De vrouw die sport spierballen gaf

DIDRBABE DIDRIKSON 1911-1956. Tweevoudig olympisch kampioen atletiek. Didrikson won bij de Spelen van 1932 in Los Angeles twee gouden (speerwerpen en 80 meter horden) en een zilveren medaille (verspringen).

In tal van sporten schitterde Mildred Ella 'Babe' Didrikson. Ze was een van de beste basketbalsters van Amerika, een van de beste atleten ter wereld - en misschien wel de beste golfster aller tijden. 'Wat denk je dat ik ben, een mietje?'

Een heel enkele keer rijdt Bill Debes in zijn auto nog weleens naar zijn oude High School in Beaumont, Texas. “For memory's sake”, om herinneringen op te halen. Dan parkeert hij zijn veel te grote Amerikaanse slee onder de weelderige platanen aan de rand van het het grasveld voor de school om gedurende een paar minuten aan de tijd te denken dat hij nog een tiener was. In de ruim zeventig jaar die nadien passeerden, is veel verloren gegaan. Maar als Debes naar een van de ramen op de tweede verdieping kijkt, verschijnt er toch iedere keer weer een glimlach rond z'n lippen. Hij ziet zichzelf weer staan, aan de andere kant van het raam, als een broekie van een jaar of vijftien met een potlood in de hand.

Bij het raam van dat lokaal stond de puntenslijper, vertelt Debes. Soms had hij daar les terwijl de meisjes op het sportveldje onder het raam aan het honkballen waren. Het toeval wilde dat dan altijd de punt van z'n potlood brak, klinkt het lachend. Kon-ie niet verder schrijven, moest-ie naar de puntenslijper. “Nee, ze was niet knap of zo. Maar ze sloeg de ene homerun na de andere. En dat wilde ik niet missen. Dat wilde geen van de jongens missen. Het was altijd dringen voor die puntenslijper als zij aan het honkballen was.”

Debes heeft het over zijn schoolgenote Babe Didrikson, de beroemdste leerling in de geschiedenis van wat tegenwoordig Central Senior High School heet, maar destijds Beaumont High School was. “Wij wisten toen al dat ze uniek was, dat ze iets speciaals zou worden. En niet alleen omdat ze een grote bek had en heel intimiderend kon zijn, in die tijd voor een meisje zeer ongewone eigenschappen. Nee, ze zou ver komen omdat ze uitblonk in iedere sport die ze beoefende. En ze beoefende er veel, hoor. Boy, zoals zij die bal bij het honkbal kon raken. Daar waren zelfs wij jongens jaloers op. Dat wist ze ook. Niet voor niets noemde ze ons vaak sissies, mietjes.”

Meer nog dan op het sportveldje excelleerde de jonge Didrikson in de gymzaal van Beaumont High, vooral bij basketbalwedstrijden. Evangeline George, Director of Student Activities van de school, leidt haar gast naar die gymzaal.

Het is een fikse wandeling door eindeloos lange gangen. Om de zoveel meter bevindt zich aan weerszijden een massieve deur met een klein raam op ooghoogte, langs de muren en vlak onder het plafond lopen pijpleidingen. Is dit een school of een gevangenis? George kan gedachten lezen: “Een beetje deprimerend, hè.”

Toch klinkt haar stem enthousiast. De taak die ze er sinds kort bij heeft gekregen, pleziert haar namelijk zeer. George is verantwoordelijk voor het rondleiden van mediavertegenwoordigers die het afgelopen jaar met grote regelmaat de school hebben bezocht. Recentelijk nog medewerkers van - “Can you believe it?” - een Japans televisiestation. En nu een verslaggever uit Holland. “En dan te bedenken dat wij nog niet zo lang geleden dachten dat iedereen haar vergeten was. Trouwens”, vraagt ze aarzelend, “Holland Michigan of Holland Europa?”

Aan het eind van een van de gangen houdt ze de pas in en wijst naar een dubbele deur. “De gymzaal”, klinkt het met ontzag, alsof de wanden zijn behangen met Rembrandts. Dan, weer op gewone toon: “Er wordt al jaren niet meer in gesport. Wegens ruimtegebrek worden er nu andere lessen in gegeven. We kunnen wel even storen.”

In de gymzaal zitten vijftien leerlingen achter oude, versleten lessenaars. Opengeslagen boeken en schriften, afgekloven pennen. Een wandrek aan een van de muren, nog half zichtbare witte lijnen op de vloer en twee baskets verwijzen naar de oorspronkelijke functie van het lokaal.

“Van welke beroemde persoon begon hier in deze gymzaal de carrière”, vraagt George de scholieren. “Nou?”, klinkt het uitdagend als een reactie uitblijft.

Uiteindelijk steekt een jongen zijn hand op. De naam is hem even ontschoten, “maar het was die vrouw die goed kon sporten, geloof ik”. George schudt het hoofd. Met een zucht vertelt ze dat haar gast helemaal vanuit Holland naar Beaumont is gekomen voor “niemand minder” dan oud-leerlinge Babe Didrikson. ,Liefst zes keer was ze de vrouwelijke sporter van het jaar en in 1950 werd ze zelfs uitgeroepen tot de beste atlete van de eerste helft van deze eeuw. En jullie weten haar naam niet eens!”

Welwillend knikt George naar een jongen die z'n hand heeft opgestoken. “Waar is Holland”, luidt zijn vraag. Nauwelijks zichtbaar zakken de schouders van George een paar millimeter.

Ongeveer even oud als de jongen in de gymzaal wist Babe Didrikson precies waar Holland lag. In de zomer van 1928 - ze was toen net 17 jaar - verslond ze de berichtgeving in de plaatselijke krant over de Olympische Spelen die op dat moment in Amsterdam werden gehouden. In This Live I've Lead, de autobiografie die ze een jaar voor haar dood in 1956 schreef, haalt ze herinneringen op aan die zomer: “Papa vertelde over de steratleten die in Amsterdam meededen. Ik werd vreselijk enthousiast van die verhalen, de Olympische Spelen leken me het geweldigste evenement in de wereld. De volgende keer dat ze gehouden worden, doe ik zelf ook mee, zei ik tegen papa.”

Didrikson - voor haar tijd van gemiddelde lengte, maar voor een meisje zeer gespierd - was volgens eigen schrijven 'geboren met de drang om aan sport te doen en de mogelijkheden om redelijk goed te worden'. Nog voordat ze een tiener was, wist ze al wat ze als volwassene wilde worden: “Mijn doel was om de beste atleet te worden die ooit heeft geleefd.”

“Gezien de aandacht die ze nu, vlak voor het begin van de jubilerende Spelen, vanuit de hele wereld opnieuw krijgt, zou je denken dat ze daarin is geslaagd”, meent George. Dat de meeste van haar leerlingen - “net als overigens hun ouders” - nauwelijks weten wie Babe Didrikson is, wijt ze aan wat volgens haar een typisch Amerikaans 'probleem' is: “Wij Amerikanen kijken alleen maar vooruit, we kijken nooit om naar het vele moois dat achter ons ligt.”

Woorden van dezelfde strekking spreekt Maida Venca, die werkt in het in 1976 geopende Babe Didrikson Zaharias Museum in Beaumont. Regelmatig zit ze daar uren achtereen met een blikje fris en een pak koekjes zonder ook maar iemand te zien. Wegens gebrek aan belangstelling zag het er enkele jaren geleden naar uit dat het kleine museum de deuren moest sluiten. Dat kon uiteindelijk voorkomen worden door in het gebouwtje ook een toueristenbureau te vestigen. “Sindsdien is er wat meer aanloop. Van mensen die de weg willen weten”, zegt Venca. “Velen vragen dan wel wat al die bekers, medailles en sportattributen hier doen, maar slechts een enkeling gunt zich de tijd om zich in de carrière van deze legendarische sportvrouw te verdiepen.”

Nog voordat die carrière goed en wel was begonnen, was Didrikson op 16 juli 1932 - net 21 jaar geworden - volgens de Amerikaanse media al een instant legend. Op die dag werden in Evanston, nabij Chicago, de Amerikaanse atletiekkampioenschappen voor vrouwen gehouden. Behalve om individuele titels en kwalificatie voor de twee weken later in Los Angeles beginnende Olympische Spelen, werd ook gestreden om het clubkampioenschap van de VS. Didrikson vertegenwoordige het team van de Golden Cyclones. Als enige. Alle andere teams bestonden uit vijftien of meer atletes. In de tweeëneenhalf uur die de kampioenschappen in beslag duurden, nam Didrikson deel aan acht van de tien onderdelen. In haar autobiografie beschrijft ze die tweeëeneenhalf uur als volgt: “Ik vloog van het ene onderdeel naar het andere. Ik liep een serie in de 80 meter horden, daarna moest ik een van m'n sprongen bij het hoogspringen doen. Vervolgens een sprong bij het verspringen, gevolgd door speerwerpen en kogelstoten.” En zo ging het maar door, tweeëneenhalf uur lang.

Didrikson won zes onderdelen en verbeterde vier keer een wereldrecord, bij het speerwerpen, het 'honkbalwerpen' en op de 80 meter horden. Het wereldrecord bij het hoogspringen, tot die dag op naam van de Nederlandse Lien Gisolf, moest ze delen met een andere atlete, Jean Shiley. Didriksons worp bij 'baseballthrow' staat nog altijd in de boeken als wereldrecord. In 1957 werd het onderdeel van het atletiekprogramma geschrapt. Geen enkele atlete was in de tussenliggende kwart eeuw verder gekomen dan haar worp van 272 feet en 2 inches, circa 73 meter.

Didrikson won die 16de juli ook het clubkampioenschap. Ze bleef in haar eentje de naaste concurrent, een team met 22 atletes, ruim voor. Ook behaalde ze op vijf onderdelen de limiet voor de Spelen.

Na die dag in Evanston kwamen de Amerikaanse media superlatieven te kort. De prestaties van 'het wondermeisje' en 'de superatleet' werden als fenomenaal omschreven. 'Het meest verbazingwekkende optreden van een individu, man of vrouw, in de atletiekgeschiedenis', noteerde een verslaggever. Didrikson had de eerste stap gezet naar verwezenlijking van het doel dat ze zich als kind had gesteld.

Mildred Ella Didriksen (als volwassene veranderde ze haar achternaam in Didrikson) werd op 26 juni 1911 geboren in Port Arthur, maar groeide op in het enkele kilometers verderop gelegen Beaumont. Ze was de zesde van zeven kinderen van Noorse emigranten die, zoals zoveel Europeanen aan het begin van deze eeuw, meenden in Amerika een betere toekomst te hebben. Toch had vader Ole moeite de eindjes aan elkaar te knopen. Voor speelgoed voor de kinderen was geen geld, maar omdat hij een handig klusjesman was én het belangrijk vond dat zijn kinderen in goede lichamelijke conditie verkeerden, verbouwde hij de achtertuin van zijn huis in een met verschillende gymnastische toestellen uitgeruste 'openlucht gymnastiekzaal', inclusief halters voor gewichtheffen.

Veel buurtkinderen kwamen daar gymmen, maar degene die er de meeste tijd doorbracht was de zesde Didriksen. Mildred was altijd aan het sporten. Als de tram voorbij kwam, liet ze het klimrek of de halters voor wat ze waren en probeerde ze sprintend eerder dan het voertuig bij de hoek van de straat te zijn. Op de terugweg deden zeven heggen die enkele tuintjes in haar straat van elkaar scheidden dienst als horden voor een hordenloop; ze had alle buren zover gekregen de heggen op dezelfde hoogte te knippen. Verder mocht ze met de kinderen uit de buurt - en dan vooral met de jongens, die waren meer van haar niveau - graag honkballen. Omdat ze de bal verder kon slaan dan wie ook, werd ze al gauw 'Babe' genoemd, naar Babe Ruth, de legendarische homerun-specialist.

Het was echter vooral op Beaumont High School dat Didriksons atletische kwaliteiten werden ontwikkeld en de aandacht trokken. Ze maakte deel uit van zo'n beetje alle sportteams van de school. Uit jaarboeken blijkt dat vooral dankzij Didriksons inbreng het volleybalteam, het tennisteam, het zwemteam, het honkbalteam en het golfteam tot de beste middelbare schoolteams uit de regio behoorden. 'Babe is een onmisbare kracht', 'Altijd de ster van de wedstrijd', 'Met de elegantie van een danser scoort ze punt na punt', luiden enkele van de opmerkingen over haar uit 1929.

De sport waarvoor ze toen echter de meeste interesse had, was basketbal. 'Als Babe de bal krijgt, moet ook de puntenteller aan de slag. En soms raakt hij dan de tel kwijt', noteert de auteur van het jaarboek uit 1929.

Door haar vele scores ging Didriksons naam al gauw de hele staat Texas rond.

In die tijd hadden veel bedrijven hun eigen gesponsorde sportteams. De Employers Casualty Company, een verzekeringsbedrijf uit Dallas, was zo'n bedrijf. Melvin McCombs, verantwoordelijk voor de sportteams van Employers Casualty, zag in Didrikson een meer dan waardevolle kracht voor zijn basketbalteam. In 1930 bood hij haar een baan aan én een positie in het team.

Moeder Didriksen vond het maar niks, haar 'kleine meisje' helemaal alleen in de driehonderd kilometer verderop gelegen grote stad Dallas. Ole Didriksen gaf echter zijn toestemming: hij en zijn vrouw waren naar Amerika gekomen voor betere toekomstmogelijkheden, nu één van hun kinderen een kans kreeg om hogerop te komen, moest die kans ook met beide handen worden gepakt.

Voor het bedrijfsteam deed Didrikson wat ze ook voor Beaumont High had gedaan: scoren en wedstrijden winnen. Nog geen drie maanden na haar aankomst in Dallas werd ze gekozen voor het Amerikaanse All-Starteam, bestaande uit de beste basketbalsters van de Verenigde Staten.

In de zomermaanden die volgden, lag de basketbalcompetitie stil. Om toch wat aan sport te doen, stelde McCombs voor dat Didrikson aan atletiek ging doen.

In Beaumont had ze tegen trams gesprint en over heggen gesprongen, maar georganiseerde atletiek was nieuw voor haar. Van veel onderdelen had ze zelfs nog nooit gehoord. Nog dezelfde zomer nam ze echter al deel aan de Amerikaanse kampioenschappen. Ze won twee titels, bij het speerwerpen en honkbalwerpen. Ze verbeterde ook het wereldrecord verspringen, maar enkele minuten na haar sprong overtrof een concurrente die prestatie.

Haar enorme atletische kwaliteiten had Didrikson volgens eigen zeggen van haar moeder, die in Noorwegen een gerenommeerd skiër en schaatster was. Maar volgens de coaches die ze in de loop der jaren heeft gehad, waren het vooral haar leergierigheid en enorme trainingsijver die haar aan de top van zoveel sporten brachten. Uren achtereen, zonder zichzelf ook maar een eet- of drinkpauze te gunnen, kon ze werken aan het afstandsschot bij basketbal of de techniek van het ver- of hoogspringen. “Ik trainde, trainde, trainde”, zegt ze in haar autobiografie. “Dat deed ik bij iedere sport waaraan ik begon.”

En dat bleef ze doen, bijna tot aan haar dood in '56, toen ze al vele jaren de beste golfster ter wereld was. “Wat probeer je te doen, jezelf te doden”, vroeg een coach eens, nadat ze meer dood dan levend van een training was teruggekomen.

In de zomer van 1932 kwam Didriksons voorspelling van precies vier jaar eerder uit: ze nam deel aan de Olympische Spelen. In Evanston had ze de limiet gehaald voor vijf onderdelen, maar in Los Angeles nam ze slechts deel aan drie nummers, meer stond het IOC een atleet niet toe. Ze won goud met een nieuw wereldrecord bij het speerwerpen en goud met een nieuw wereldrecord op de 80 meter horden. Samen met Jean Shiley verbeterde ze ook het wereldrecord bij het hoogspringen. Daarna ging de lat nog driekwart inch hoger, maar beide atletes misten. Vervolgens werd de lat onder het zojuist gevestigde wereldrecord gelegd; wie die hoogte bij de eerste poging haalde, mocht zich winnaar van het goud noemen. Beide vrouwen gingen over de lat, maar de jury oordeelde dat Didriksons sprong niet volgens de regels was. Haar voeten gingen niet als eerste lichaamsdeel over de lat, zoals in die tijd verplicht was. Ondanks het met Shiley gedeelde wereldrecord moest Didrikson daarom genoegen nemen met een zilveren medaille.

De Spelen van Los Angeles spraken zeer tot de verbeelding in Amerika. Het waren de jaren van de Great Depression. Veel Amerikanen konden door de Spelen even de troosteloosheid van het dagelijks bestaan vergeten. Kranten pakten enorm uit, met extra sportpagina's en talloze details over de topsporters.

Verhalen over Didrikson waren favoriet bij zowel verslaggevers als lezers, omdat ze als geen ander de kracht en de mogelijkheden van de Verenigde Staten symboliseerden.

Na de Spelen had ze daardoor de status van een Hollywood-filmster, hoewel haar omgangsvormen eerder die van een joviale, wat grof gebekte volksmeid waren.

Het Amerikaanse publiek liep echter met haar weg. Aan 'serieuze' sportbeoefening kwam ze mede daardoor nauwelijks nog toe. Ze reisde het land af voor allerlei goed betaalde demonstraties, onder meer een tijdje als werpster van een verder uitsluitend uit mannen bestaand honkbalteam. Ook trad ze een aantal avonden, samen met enkele ervaren entertainers, op in een theatershow in Chicago. Op het toneel sprong ze over een paar horden en op een lopende band trok ze een sprintje. Ze zong een liedje en speelde een deuntje op haar mondharmonica. Een recensent van de Chicago Tribune vond het prachtig, net als het publiek. De zaal was iedere avond uitverkocht, waarna theaters op Broadway haar benaderden om naar New York te komen.

Dat is er nooit van gekomen. Ze miste de spanning van echte sportwedstrijden.

Daarnaast had ze inmiddels een sport ontdekt waardoor ze zeer gepassioneerd was geraakt: golf. En ook in die sport wilde ze de beste worden. Om dat doel te bereiken trainde ze maandenlang van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat.

Het tweede toernooi waarin ze uitkwam, won ze. Het was de eerste van liefst 81 toernooien die ze tot haar dood op haar naam schreef. Haar grootste golfsuccessen - als Babe Didrikson Zaharias, ze was inmiddels getrouwd - waren het winnen van het wereldkampionschap (vier keer), de US Open en het vermaarde British Women's Amateur Championship.

Didrikson stierf op 27 september 1956, 45 jaar oud. Ze leed toen al enige tijd aan kanker. Vooral na haar dood werd de baanbrekende rol die ze speelde bij de emancipatie van de vrouw op sportgebied unaniem geprezen. Net als haar voortrekkersrol bij de professionalisering van vrouwensport. Didrikson was een van de oprichtsters van de Ladies Professional Golf Association. Door haar jarenlange golfactiviteiten veranderde ze indirect ook het sociale gezicht van de golfsport. Steeds meer mensen die net als Didrikson uit de lagere sociale klassen kwamen, wilden weleens een balletje slaan. Aanvankelijk tot grote ergernis van de happy few die het maar niets vond om de rustieke greens te delen met 'volkse types'.

In de beginjaren van haar carrière waren de meningen over Didrikson minder eensgezind. Haar prestaties leidden zowel tot lof als tot snerende opmerkingen.

In die tijd was het sociaal niet geaccepteerd dat vrouwen de voorkeur gaven aan zoiets triviaals als de beoefening van topsport boven het stichten van een gezin. Haar gespierde lichaam zorgde regelmatig voor weinig complimenteuze commentaren in de pers en zelfs tot posters op middelbare scholen waarin meisjes werden gewaarschuwd om toch vooral geen 'spierbundel' te worden. Ook haar uiterlijk en gedrag werden met argusogen bekeken. Jarenlang had ze een kortgeknipt 'jongenskoppie', make-up droeg ze zelden of nooit. En ze nam nooit een blad voor de mond.

Ooit wilde een verslaggever haar interviewen over haar kleding. “Wil je soms weten of ik een corset en bh's en dat soort zooi draag”, vroeg ze hem. Toen hij jaknikte, bitste ze hem toe: “Het antwoord is nee. Wat denk je dat ik ben, een sissy?”

    • Paul de Lange