Democratische missie van Clinton laat China ijskoud

Als de Chinees-Amerikaanse betrekkingen gespannen zijn, is heel Oost-Azie nerveus. Maar dat zal volgens Willem van Kemenade veranderen nu president Clinton het roer in zijn China-beleid radicaal heeft omgegooid.

Het succesvolle bezoek van Anthony Lake, de Nationale Veiligheidsadviseur van president Bill Clinton aan China lijkt een nieuw, dit maal positief keerpunt te worden in de op- en neerwaartse cycli in de Chinees-Amerikaanse betrekkingen.

Na drie en een half jaar gezwabber tussen instabiliteit en hoogspanning lijkt er nu nieuwe consensus te zijn dat wederzijdse nationale belangen, strategisch en economisch, de basis voor de betrekkingen dienen te zijn en dat ideële factoren, zoals democratisch evangelisme en mensenrechten, de agenda niet langer moeten domineren.

Het is vier jaar geleden dat Clinton tijdens zijn verkiezingscampagne de toenmalige Amerikaanse president Bush beschuldigde van het “vertroetelen van dictators van Bagdad tot Peking”. Clinton zou, als hij de nieuwe president zou worden, die dictators weleens aanpakken en de Amerikaanse zending op het gebied van democratie en mensenrechten intensiveren.

Aldus geschiedde, en het betekende koppeling van handelsprivileges aan vooruitgang op het gebied van de mensenrechten, 'inspectie-bezoeken', openbare ultimata en voortdurende dreigementen met sancties waren de standaardinstrumenten voor het onderhouden van de betrekkingen met China.

Het bracht Henry Kissinger tot een vernietigend oordeel over de manier waarop Clinton de strategische driehoek Washington-Peking-Moskou benaderde: “Op en neer slingeren tussen een onstuimige vrijage met Rusland en ambivalent, krampachtig geruzie met China als twee kanten van dezelfde medaille, nl. verwerping van enig concept van evenwicht en van vertrouwen op het veranderen van de binnenlandse praktijken van andere landen als de sleutel tot internationale orde - diplomatie als binnenlandse politiek”.

Het haalde danook niets uit. Drie en een half jaar Clinton hebben het Chinese regime toleranter, noch humaner, noch milder gemaakt. Maar ondertussen zorgde een jaarlijkse economische groei van meer dan tien procent er wel voor dat de China aanzienlijk welvarender, pluralistischer en vrijer werd.

Buitenlandse handel en investeringen zijn daarin beslissende factoren geweest en die wilde de regering-Clinton nu juist riskeren om versnelde verbetering van de mensenrechten-situatie af te dwingen. Daarmee stelde zij haar eigen 'economische diplomatie' (orders voor Boeing, General Motors etc.) in de waagschaal.

Lake zei aan het einde van zijn recente bezoek: “Wij moeten begrijpen dat dit [mensenrechten, WvK] een kwestie van lange termijn is. [..] Ik geloof dat wij op langere termijn vooruitgang op dit gebied zullen maken.”

In maart 1994 kwamen minister van Buitenlandse Zaken Warren Christopher en zijn assistent John Shattuck (mensenrechten-zaken) naar Peking om te inspecteren of er genoeg verbetering inzake de mensenrechten was om China de status van meest-begunstigde handelsnatie te verlengen. Shattuck had een ontmoeting met China's bekendste dissident Wei Jingsheng.

Dit vertoon maakte echter allerminst indruk op de Chinese machthebbers. Integendeel, onder de ogen van Christopher arresteerden zij twaalf dissidenten, inclusief Wei, en Pekins regeringswoordvoerder liet weten dat de Amerikaanse megafoon-diplomatie vooruitgang belemmerde.

Daarop volgde hoongelach van de Amerikaanse media volgde, maar het is zeer aannemelijk dat het Amerikaanse hyper-activisme juist de bejaarde orthodoxe communisten uitdaagt om des te nadrukkelijker te demonstreren dat zij baas in eigen huis zijn. Een meer discrete Amerikaanse diplomatie had in Peking meer effect gesorteerd, zoals tijdens Bush' bewind.

Clintons dreigementen waren kennelijk nooit bedoeld om ook uitgevoerd te worden. De Amerikanen waren zó overtuigd van hun macht en superioriteit, dat zij ervan uitgingen dat de onzekere, in discrediet gebrachte Chinese communisten door de knieën zouden gaan. Maar telkens als de Chinezen demonstreerden dat zij geen buigend bamboe, maar keihard graniet waren, gingen de Amerikanen door de knieën. Deze praktijk heeft de Chinese leiders er al twee jaar geleden van overtuigd dat Clinton een papieren tijger is.

De grootste crisis volgde door Clintons zig-zagkoers inzake Taiwan. Hij liet zich, ondanks verzet van Christopher, door het Congres dicteren om de Taiwanese president Lee Teng-hui voor een weliswaar officieus, maar niet daarom niet minder spectaculair bezoek toe te laten. Japan en de ASEAN-landen distantieerden zich van de Amerikaanse aanpak inzake mensenrechten, maar steunden Amerika in zijn strijd tegen ontoelaatbare Chinese handelspraktijken en wapenproliferatie. De Europese bondgenoten wilden wel een dialoog met China over de mensenrechten, maar geen luidruchtige, contraproduktieve confrontatie. Zij steunden Washington niet en dat leverde verschillende grote Chinese orders op, onder andere voor Airbus en Mercedes Benz. Het Amerikaanse bedrijfsleven zag met lede ogen hoe de Chinezen steeds demonstratiever politiek en handel vermengden ten gunste van de opportunistische Europeanen.

Nu, eindelijk, aan de vooravond van de nieuwe presidentsverkiezingen is Washington in het reine gekomen, niet met China, maar met de verdeeldheid in eigen huis over het China-beleid. Draaipunt was een speech van Christopher in mei. Daarin verwierp hij het advies van diegenen die China willen isoleren en sprak hij zich krachtig uit voor een beleid van breed engagement en integratie van China in de wereld. China-critici in het Congres en de media vrezen nu dat de VS oogluikend zullen toezien hoe China in toenemende mate internationale regels negeert en zich op termijn tot een nieuw 'Geel Gevaar' ontwikkelt, eerst op commercieel en vervolgens op militair gebied. Maar zij zijn slecht geïnformeerd. De Chinese export beloopt nu 2,9 procent van de wereldexport, wat nog beduidend minder is dan het aandeel van de Nederlandse uitvoer. Een Chinese krant illustreerde China's 'dreiging' voor de wereldeconomie onlangs als volgt: “Om een Airbus te importeren moet China 25 miljoen paar schoenen exporteren”. En China's militaire budget neemt in absolute zin weliswaar toe, maar het relatieve belang van de militaire sector voor de snel groeiende Chinese economie neemt af.

Ook degenen die de Chinese heerschappij over Tibet als een bewijs voor expansionisme hanteren, weten niet waar zij het over hebben. Tibet was tot 1911 een deel van het Chinese keizerrijk en verklaarde zich net als Buiten-Mongolie onafhankelijk. Mongolië kon met Russische erkenning en hulp zijn onafhankelijkheid bestendigen, maar die van Tibet is nooit door enig land erkend.

Tibet is, net als Taiwan en Hongkong, voor China onomstotelijk een kwestie van nationale soevereiniteit, waarin geen enkele buitenlandse inmenging wordt geduld. Het Chinese wapengekletter rondom Taiwan in maart was geen voorspel tot een invasie, maar politieke intimidatie om het afglijden van Taiwan naar permanente afscheiding te stoppen. Het liep met een sisser af. De Chinese aanspraken op de Zuid-Chinese Zee-eilanden zijn dubieus, maar China heeft inmiddels aanvaard dat de Conventie voor het Zeerecht als basis voor het regelen van geschillen kan dienen.

Als de Chinees-Amerikaanse betrekkingen gespannen zijn, is heel Oost-Azie nerveus. In tijden van ontspanning zijn overal compromissen over mogelijk, behalve over het principe van Chinese soevereiniteit over Taiwan.

Als Washington zijn eigen 'één China-beleid' strikt interpreteert en niet de marges voortdurend verruimt, kan de economische integratie van China en Taiwan ongestoord doorgaan en neemt de kans toe dat politieke eenwording op langere termijn zonder conflict verloopt. En als Washington in de betrekkingen met China prioriteit geeft aan economische belangen, neemt de kans op politieke conflicten steeds verder af.