De vergeten keizerin van Berlijn

RIE MASTENBROEK; geboren in 1919. Drievoudig olympisch kampioen zwemmen. Won in 1936 als 17-jarige op de Spelen van Berlijn vier medailles: goud op de 100, 400 en de 4x100 meter vrije slag, en zilver op de 100 meter rugslag. Vestigde zeven wereldrecords.

Ze geniet lang niet de bekendheid van Fanny Blankers-Koen, Ada Kok of Anton Geesink. Maar bij de Olympische Spelen van 1936 was zwemster Rie Mastenbroek de 'keizerin' met drie gouden medailles en één keer zilver. Ze was na de Amerikaanse atleet Jesse Owens de meest gelauwerde olympiër van de Spelen in Berlijn.

Ze zit diep weggezakt op de bank in haar Rozenburgse flat. De kat op schoot en haar onmisbare looprek binnen handbereik. Ze oogt somber. “Ik heb duizend-en-één kwalen”, zucht Rie Mastenbroek. “Allerlei slijtage, artrose gewrichtsreuma, darmproblemen. De afgelopen zes jaar heb ik twee heupen gebroken. Vorig jaar kreeg ik een dubbele longontsteking, met allerlei complicaties. Nou haal ik het niet meer, nou ga ik dood, dacht ik. Ik ben een wrak, ik kan geen halfje brood halen zonder mijn auto. Die kan ik gelukkig nog gebruiken.”

Haar lichaam is nóóit gezond geweest, zegt de 77-jarige oud-zwemster. Ze vertelt dat de arts Kolf, trainer van de nationale roeiers, dat al bij de Olympische Spelen van 1936 vaststelde. “Ik kreeg het daar in Berlijn héél benauwd in het water. Kolf dacht dat er iets ergs aan mijn schildklier mankeerde. Dat was niet zo, ik kreeg onvoldoende zuurstof, maar dat wist toen nog geen mens. Vanaf mijn geboorte moet ik bloedarmoede hebben gehad. Dat bleek na het ernstige auto-ongeluk dat mijn zoontje en ik hadden op 26 februari 1968, op ons beider verjaardag. Ze wisten ook niet welk bloed ze me toen moesten toedienen. De dokter zei later iets van: 'Ik zou wel eens willen weten wat je als zwemster vroeger zou hebben gepresteerd, als je gezond was geweest'. Ik keek daar wel even van op.”

Ineens schiet Mastenbroek in de lach en verstopt de onderkant van haar gezicht achter haar hand. Het bezoek voelt dat ze iets bijzonders gaat verklappen. , Het begon al heel slecht met me”, flapt ze eruit. “Ik was een buitenechtelijk kind. Mijn vader en moeder hebben zesenveertig jaar lang een verhouding gehad, maar ze zijn nooit getrouwd. Pa kwam af en toe eens langs waaien. Pas in 1940 zijn ze gaan samenwonen. Dat alles was vroeger natuurlijk iets heel aparts, een grote schande zelfs. Ik leefde lang alléén met mijn ma op de Botersloot in Rotterdam, waar mijn grootouders een café hadden.”

Ze leerde heel jong zwemmen in wat ze noemt “het luizenbad”. Dat lag aan de Singel, op een steenworp van de huidige Bijenkorf. “Verderop had je nog een klein bassin, aan de Schiedamse Singel”, herinnert ze zich. “Daar ging ik ook vaak heen.” Als lagere-scholiere mocht ze naar een groter bad, aan de Tuinderstraat. Ze vergeet het nooit, zegt ze, omdat het vijfendertig cent per keer kostte (“dat was in die tijd een heleboel geld”) en omdat ze er “heel veel kattekwaad” uithaalde. Ze giechelt. “Het was soms zó erg dat mijn moeder moest komen. Dan had ik al een pak slaag gehad, voor ze wist wat er aan de hand was.”

Mastenbroek weet nog dat ze aan de Tuinderstraat op zekere dag werd aangesproken door twee trainsters van de zwemclub. “Je moet wedstrijden gaan zwemmen, zeiden die dames, want je hebt volop talent. Ze zouden zelfs een olympisch kampioen van me kunnen maken, voorspelden ze. Wist ik veel wat een olympisch kampioen was? Ik was elf jaar. Eén van die twee bleek de toen al bekende Ma Braun.”

Marie Braun-Voorwinde (1881) was van 1912 tot 1931 hoofd van de gemeentelijke zweminrichting afdeling dames te Rotterdam. Iedereen noemde haar 'Ma', omdat ze een dochter had die ook Marie heette - die werd 'Zus' genoemd. Ma Braun was gedurende diverse perioden bondstrainster, tot 1948. Ze had volgens de Sportencyclopaedie “grote kennis van en veel enthousiasme voor de zwemsport”.

Mastenbroek ging met Braun in zee, hetgeen haar leven ingrijpend veranderde.

Alles was voortaan op haar zwemcarrière gericht. “Meteen kreeg ik mijn hele familie op mijn nek. Rieki mocht dit niet, Rieki mocht dat niet, Rieki mocht zus niet, Rieki mocht zo niet. Ma Braun? Als je goed zwom, dan prees ze je de hemel in. Zwom je slecht, dan hoorde je zware kritiek. Het is diverse malen voorgekomen dat ik een oplazer van haar kreeg. Het was een onberekenbaar mens.”

Mastenbroek zwijgt even - het is te zien dat ze zich achter haar grote bril opwindt. “Vóór de Olympische Spelen van '36 was ik een keer met Ma Braun in Engeland. Daar ontmoetten we mister en misses Moore, de bazen van Little Wood Houses, een grote keten van warenhuizen. Die mevrouw Moore had een zuster in Hilversum, ze kende een paar woorden Nederlands. Plotseling werd Ma Braun ergens laaiend over: 'Godverdomme', klonk het luid. Misses Moore voelde zich vreselijk opgelaten. Ze zei: “My sister learned it me, it is a bad word.”

'Dat is het zeker', voegde ik eraan toe. Zo'n vloek uit de mond van een vrouw, en dat in de jaren dertig. 't Was eigenlijk een manwijf, die Braun.''

Maar bewees het succes dan niet haar gelijk? “Ja, maar zonder kinderen met talent haal je geen medailles”, werpt Mastenbroek tegen. “Goed, in bepaalde opzichten was ze haar tijd vooruit. Nee, niet met haar trainingsmethoden. Ik denk dat ze eigenlijk nergens verstand van had. Je moest van haar bruine bonen eten en paardenbiefstuk. Nou lachen ze daar toch om? Paardenbiefstuk - mijn moeder zette die op tafel, ze zou niet anders durven! De hele familie stond zo'n beetje onder curatele van Ma Braun. Na mijn successen bij de Spelen wou ze mijn moeder uit de ouderlijke macht laten zetten, om mij te dwingen bij haar in huis te gaan wonen.”

Haar moeder voor het gerecht. “Gelukkig zei de rechter: 'Ik denk dat deze vrouw zelfstandig genoeg is om een kind groot te brengen, want tot nu toe heeft ze blijk gegeven dat ze dat kan'. Met die affaire was mijn relatie met Ma Braun, die potentaat, natuurlijk erledigt, afgelopen, schluss. Ik heb daarna een poosje niet gezwommen. Nóóit, nóóit zou ik het allemaal willen overdoen.”

In de aanloop naar Berlijn was alles pais en vree. Onder Ma Braun trainde Mastenbroek aanvankelijk in een Rotterdams 15-meterbadje. Tussen de recreanten.

“Ik was er elke dag om kwart over twaalf”, weet ze nog, “om tien voor half twee moest ik weer terug op school zijn. Een paar maanden voordat de Spelen begonnen, mocht ik naar een elitair zwembad, dat van de Roei- en Zeilclub De Maas. Dat was wat! Een meisje uit een arbeidersgezin temidden van de apothekers, de architecten, de advocaten. Het was een 50-meterbad, dat was lekker. In zo'n 15-meterbassin bleef je keren en dat was toch al mijn sterkste kant niet.”

Samen met Ma Braun, zwemmer Piet Stam en schoonspringer Hans Haasman ging ze een week voor de openingsceremonie - eerder dan de rest van de olympische equipe - naar de Duitse hoofdstad. Met de trein. “Ma Braun wilde er vroeg zijn om die Amerikanen te bekijken”, vertelt Mastenbroek. “En om te trainen en te acclimatiseren. Ik was intussen al wel wat aan reizen gewend en ik had enige ervaring. Vergeet niet dat ik in 1934 al meervoudig Europees kampioen was. Toen haalde ik in Maagdenburg drie gouden en een zilveren medaille.”

Mastenbroek kan zich het olympische toernooi van '36 nog zó voor de geest halen. Ze grinnikt als ze terugdenkt aan de finale van de 400 meter. “De Deense Hveger was de gedoodverfde favoriet. Eén dag voor de finale kreeg Hveger van haar supporters een superdoos met chocolaatjes. 'Krijg ik er een', vroeg ik haar. 'Nee', was het antwoord. 'Nou, daar zal je spijt van krijgen', riep ik. Ha-ha. Ik nam revanche, bleef haar de baas, het goud was voor mij.”

Heel bijzonder verliep de finale van de 100 meter rugslag. “Nida Senff, een Nederlandse, en ik lagen op kop. Zij miste halverwege haar keerpunt, zwom vervolgens doodleuk terug om het alsnog aan te tikken. Daarna haalde ze me weer in en bleef me vóór. Als zij een Engelse of een Amerikaanse was geweest dan had ze niet gewonnen. Dan had ik alles op alles gezet om haar terug te pakken. Ik berustte, omdat ik al zo veel achter mijn kiezen had. Ik had al meer afstanden gezwommen. Met series, halve finales en zo. Er komt natuurlijk ergens een einde aan je krachten. Dan kun je niet tegen een vers iemand als Senff op.”

Na haar tweede gouden plak (100 meter vrije slag) sloeg Mastenbroek nog een derde keer toe. Als lid van de estafetteploeg op de vier maal 100 meter. “Ons kwartet werd eerste, maar het was bepaald geen hecht team, welnee”, weet Mastenbroek nog. “Ma Braun en mevrouw Van Wijkhuizen, de trainster van Willy den Ouden, waren als water en vuur. Braun zou me een doodklap hebben gegeven, als ik ook maar ièts tegen die Van Wijkhuizen zou hebben gezegd. Alleen wat van Braun was, telde voor Braun. Als Den Ouden en ik in Berlijn een tourniquetje naderden, spoorde Braun me aan er als eerste door te gaan, vóór te dringen. Dat hoorde bij het oppeppen. Braun was trouwens óók bijgelovig.

De jurk die ze droeg bij mijn eerste gouden medaille, heeft ze de Spelen lang gedragen. Ze stonk waar ze stond.''

In Berlijn zag ze Hitler. Van dichtbij. “Vóór de Spelen begonnen, was Hitler al aanwezig bij een van mijn trainingen”, kijkt Mastenbroek terug. “Ik herinner me dat hij bij allerlei voorwedstrijden op de tribune meeleefde. Iedereen riep dat het de Spelen van Hitler waren. Dat is niet zo.

Toen hij in '34 aan de macht kwam, waren de Spelen al twee jaar aan Duitsland toegewezen. Hitler deed eerst alles om het sportfeest tegen te werken. Hij was in gedachten al bij oorlog en wilde niet zoveel miljoenen aan de sport uitgeven. Toen hij zag dat de Spelen koste wat kost moesten doorgaan, heeft Hitler ervoor gezorgd dat ze onvergetelijk waren. Hij schiep er een perfect klimaat voor.''

Het meest indrukwekkende moment beleefde Mastenbroek in Berlijn na haar triomf op de 400 meter. “Het verspringen liep uit, waardoor ik vijf uur moest wachten op mijn huldiging in het Olympisch Stadion”, vertelt ze. “Maar die ceremonie was fantastisch! Wat je later in de oorlog zag, al die schijnwerpers die naar boven kwamen, dat zag je toen in dat stadion ook: enorme lichtbundels nog nooit had iemand zulke lichtbundels gezien. Het was tevens het begin van de sluitingsceremonie van de Spelen. Die is me altijd bijgebleven.”

Na haar breuk met Ma Braun, eind '36, zwom Mastenbroek “voor de lol” bij de inmiddels opgeheven Onderlinge Dames Zwemclub, waarvan ze erelid is. “Ik had geen fut meer om aan wedstrijden mee te doen”, verduidelijkt ze. “Ik voelde me zo belazerd door mijn ex-trainster en ook door de bond, de KNZB. Nu die heren niet meer met me op de foto konden, zagen ze me niet meer staan.” De drievoudige olympische kampioene begon aan een zwerversbestaan. Ze trad in dienst van een Hilversumse zwembadbouwer - “vijfenzeventig piek in de maand, maar zoveel kostgeld per week dat ik er niet van kon leven” - en verhuisde vervolgens naar Groningen om tegen een beter loon zwemonderricht te geven.

“Ik moest les geven, maar ik wist van les geven geen moer af”, lacht ze. , Mijn baas heeft me toen uitgeleend, verkocht eigenlijk, aan de familie Blitz in Antwerpen. Dat waren rijke joodse diamantairs en zwemliefhebbers. Ik gaf hun kinderen aanwijzingen, maar dat was niet het belangrijkste. Die Blitzen wilden met me blitsen, pronken. Als ik er maar was, dan was het goed. Het was voor mij een tamelijk zinloos bestaan, tot ik daar in België een Hollands gezin, de familie Van Ree, tegenkwam. Pa, ma, drie grote kinderen en twee nakomertjes. Die man had een vijf- en een zevenpersoons Buick. Daarin leerde hij me rijden, zodat ik de jongste kids naar school kon brengen.”

Al snel mocht de achttienjarige Mastenbroek in zo'n Buick van Antwerpen naar Rotterdam. “Bij de grens moest ik - zo was dat toen - een zwart zakje met 150 zilveren guldens afgeven, met een naamkaartje eraan”, vertelt ze. “Op de terugreis kreeg je dat geld dan weer terug. Triptique noemden ze dat. Mede dank zij die chique auto kon ik in Nederland weer aan wedstrijden meedoen. Het viel de bondsbestuurders op dat ik nog steeds snel was. Geen wonder, in Antwerpen zwom ik tegen knullen en ik pakte ze allemaal. De KNZB vroeg me of ik in '38 meeging naar het Europees kampioenschap in Londen. 'Ik voel daar niet voor', zei ik. 'Als je het niet doet dan verklaren we je professional', was het antwoord. Mocht ik dus nooit ergens meer meedoen. Kinderachtig, niet waar? Ik had niet eens een diploma om les te geven.”

De oorlogsjaren waren voor Mastenbroek niet gemakkelijk. “Ik was na mijn Antwerpse avontuur in '39 naar Amsterdam verhuisd, ben getrouwd en kreeg twee kinderen”, vertelt ze. “Met mijn man, hij heette Kuiper, had ik geen slecht leven. Maar zijn ouders waren zó dominant, dat ik met twee peuters uit huis ben vertrokken. Gescheiden, ja, in '45. Het was hard, ik moest voor het gezin zorgen. Ik werkte als tolk, deed vervolgens de boekhouding in een specialistenkliniek en ik was inspecteur van gebouwen. Ook volgde ik de zogenoemde industrieschool. Na mijn tweede huwelijk - ik heet nu De Wit - kreeg ik tijd voor allerlei interesses. Zo was ik tot voor kort hier in Rozenburg nog voorzitter van de bond van ouderen.”

In haar huiskamer herinnert weinig meer aan haar indrukwekkende zwemcarrière.

“De medailles”, vraagt ze. “Eén gouden heb ik destijds geschonken aan de actie Open Het Dorp, een andere ging naar Eén Voor Afrika. Mijn jongste kind heeft de derde, mijn dochter heeft de zilveren. Ik had er nog veel meer van andere toernooien. Tweemaal ben ik ze bijna kwijt geweest. De eerste keer had mijn zoontje ze op school uitgedeeld aan vriendjes, de tweede keer had hij ze met Luilak aan een touw achter zijn fietsje gebonden.”

Een olympisch diploma moet volgens Mastenbroek nog in het bezit zijn van de zwembond, met wie ze geen goed contact onderhoudt. Ze verwijt de KNZB “zeer slordig” te zijn geweest. “In de jaren zestig is er bij de zwembond een invitatie binnengekomen uit Amerika”, zegt ze. “Van de Swimming Hall of Fame waar mijn foto in de galerij van die hal kwam hangen. Die uitnodiging heb ik pas twee of drie maanden later van de KNZB ontvangen. Ik weet ook dat er brieven voor me bij de zwembond binnenkomen, met verzoeken om handtekeningen.

Als de secretaresses mijn adres niet snel kunnen vinden, maken ze die brieven open. In wezen kan me dat niks schelen, maar het hoort natuurlijk niet. Ach, de mensen van deKNZB deden zo veel verkeerd, het is allemaal bla-bla-bla-bla-bla. En intussen maar schelden op de Duitsers. Nou, die hebben meer respect voor oud-kampioenen.''

Mastenbroek doelt op een trip, die ze in 1986 op uitnodiging van het Duitse olympisch comité naar Berlijn maakte. Drie nog levende grootheden van de Spelen van 1936 waren daar als eregasten van de partij: Kitei Son, de Koreaanse winnaar van de marathon, die voor (de bezetter) Japan moest uitkomen de atleet John Woodruff en Mastenbroek. “Dat was nog eens een happening”, herinnert Mastenbroek zich. “Weet je wat de hoge olympische baas Willy Daume daar zei? 'Dames en heren, zoals u weet was Jesse Owens de keizer van de Spelen van '36. Maar daar was ook nog een jong meisje, dat was de keizerin'.

En hij wees naar mij. Toen stonden alle vierhonderd mensen op om voor mij te applaudisseren. Dan denk je: je bent toch iemand, Rieki, hoewel je de mensen, als het om Olympische Spelen van vroeger gaat, nooit over iemand anders hoort dan Ada Kok en Fanny Blankers-Koen. Ze zijn mij vergeten, net als die ruiter, Pahud de Mortanges. Die won toch even vier of vijf keer olympisch goud en een keer zilver, in de jaren twintig en dertig. Zijn vrouw hield niet van sport, ze heeft zijn medailles op het Waterlooplein verkocht.''

Dat reisje naar Berlijn, waar ze na vijftig jaar terugkeerde in de kleedkamer van '36, vergeet ze nooit. “Natuurlijk ging het daar ook weer over Hitler.

Twee Nederlandse journalisten probeerden me in dat verband de Duitsers zwart te laten maken. Nou, daar heb ik me niet voor geleend. Die mensen waren op die reünie zo aardig voor me.

Toen bleek dat ik de verkeerde medicijnen van huis had meegenomen, brachten ze me meteen bij een internist, een bestuurslid van het Duitse olympisch comité.

Ik zei hem welk medicijn ik nodig had. 'Gebruikt u dat medicijn al zeven jaar' vroeg hij me. 'Dan moet u eens naar uw arts gaan', zei hij, 'en zeggen dat dat niet kan, want u mag het maar een jaar slikken.' Weer thuis ging ik naar mijn huisarts, met dat Duitse doosje medicijnen. Hij zei: 'Nou, die kleremoffen zullen het wel weer beter weten.' Dat is geen antwoord, daar zakte mijn broek echt van af. Ik vroeg een second opinion en kreeg te horen dat die Duitse internist gelijk had.''

In 1972, zesendertig jaar na haar olympische triomfen, nodigde de KNZB Mastenbroek uit voor een bezoek aan de Spelen in München. Het werd geen aangenaam uitstapje: van dichtbij maakte ze de slachting onder de Israeliërs door Palestijnse terroristen mee. “Afschuwelijk”, herinnert ze zich. “Ik ben na die moorden naar de synagoge gegaan. Heel benauwd. Een Duitse psycholoog had het drama voorspeld. Hij had de politie en andere instanties gewaarschuwd. Wat was er gebeurd? Een groep Amerikanen was met bezopen koppen over het hek van het olympisch dorp geklommen. De wachters daar hielden ze aan.

Maar die bewakers zagen nog anderen over het hek klimmen. Ze dachten: dat zullen nog meer Amerikanen zijn. Helaas, dat was dus niet zo.''

'The games must go on', zei voorzitter Brundage van het IOC destijds.

Mastenbroek vindt dat hij gelijk had. “Gelast je die Spelen af, dan geef je toe aan terrorisme”, zucht ze. “Waar moet het dan naar toe?” Het wordt even stil in de huiskamer. Mastenbroek leunt achterover, oogt ineens heel bedroefd.

Ze vertelt over haar echtgenoot, die zo ernstig lijdt aan de ziekte van Alzheimer dat hij naar een tehuis moest. “Soms herkent hij me, soms helemaal niet. Vreselijk. Wat een wereld trouwens, foei, foei. De mensen vreten elkaar op, draaien elkaar de nek om. Een jongetje van elf verkracht een meisje van vijf. Als je dat leest, dat is toch niet te geloven. Je bent in de aap gelogeerd als je kleine kinderen hebt. De hele mensheid zou moeten vergaan, op twee goede stammen na, zoals in de tijd van Noach.”