Dialectiek van de schreeuw

Een prachtig verhaal van Jean-Paul Franssens gaat over zijn ontmoeting als kleine jongen met de oude koningin, Wilhelmina. Ze zal in zijn stad op bezoek komen. De kinderen hebben geleerd dat je in zo'n geval uiting aan je blijdschap moet geven door je petje in de lucht te gooien. De Scheepsjongens van Bontekoe deden het al, hoewel er toen nog geen koningin was.

Jean-Paul staat in de menigte, de koningin nadert, is op werpafstand, hij gooit zijn petje in de lucht, het wordt door de wind gegrepen en het komt in het rijtuig terecht. Hij gaat naar huis zonder petje. Waar is je petje? Ja, dat heeft de koningin meegenomen. Jean-Paul wordt bestraft.

Ieder tijdvak heeft zijn eigen wijze van vreugdebetoon. Het gehoorzaamt aan bepaalde voorschriften die niet verstandelijk te begrijpen zijn. Dat hoeft ook niet. De vraag is of je de ware vreugde wel geniet als je van de voorschriften afwijkt. Je bent blij als je de koningin ziet. Door de worp met je petje geef je daaraan uitdrukking, waardoor je je blijdschap nog vergroot. Bovendien kan iedereen zien dat je blij bent, want je hebt je bediend van een algemeen verstaanbaar sjabloon. Dit maakt je nòg blijer. Binnen een seconde heb je je de vergrotende en overtreffende trap verworven: 1. de emotie zelf; 2. het daaraan de vrije loop geven; 3. het daarin door de anderen begrepen worden (althans: veronderstellen dat je begrepen wordt) of sterker: de algemene erkenning dat de emotie zich van je heeft meester gemaakt.

Theo Thijssen heeft de laatste fase van de erkenning, of van de veronderstelde erkenning, scherp beschreven. Als Kees de jongen zich de zwembadpas heeft eigengemaakt, of als hij met het ingekorte pak van zijn vader voor het eerst in het openbaar verschijnt, veronderstelt hij bij degenen die hem zien allerlei gedachten die hem op zijn minst goed van pas komen. (Hé, wat loopt daar voor interessante jongen?') Kees is in het uitdrukken van zijn gevoelens, zonder gebruik te maken van woorden, een oorspronkelijke jongen. Soms noodgedwongen, maar dat doet geen afbreuk aan de oorspronkelijkheid.

Dit stukje gaat verder over de evolutie in de extase. Een poosje geleden was op CNN een korte documentaire over het gedrag van voetballers nadat ze een doelpunt hebben gezet. 'Hebben gescoord,' zult u bedoelen. Ik heb er al eens melding van gemaakt. Het was een beknopte openbaring. Heel vroeger gaven ze elkaar een schouderklopje; toen gaven ze met hun rechterarm een slag in de lucht; nu rennen ze met de armen in de lucht, de mond zo wijd mogelijk open naar de tribune en eindigen geknield, alsof ze de Heilige Maagd voor Haar genade danken, en wie weet doen ze dat wel.

In deze tijd is er wel steeds meer sprake van win win situaties en synergie maar ik beschouw dat als een vorm van theologie waarmee de gelovigen van de vrije markt je proberen te bedotten. In werkelijkheid (en zeker in de sport die nu de werkelijkheid an sich is) moeten er altijd een winnaar en een verliezer zijn. En zoals de uitdrukking wil: The Winner takes All. Voor de verliezer blijft niets anders over dan het absolute niets. Zie de leegte in zijn blik. De winnaar heeft de totale winst, daarmee de totale emotie en dus de verplichting tot de totale openbaring van de emotie.

Deze driefasenstructuur valt natuurlijk niet meer met een handdruk, een schouderklopje of een petje in de lucht af te doen. De totale openbaring van de totale overwinningsvreugd is de extatische schreeuw: van Patrick Kluivert, van Richard Krajicek. Zij weten het, de wereld weet het en daardoor weten zij het nog beter: triomf.

In zijn essay Wegen in de mist leidt Milan Kundera uit het algemene schreeuwen af dat er een nieuwe onschuld in opmars is, de onschuld van de extase. Misschien zou hij gelijk hebben als er spontaan werd geschreeuwd in het natuurlijk vervolg op de zuivere extase. Maar evengoed kan het zo zijn dat de extase voor degene die hem ervaart pas tot de ware extase wordt als hij zichzelf hoort schreeuwen en daarbij weet dat er op z'n minst een miljoen mensen meekijken en meeluisteren. Ik misgun de overwinnaars hun vreugde niet, maar ik zou pas onvoorwaardelijk in hun extase gaan geloven als ik er getuige van was dat ze in de volstrekte eenzaamheid van de volstrekte afgeslotenheid met dezelfde overtuiging zich aan het schreeuwritueel zouden overgeven.

In de sport gaat het om winnen of verliezen. De schreeuw en de extase en die twee weer in hun onderlinge verhouding horen tot de algemene internationale communicatie, een vraagstuk voor literatuur en wetenschap.