waarin het vraaggesprek plaatsvond, gaf hij acht interviews. Nog niet zo lang geleden klopte de BBC bij hem aan. Ook zijn er in de aanloop naar Atlanta de nodige documentaires over hem gemaakt.

Na het vraaggesprek slentert Stevenson naar de uitgang van het sportcomplex.

Hij poseert er onder immense zwartwitfoto's van een olympische gevecht in 1972 tegen de Amerikaan Duane Bobick, die destijds 'de blanke hoop' werd genoemd.

Stevenson eet wat pinda's uit het vuistje. Kust Ana Ibis, lid van de legendarische volleybalploeg die in 1978 wereldkampioen werd, en tegenwoordig hulptrainster van het meisjesteam van de volleybalbond. Op verzoek van de fotograaf gaat hij nog even op de motorkap van zijn Lada zitten. Niet zomaar een Lada. Een Lada met imperial.

    • Ward op den Brouw