De schepping overtroffen, God gefopt; Tentoonstelling van technische wonderen in Wenen

Sinds de mens machines kan verzinnen, heeft hij er wonderen bij bedacht. In Wenen is daarover een tentoonstelling ingericht, waarop de maquette van een trechterhuis, een virtueel beeldscherm uit de jaren zestig en nog vele andere 'wondermachines' te zien zijn. “Wat gisteren een onbereikbaar wonder, een wensdroom leek, is vandaag huismachine.”

Wunschmachine Welterfindung. Kunsthalle, Karlsplatz, Wenen. Di t/m zo 10-18u. Do en vr. 10-20 u. T/m 4 aug. Catalogus: Uitg. Springer. Harald Szeemann e.a. Le Macchine Celibi/The Bachelor Machines, Zürich, 1975.

In de Weense Kunsthalle valt een curieuze tentoonstelling te bezichtigen: Wunschmaschine Welterfindung, een uitstalling van technische wonderen, gedroomde, verwezenlijkte en van alles en nog wat dat tussen droom en daad is blijven zweven. Eerst, ter oriëntatie, vier wonderen van vandaag en morgen, wonderen die het einde van hun wonderschap hebben bereikt en die niet in Wenen te zien zijn.

1. Eind juni is de klaverturbine Oudenrijn in gebruik genomen, het wegenwonder van fly-overs, breistroken, rechten en cirkels dat de automobilist voor de file moet behoeden, dat wil zeggen in het spitsuur enkele duizenden een half uur eerder op hun plaats van bestemming laat zijn. Het kost 83 miljoen gulden.

2. Zit je in een vliegtuig dat van Schiphol vertrekt of daar aankomt dan zie je naast de baan op de daarvoor aangelegde parallelweg auto's staan. Daarin zitten de vliegtuigspotters, mensen die piloot hadden willen worden en ook, hoop ik, sommigen die altijd weer verbaasd zijn over het schouwspel van een zich verheffende Boeing 747 - niet als een zwaan zoals de reclame wil; meer als een corpulente eend. Eerder struikel je over een artistieke steen op het Spui dan dat je neerstort in een jumbo.

3. Bij het starten en landen mogen de passagiers geen elektronische machines gebruiken. Maar als je op tien kilometer hoogte met 1000 kilometer per uur het andere continent tegemoet vliegt, zie je de geavanceerde passagiers op hun notebook werken, een ding dat nog geen drie kilo weegt en een geheugen van zoveel gigabytes heeft dat zelfs een duizendkunstenaar meer dan één leven nodig heeft om het tot de laatste byte te gebruiken.

4. Als Nederland en Engeland in de loop van de volgende eeuw hun achterstand in de spoorwegbouw hebben ingehaald zal het mogelijk zijn, een dagretour Amsterdam-Londen te kopen. Je rijdt dan via Rijssel en de Kanaaltunnel. Nu, sinds 2 juni, kun je met de Thalys al gemakkelijk op één dag heen en weer naar Parijs.

Klaverturbine, opstijgende jumbo, computer-notebook, hogesnelheidstrein door Kanaaltunnel, objectief, dat wil zeggen buiten de tijd gezien, zijn het vier wonderen, van Verne-achtig kaliber. Maar het zijn gebruikswonderen, consumptiemirakels. De automobilist is boos als hij op de radio hoort dat er weer files in de klaverturbine staan; de koffie in de Thalys is te duur, de stoelen in de jumbo zijn te nauw, de notebookschrijver is van de kaart als zijn draagbare wonder faalt; belt in het vliegtuig zijn dealer om zich te beklagen. Ieder wonder heeft zijn ongemak. Uit de relatieve aandacht die we aan het ongemak in het wonder geven kunnen we afleiden in hoeverre we hebben het gedomesticeerd. Wat gisteren een onbereikbaar wonder, wensdroom leek, is vandaag huismachine.

Het bovenmaakbare

Sinds de mensen zich de bekwaamheid hebben verworven om machines te verzinnen en vooral ook te bouwen, wordt er in toekomstwonderen gedacht. Iedere verwezenlijkte constructie inspireert de verbeeldingskracht tot het wensen van een nieuw wonder, het volgende bovenmaakbare. Ook dat wordt gemaakt, en als het eenmaal gemaakt is, wordt het gedomesticeerd.

Er is geen gebied dat voor de verbeeldingskracht gespaard blijft. Dat van de huisvesting en verplaatsing natuurlijk, stedenbouw en middelen van vervoer, ontsnapping aan de zwaartekracht, de medische wetenschap, biologie en biotechniek, en ten slotte ontsnapping aan alle beperkingen van het mens-zijn op alle gebieden. Zo ontstaat de geschiedenis van stoutmoedige denkbeelden, 'futuristische' ondernemingen. Dat is teveel om op te noemen (waaruit blijkt hoe sterk het mens-zijn ons knelt). Dit teveel is nu verzameld in Wenen, op de tentoonstelling die de ondertitel eine Geschichte der Technikvisionen seit dem 18. Jahrhundert draagt.

Alleen al kwantitatief is het een verpletterend evenement. Meer dan 450 objecten, tekeningen, schilderijen, maquettes, modellen, installaties, zijn daar, onderverdeeld in twaalf categorieën bijeen gebracht. Ter toelichting dient een catalogus van meer dan 450 pagina's. Daarin staan 35 essays waarvan de schrijvers hun eigen orde in het gebodene of een deel daarvan aanbrengen. Dit alles maakt dat de bezoeker - aangenomen dat hij een liefhebber is - geneigd is zich te overeten. Voor anderen die misschien liefhebber zouden kunnen worden, dreigt het gevaar dat ze voortijdig zullen denken: gooi het in mijn pet. Ter verdediging van de tentoonstelling zeg ik daarom bij voorbaat dat veelheid en verscheidenheid twee eigenschappen van het onderwerp zijn. Je kunt de tentoonstelling op zichzelf beschouwen als een Wunschmaschine die het niet tot Welterfindung heeft gebracht.

Hoe moet je zo'n jaarmarkt in de beperkte ruimte van de Kunsthalle, een vestzak-wereldtentoonstelling van verjaarde dromen, te lijf? Zoals je de Bijenkorf te lijf gaat, toegevend aan je neiging tot impulsaankopen. We stellen ons voor: we bevinden ons in de afdeling stedenbouw van de toekomst. Het komt ons bekend voor. Geen wonder. De toekomst van gisteren staat bijvoorbeeld al in Den Haag: het gebouw van de Nationale Nederlanden dat de vierbaans-snelweg overspant. De toekomst is de Congrexpo met omgeving van Rem Koolhaas in Rijssel, de Unité d'habitation die Le Corbusier in Marseille heeft gebouwd. Het is boeiend, niet omdat het er misschien eens zal zijn maar omdat het er al is. Megakantoor, evenementenpaleis, individuele behuizing, allemaal te beschouwen als machines. Werkmachine, beleefmachine, woonmachine, met in achtneming van de esthetiek ontworpen voor de doelmatigheid. Het treffendst van de meeste Wunschmaschinen is dat ze voltooid en in gebruik zijn.

Trechterhuis

Maar gelukkig, er staat een grote maquette van het door Walter Jonas in de jaren zestig ontworpen trechterhuis, Intrapolis. (Met de benamingen raken we ook aan het eind van ons latijn; het wordt tijd dat er een taal voor het nieuwe bouwen komt). Dit huis van veertien of vijftien verdiepingen is opgebouwd uit steeds wijder wordende cirkels. De maquette is zo intrigerend dat je de constructie graag in werkelijkheid wilt zien; het is dus nog een Wunschmaschine, die bovendien praktische identificatie uitlokt. Het moet geen pretje zijn, onderin de trechter te wonen: weinig zon en frisse lucht en duizend bovenburen die bij je naar binnen kijken. Maar de constructie is mooi.

Dan zijn er de recente antiquiteiten. Het ontwerp uit 1963, van Walter Pichler voor een draagbare huiskamer. Er was nog geen virtual reality. Pichler heeft een televisieschermpje in een helmvormige koker gemonteerd. Je kunt het ding op je hoofd zetten en op het scherm worden dan huiskamertaferelen vertoond. En nog zo'n vernuftige installatie, recenter. Ver van elkaar verwijderd staan twee bedden die met video voortdurend worden gefilmd. Wat op het ene bed gebeurt wordt op het andere geprojecteerd. Wie op het ene bed actief is kan zichzelf bovendien op drie televisieschermen zien. Stapt bezoeker A bijvoorbeeld op bed A dan kan B, die op bed B ligt, zich virtueel bij hem/haar voegen. Uit dit virtuele samenzijn kunnen dan weer allerlei virtuele verrichtingen voortvloeien. Terwijl uw verslaggever de installatie bezichtigde was de rest van het bezoek blijkbaar wat schuchter aangelegd of had niet begrepen hoe het werkte. Daarom is hij op bed A gaan liggen en heeft wenkende bewegingen gemaakt. Niets gevangen, maar misschien toch het voorbeeld gegeven. Toen ik na een poosje bij bed B was aangekomen was het op het interbed een drukte van belang.

Veel van de tentoongestelde genres zijn met exemplaren vertegenwoordigd in de vitrines van de natuurkundelokalen der middelbare scholen en oude rariteitenkabinetten. Het zijn de machinefamilies die een concreet doel dienen dat men, afhankelijk van de maatstaven der geldende omstandigheden, nuttig of verwerpelijk acht; maar allemaal families waarvan de leden zich aan de wetten der natuurkunde houden.

Twee van deze families zijn niet op de tentoonstelling vertegenwoordigd, hoewel ze hun ontstaan aan diep gekoesterde wensen te danken hebben. Ze horen tot de permanente wensmachines die nog altijd nieuwe generaties wereldvinding baren. Dat zijn de families van de martelmachines en de oorlogswerktuigen. De leden van de eerste winnen voor de gebruiker lust uit pijn, over het algemeen onder het mom dat er recht en waarheid mee worden gediend. Die van de tweede produceren macht. Het gaat om wensen die nooit kunnen worden vervuld omdat op dit gebied ieder door mensen gemaakt machinepark altijd ontoereikend zal zijn. Vandaar de rusteloosheid van het vernuft dat zich met het uitvinden en het vervaardigen bezig houdt.

De tijdgeest verzet zich tegen het tentoonstellen van martelmachines, laat staan dat ze als machines worden erkend. Alleen een bouwtekening van de elektrische stoel heeft het tot de Kunsthalle gebracht, misschien omdat daarmee een revolutionaire toepassing in de elektriciteit was gegeven, een unieke symbiose van een stuk elektrisch gereedschap, een rechtsopvatting en het menselijk lichaam. Jammer genoeg wordt er geen uitsluitsel over gegeven. Voor de rest worden de martelmachines in Wenen stilzwijgend beschouwd als een mindere tak van de famllie. Om die te leren kennen moet je in Amsterdam zijn, in het rariteitenkabinet in de Leidsestraat. Tot dusver heeft geen recensie daarvan de kunstpagina's bereikt.

Goalkeeper

Ronduit jammer is het dat de oorlogsmachines niet aanwezig zijn, ten eerste omdat de oorlog een van de rijkste inspiratiebronnen voor de machinebouw is geweest en nog is; en ten tweede omdat een overtuigd pacifist die plezier schept in het l'art pour l'art van de machine, de prestaties van de wapenscheppers niet kan missen. Ik denk aan de definitie die Rudy Kousbroek van het vuurwapen heeft gegeven: een explosiemotor waarbij de zuiger in de slag verloren gaat. Het temmen van de gasdruk is een van de meest historische menselijke prestaties. Waren wij mensen daar niet in geslaagd dan had er misschien niet eens een Kunsthalle in Wenen gestaan. Daarom alleen al hadden machinewapens als een Colt, een Gatling, een Browning, een Kalasjnikov, een Goalkeeper niet mogen ontbreken. Wat de klaverturbine is voor het autoverkeer is de Goalkeeper voor de rakettenafweer. Sommigen zullen het treurig nieuws vinden, maar de verbeeldingskracht en het scheppend vermogen komen hier tot hun hoogste prestaties. Binnen de grenzen van de wensmachines en de wereldvindingen kunnen de blijde, de mortier, het machinegeweer en de atoombom niet worden gemist. Hoe beschaafder de naties, hoe beter hun wapens.

Dan zijn er nog twee families van belang: die van vader Jean Tinguely, en de vrijgezellenmachines. Merkwaardig: Tinguely komt zelfs in de catalogus niet voor. De familie waarvan hij de vader is - en wat mij betreft zelfs een vader zonder kinderen - is die der machines van de zuivere beweging. Men heeft zijn constructies wel 'machines met vakantie' genoemd omdat ze niets produceren en toch verder alle allure van machines hebben. Ook wordt beweerd dat hij persiflages op machines heeft gemaakt en daarmee allerlei cultuurkritische bedoelingen heeft gehad. Ik geloof er niets van. Tinguely's machines zijn beweging in zichzelf, beweging om de beweging. Het esthetische, meeslepende dat alle machines kenmerkt, is van hun eigenschap tot produceren afgezonderd. Hij heeft de sierlijkheid en de spanning van bewegende drijfstangen, krukassen, draaiende wielen in zijn constructies gevangen. Dat er soms een bal wordt afgeschoten zoals in de Roto-zaza of een tekening gemaakt kunnen we dan beschouwen als een absurde produktie; bevestiging van de voorstelling.

Schrijvend over Tinguely kom je al vlug terecht in de verten van de oeverloze exegesen en daarmee in de theologie van het machinewezen. Hetzelfde dreigt met de beschouwingen over de vrijgezellenmachines. In Wenen wordt er niet meer dan terloops bij stilgestaan. Vrijgezellenmachines hebben als vader Marcel Duchamp; althans, als eerste zo benoemde voorstelling geldt zijn glasschildering La mariée mise à nu par ses célibataires, même. De ontdekking en benaming zijn van de Franse schrijver Michel Carrouges die zijn definitie begint met deze simpele zin: 'Een vrijgezellenmachine is een fantastisch beeld dat liefde verandert in een techniek van dood.' En verder: 'Deze machine verschijnt in de eerste plaats als een onmogelijke, doelloze, onbegrijpelijke, waanzinnige machine.' Dit proza brengt ons niet op een dwaalspoor omdat waarschijnlijk de vrijgezellenmachine in haar aardrijkskundige verschijning het dwaalspoor is. Vandaar de hoofdbrekens die het kost om een sluitende definitie te geven. In één opzicht komt de vrijgezellenmachine met de andere, de 'gewone' overeen: ze vervult een wens die er niet was toen de machine nog niet bestond. Om een voorbeeld uit de wereld van de 'gewone' machines te geven: duizenden jaren heeft de mensheid zonder stofzuiger bestaan. Nadat in het begin van deze eeuw de stofzuiger was uitgevonden werd stofzuigen een algemene behoefte. Bij de aanblik van een vrijgezellenmachine die de naam verdient, ziet men een wens vervuld.

Om het kort te houden: ik ben van mening dat degenen die het weten een vrijgezellenmachine herkennen als ze haar zien. Een goede opsomming van haar uitvinders en mogelijke uitvinders vindt men in André Bretons Anthologie de l'Humour noir. In Nederland zijn ze schaars. In Belcampo's verhaal 'De Driesprong' komt een proeve voor. Verteld wordt hoe het hoofd van koning Wurm II na zijn onthoofding door trouwe aanhangers wordt gered en dan op een schrijfmachine-achtige constructie geplaatst, de volmaakte vervanging van zijn lichaam waarna de beste pianisten van het land hem komen bespelen en hem zodoende alles laten beleven wat hij voor de terechtstelling via zijn lichaam gewaar werd.

In alle machines ligt op z'n minst een begin van concurrentie met de Schepper. Het ontwerpen en maken van machines die beter werken dan handen, gebouwen die meer zijn dan een dak boven het hoofd, het tekenen van kaarten voor volmaakte steden, het verzinnen van voertuigen die sneller gaan dan het snelste levende wezen, die de mens verlengen, tot en met zijn brein en ziel, het is allemaal per slot van rekening het beconcurreren van de Schepper.

Het uitvinden begint als vorm van menselijke creativiteit; het verwezenlijken van de uitvinding - de bouw - is in het vervolg daarop een dienst aan een of andere vorm van doelmatigheid. Maar de laatste consequentie van het uitvinden en bouwen is de vervanging van God. Het moet noodzakelijkerwijs eindigen in de schepping van het Monster van Frankenstein, de robot, de homunculus, de androïde, het wezen dat uit zichzelf kan scheppen; de kunstmens uit de mens voortgekomen, de kwadraatmens, het volmaaktste wat de menselijke verbeeldingskracht gepaard aan de menselijke vaardigheid kan voortbrengen. Ook voor wie niet in een god of 'de' Schepping gelooft, is dit de in een paradox vervatte absolute vervulling: de schepping overtroffen, de niet bestaande god gefopt. Daarmee is alles gedaan wat er door een mens gedaan kan worden. Hij heeft zijn eigen evenbeeld geschapen, het laatste totaal dat hij zich kan voorstellen.

In de Weense Kunsthalle valt dit streven goed te proeven. Het laatste opmerkelijke - dat wil ik er nog even bij zeggen - is dat dit een onideologische tentoonstelling is, dat wil zeggen geen verband heeft met enig systematisch denken over een betere wereld. Per ongeluk of impliciet zijn de samenstellers ervan uitgegaan dat we leven in de machinewereld waarop geen ideologisch oordeel van toepassing is. De machine is en ze blijft, en dat is maar goed ook. In Wenen zijn geen doemdenkers.

    • H.J.A. Hofland