'De Serviërs hebben Dutchbat vorig jaar gered'

SREBRENICA, 12 JULI. Voor een volle zaal brengt het plaatselijke kinderkoor het volkslied van de Servische Republiek ten gehore: “God, red de Servische geschiedenis en het Servische volk.” Wellicht als klein teken van protest laat Hij de regen tijdens de viering van de 'bevrijding' van Srebrenica met bakken tegelijk over het halfverwoeste plaatsje neerdalen.

De voormalige wachttorens van de VN-troepen liggen er nog net zo bij als tijdens de val van de moslim-enclave een jaar geleden, op het muurtje bij de zandzakken staat zelfs nog HQ Dutchbat gekalkt. Sommige huizen zijn weer enigszins opgelapt, maar de aanblik van ruïnes overheerst. Op het Plein van Broederschap en Eenheid markeert een grote berg stenen de plaats waar zich de moskee bevond, op een afgebrokkelde muur valt nog een Korantekst te ontwaren. In alles wat maar enigszins bewoonbaar is, zijn Servische vluchtelingen uit West-Bosnië en Sarajevo getrokken. Zij vormen de overgrote meerderheid van de huidige bevolking en niemand van hen was aanwezig bij de deportatie van de dertigduizend moslims die er op 11 juli 1995 verbleven.

Dat geldt niet voor de notabelen die om tien uur 's ochtends hun opwachting maken bij de welkomstborrel in het culturele centrum. De plaatselijke top van Radovan Karadzic' Servische Democratische Partij SDS is er, burgemeester Stanisav Rakic, en een groot deel van de hoogste leiders van het Bosnisch-Servische leger, generaal Mladic uitgezonderd. De Nederlandse verslaggever is welkom. Hem wordt verzekerd dat de Serviërs een jaar geleden “de Nederlandse soldaten hebben gered, vlak voordat ze door de moslims als slaven zouden zijn weggevoerd”.

Momcilo Cvjetinovic, leider van de SDS in Srebrenica, zegt er zeker van te zijn dat moslims en Serviërs nooit meer zullen kunnen samenleven. “In Tuzla demonstreren moslim-vrouwen voor duidelijkheid over hun vermiste mannen. Zij treuren en wij vieren feest. Dat laat hun zien dat we niets met elkaar gemeen hebben. Deze oorlog was vreselijk, je kunt je wel voorstellen hoe de volgende eruit zal zien. Iedereen moet blijven waar hij nu is.” De meeste vermiste moslims uit Srebrenica “kwamen bij onderlinge gevechten om het leven”, weet hij, “en ik kan het weten want ik heb aan de bevrijding van onze stad deelgenomen.”

De ochtendborrel vormt het eerste onderdeel van een uitgebreid programma dat twee dagen zal duren. Dr Mirojlup Jevtic uit Belgrado zal een lezing houden over 'islamitisch fundamentalisme'. In de orthodoxe kerk zal een mis worden opgedragen, gevolgd door een bezoek aan de begraafplaats, ter nagedachtenis aan de helden van de natie. Voorts vindt de onthulling plaats van het monument voor Kosta Todorovic, een uit Srebrenica afkomstige legercommandant die in de Eerste Wereldoorlog tegen het leger van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie vocht.

In de hal van het culturele centrum is een foto-expositie ingericht. In vitrines hangen portretten van gesneuvelde Servische soldaten. “Mijn Rade, mijn lieve zoon”, gilt een bejaarde vrouw. Snikkend drukt ze zich tegen het glas aan en roept: “Mijn noodlot, mijn noodlot! Waarom hebben de Ustase je vermoord?”

Naast de vitrines van de 'martelaren van het Servische volk' is de 62-jarige Stefan Milivojevic bezig de foto's op te hangen die hij sinds vorig jaar juli in het 'bevrijde' Srebrenica heeft gemaakt: generaal Mladic, geflankeerd door een pope van de orthodoxe kerk, Radovan Karadzic met de plaatselijke SDS-leiders, een gezelschap bebaarde cetniks. Dan verschijnt plotseling generaal Milenko Zivanovic ten tonele, inmiddels gepensioneerd maar op 11 juli 1995 commandant van het Drina-korps en als zodanig samen met Mladic bevelhebber van de troepen die Srebrenica bestormden.

“Ik respecteer uw komst”, zegt de generaal, “maar u was in uw vak een Eiffeltoren geweest als u iets geschreven zou hebben over de verwoesting van mijn dorp. Mijn geboortehuis is verbrand, het huis dat ik bouwde verwoest, mijn familie gedood. Ruim honderd van onze burgers zijn er vermoord.” Dat gebeurde op 12 juli 1992, toen moslims uit Srebrenica enkele dorpen in de omgeving aanvielen. De daders waren Turken, zegt hij, want zo noemt hij de moslims consequent. Hij heeft “een databank” ter beschikking vol namen van Servische slachtoffers van “de Turkse agressie”.

De generaal is niet gewend om vragen te beantwoorden, hij prefereert de monoloog. En zo raast hij door de geschiedenis, van 1914 naar 1942 en van 1992 weer terug naar de Eerste Wereldoorlog. Steeds waren de Serviërs het slachtoffer en niemand die het voor hen opnam, ook nu niet en zelfs niet het Joegoslavische JNA-leger dat de voorkeur gaf “aan het communistische utopia”.

Over Dutchbat geen kwaad woord van de generaal. “Hele goede vrienden van me, hun commandant is een waar voorbeeld van vakmanschap.” De Nederlandse soldaten verdienen volgens Zivanovic “alle mogelijke” eer. “Ze begrepen alleen niets van de mujahedeen en dat is logisch ook, want moslims liegen altijd. Ik zei nog tegen Karremans: de Turken zullen jouw onvoorzichtigheid gebruiken en een van jullie mannen doden om ons daarvan de schuld te kunnen geven. En zie wat er gebeurde? Een Hollander kreeg een moslim-kogel door zijn hoofd.” Zelf heeft hij tijdens de inname van Srebrenica nog veertig Nederlanders gered, meldt hij. “Ik bracht ze naar het hotel, liet een paar varkens slachten en zei ze: neem maar eens even pauze.”

Van executies is de generaal niets bekend, van het wegvoeren van de moslim-mannen evenmin. Aan getuigenissen van 'Turken' hecht hij geen waarde. “Ook Dutchbatters verklaren executies te hebben waargenomen? Goed dat was dan misschien een Turk die een Servische moeder had afgemaakt. Meerdere executies? Nou ja, er zijn ook vele Servische moeders vermoord.” De generaal krijgt er zin in, inmiddels staat een veeertigtal mensen aandachtig luisterend om hem heen. Na een nieuw breedvoerig uitstapje naar 1914 komt hij op het punt van de achtduizend vermiste moslim-mannen.

Wie in Potocari aankwam, is netjes naar moslim-gebied afgevoerd, stelt de generaal. “Maar voor hen die naar de bergen vluchtten, kan ik geen verantwoordelijkheid nemen. Als je iemand in de bossen tegenkomt, kun je geen vragen stellen. De vermiste Turken zijn de mannen die Servische begraafplaatsen hebben verwoest, die Servische vrouwen en kinderen vermoordden, zijn de mannen met bloed van hun handen tot aan hun schouders.” Hoeveel moslims door zijn troepen zijn gedood kan Zivanovic niet zeggen. “Ik ben geen kantoorklerk. Ik tel geen mensen, hoveel duizend het er waren, ik heb geen idee.”

Dat collegageneraal Mladic door het Haagse tribunaal als oorlogsmisdadiger wordt bestempeld, verbaast hem niet. “Hoge bomen vangen veel wind. Maar ik weet wie Mladic is. Iedere natie zou gelukkig zijn met zo'n genie. Hij staat borg voor menselijkheid, eerlijkheid en rechtvaardigheid. In het gevecht ben ik een harde, maar evenals Mladic ben ik een vredelievend mens, vraagt u dat maar na bij overste Karremans. Ze noemen ons Serviërs agressors. Maar hoe kan je een agressor zijn in je eigen land?”

In het hotel van Srebrenica, een zwaar beschadigd gebouw zonder ramen in de sponningen, worden familieleden van gesneuvelde soldaten op een maaltijd getrakteerd. Ze luisteren geduldig naar de toespraken die legerleiders en de plaatselijke SDS-voorman over hen uitstorten. De langste komt van generaal Zivanovic die nog eens memoreert dat hij het was die “een jaar geleden, om tien voor half vijf precies” de vlag van de Servische Republiek in Srebrenica kon hijsen. “God zal het paradijs openen voor onze gesneuvelde martelaren”, zegt hij, onder luid applaus.