Echt boos

De vuurpad klopte op de deur van de egel.

“Wie is daar?” vroeg de egel.

“De vuurpad.”

“Kom maar binnen, vuurpad”, zei de egel.

De vuurpad stapte naar binnen, liep naar de egel toe en trok met één ruk alle stekels uit zijn rug.

“Au!” riep de egel. “Au!”

De vuurpad deed een stapje achteruit, keek naar de egel, dacht even na, schudde zijn hoofd en zei:

“Nee. Je bent niet boos. Helaas.”

“Ik ben wel boos”, huilde de egel.

“Niet echt boos”, zei de vuurpad.

Hij draaide zich om en ging weg.

Even later klopte hij op de deur van de slak.

“Binnen”, zei de slak, die sinds enige tijd aan het nadenken was over stilstand en vertraging.

De vuurpad stapte naar binnen en draaide de steeltjes van de slak om.

“Au”, zei de slak langzaam en smartelijk.

“Nee”, zei de vuurpad. “Jij bent ook niet boos.” En nog voor de slak voor de tweede keer 'Au' had kunnen zeggen was vuurpad al weer vertrokken.

Hij ging naar de olifant en legde een onontwarbare knoop in zijn slurf. Daarna plakte hij de bek van de kikker dicht, wierp de karper in de wilg en scheurde de jas van de sprinkhaan aan flarden.

Alle dieren riepen: 'Au!' en werden woedend, terwijl de kikker siste van razernij. Maar telkens zei de vuurpad:

“Nee, dit is ook niet boos” of “Als dít boos moet heten...” of “Echt boos is wel wat anders!”

Aan het eind van de middag stond hij midden op de open plek in het bos en riep:

“Is er dan niemand echt boos?” Zijn stem klonk schel en verontwaardigd.

Overal klonken woedende kreten en pijnlijk gejammer.

“Nee dus”, riep de vuurpad toen. Hij wachtte nog even en liep weg, tussen de bomen door, het bos uit.

Die avond zaten de dieren bedroefd bij elkaar. De krekel zette de stekels van de egel een voor een weer terug, en de schildpad draaide heel langzaam de steeltjes van de slak weer goed. De eekhoorn ontwarde de knoop in de slurf van de olifant en de lijster droeg de karper naar de rivier, terwijl de reiger met zijn snavel de bek van de kikker openmaakte.

Woest kwaakte de kikker: “Was ik niet echt boos?”

“Nee”, zei de reiger. “Ik denk het niet.”

“Wat?!” kwaakte de kikker. Maar het was meer gillen dan kwaken.

Toen zweeg hij en keek verongelijkt naar de grond.

“Misschien kunnen we niet echt boos worden”, zeiden de dieren tegen elkaar. Ze keken elkaar ernstig en met grote ogen aan. Niemand wist wat echt boos was. Misschien was het wel iets anders, iets wat helemaal niet op boos leek. Misschien leek het zelfs wel meer op vrolijk! Dat zóú kunnen, dachten ze.

“Of op iets zwaars”, zei de schildpad. “Misschien lijkt het daar wel op.

Op iets heel zwaars, dat niemand kan optillen.''

De dieren rilden.

Het was donker en koud, en ze sjokten zwijgend naar huis.