De koning in de schijnwerpers

CARL LEWIS, geboren in 1961 in Birmingham, Alabama. Achtvoudig olympisch kampioen atletiek. Won in 1984 in Los Angeles vier gouden medailles: 100 meter, 400 meter, 4x100 meter en verspringen. In Seoul goed voor twee gouden, op de 100 meter en het verspringen, en één zilveren medaille: op de 200 meter. In Barcelona won Lewis opnieuw twee keer goud: bij het verspringen en op de 4100 meter. Vestigde negen wereldrecords.

Met acht gouden olympische medailles is Carl Lewis de grootste atleet aller tijden. En hij weet nog van geen ophouden. In Atlanta doet de 35-jarige Amerikaan voor de vierde keer mee aan de Olympische Spelen. Wegens commerciële belangen? Of kan King Carl niet zonder de aandacht?

Een van de acht gouden medailles van Carl Lewis, die van de 100 meter van Los Angeles, ligt in de kist van zijn overleden vader. William McKinley Lewis en zijn vrouw Evelyn, die beiden gymnastiekles gaven op een school, waren inspireerden hun derde zoon Carl tot een glanzende loopbaan. Moeder Lewis was in haar jeugd zelf een verdienstelijk hordenloopster die in 1952 tot de kandidaten behoorde voor de Olympische Spelen, maar ze moest wegens een blessure verstek laten gaan bij de kwalificaties.

Het was niet verwonderlijk dat Frederick Carlton Lewis als kind al interesse kreeg voor sport. Hij en zijn twee jaar jongere zuster Carol - olympisch verspringster in 1984 en '88 - werden regelmatig door hun moeder meegenomen naar de atletiekbaan. Eerst speelden ze alleen nog in het zand van de verspringbak, maar al snel waagden ze zelf hun sprongen. Het probleem van Carl was dat hij lange tijd klein was voor zijn leeftijd, waardoor zijn talenten lange tijd verborgen bleven. Pas toen hij in het tweede jaar van de highschool ineens de lucht inschoot, boekte hij in korte tijd grote vooruitgang. En was hij door niemand meer te stoppen.

Hij werd King Carl. Hij draagt de kroon na al die olympische- en wereldtitels.

Maar Carl Lewis is tegenwoordig wel een koning zonder koninkrijk. Hij heerst niet meer in de wereld van de sprint en ook niet meer in die van het verspringen.

De koning is dood, leve de koning!

Maar Carl wil nog helemaal niet dood zijn. Hij wil leven, leven als een held.

Hij werd op 1 juli 35 jaar, maar wil zijn leeftijd niet als een belemmering zien. “Het maakt niet uit of je 35 of 75 bent. Het gaat er om waar je in gelooft.”

En Carl gelooft dat hij nog steeds de beste sprinter en de beste verspringer ter wereld is. Hij sprak over drie gouden medailles in Atlanta. Waarom zou dat niet kunnen, vroeg hij aan iedereen die hem verbaasd durfde aan te kijken. Hij voelde zich fitter dan ooit. Hij had harder getraind dan ooit. Het was de eeuwige strijd tussen gevoel en verstand. Tussen droom en werkelijkheid.

Wie eens de beste is geweest, denkt dat hij voor altijd de beste is. Zelfs als hij wordt verslagen.

Daarom had Lewis ook zijn excuses klaar toen hij zich afgelopen maand tijdens de beruchte Amerikaanse trials niet wist te plaatsen voor de olympische 100 en 200 meter. Die nederlagen hadden, zo verklaarde hij, niets met zijn capaciteiten te maken. En niets met de moordende concurrentie op de Amerikaanse kwalificatiewedstrijden. Op de 100 meter verstoorde een krampaanval zijn mooie plannen en in de finale van de 200 meter lag het aan de baan waarin hij moest lopen, de ongunstige baan 1. Lewis vond dat hij gegeven die slechte omstandigheden een superprestatie had geleverd. Er kon na afloop dan ook geen felicitatie af voor winnaar Michael Johnson, misschien wel de nieuwe koning van de atletiek.

Gelukkig voor Lewis was er nog het verspringen. Op dat onderdeel wist hij wel bij de eerste drie te eindigen, maar het was met de hakken over de sloot. Hij werd derde, met slechts tweeëneenhalve centimeter voorsprong op nummer vier.

Lewis was als een debutant zo blij. “Het verspringen heeft mij nooit in de steek gelaten”, zei hij na afloop. Hij sprak vertederend over my baby.

Lewis won bij drie achtereenvolgende Olympische Spelen goud bij het verspringen (in 1984, in 1988 en in 1992). De kans dat hij in Atlanta het verspringen weer zal winnen, is niet groot. Maar met Lewis weet je het nooit.

Vier jaar geleden, in de aanloop naar de Spelen van Barcelona, behoorde hij ook niet tot de topfavorieten. Maar hij werd wel kampioen, met drie centimeter voorsprong op wereldrecordhouder Mike Powell.

Het zou een waardig olympisch afscheid zijn geweest. Lewis weet echter van geen ophouden. Hij moest en zou ook nog naar Atlanta. “Ik doe al aan atletiek sinds mijn zesde jaar. Nu ben ik 35 en loop en spring nog steeds. Gewoon omdat ik er van hou. Doe ik daarmee iets verkeerd?”

Boze tongen beweren dat Lewis een geldwolf is. Dat hij zich daarom zo heeft ingespannen om Atlanta te halen. Atletiek staat in de Verenigde Staten drie jaar lang niet eens in de middenmoot van de populaire takken van sport. Maar tijdens de Olympische Spelen wijkt plotseling alles voor atletiek. De Spelen zijn heilig voor de Amerikanen, vooral als het evenement in eigen land wordt georganiseerd. Wie op wil vallen, moet er bij zijn.

Een deel van de Amerikanen die Carl Lewis kennen, vindt hem arrogant. De atleet was door de jaren heen ook regelmatig doelwit van laster en achterklap.

Hoewel Lewis zich opwierp als fanatiek tegenstander van doping, werd hij zelf diverse malen beschuldigd van het gebruik van verboden middelen. Andere atleten verspreidden het gerucht dat hij homosexueel zou zijn. Lewis ontkende en reageerde later door op rode pumps op een billboard van bandenfabrikant Pirelli te verschijnen.

De alleen in Europa gebruikte advertentie - hij was te controversieel om in de Verenigde Staten te vertonen - leverde de atleet 100.000 dollar op. Lewis sprak vaak openlijk over de hoogte van premies en salarissen, maar over het totaal van zijn bankrekening heeft hij altijd gezwegen. Lewis zou multi-miljonair zijn. “Om geld hoef ik me geen zorgen te maken”, liet hij zich onlangs ontvallen.

Toen Lewis zich zeventien jaar geleden, in 1979, aan de universiteit van Houston voor het eerst meldde bij zijn huidige coach Tom Tellez, maakte hij onmiddellijk zijn ambities kenbaar: “Ik wil miljonair worden en ik wil nooit een gewone baan hebben.”

Hij kreeg zijn zin. Lewis beperkte zich in zijn carrière niet alleen tot lopen en springen. “Want de wereld is groter dan de atletiekbaan.” Hij verkondigde het evangelie als lid van de beweging Lay Witnesses of Christ. Hij speelde toneel, danste en zong - een van zijn platen werd goud in Zweden. Hij was tv-commentator en schroomde daarbij niet om onaardige dingen over collega's te zeggen. Kortom, hij liet geen gelegenheid onbenut om op de voorgrond te treden.

Vaak benamen zijn nevenactiviteiten het zicht op zijn fantastische prestaties op de atletiekbaan. Alleen daar was hij een echte koning. Lewis werd na zijn vier gouden medailles bij de Olympische Spelen van Los Angeles in 1984 de reïncarnatie genoemd van Jesse Owens, de zwarte atleet die in 1936 in Berlijn voor de ogen van Hitler de concurrentie aan flarden liep.

Owens heeft Lewis zijn grote successen niet zien behalen. Hij overleed op 30 maart 1980 op 66-jarige leeftijd. De twee toppers troffen elkaar een paar keer bij jeugdwedstrijden die de naam van Owens droegen en waaraan Lewis als junior meedeed. Lewis kan zich herinneren dat Owens hem 'veel plezier' wenste.

Dat heeft hij ook altijd voor ogen gehouden in zijn carrière. “Ik ben erg gelukkig. En dankbaar!”

Lewis zal in Atlanta ook veel lachen, heeft hij aangekondigd. Ook als hij onverhoopt niet in de prijzen mocht vallen. Het is jammer dat Lewis niet op de 100 en 200 meter mag starten. Want ook als hij niet wint, is het een lust voor het oog om hem te zien lopen.

Niemand trekt zijn benen hoger op dan Lewis, niemand loopt gestroomlijnder.

Zijn start was nooit fenomenaal, maar zijn enorme eindschot maakte meestal alles weer goed. Uitgerekend in de meest memorabele 100 meter aller tijden, de olympische finale van 1988 in Seoul, lukte dat een keer niet.

Dat moet hem nog steeds mateloos steken. “Ik ben toen verslagen door doping” zegt Lewis als hij er naar wordt gevraagd. Ben Johnson sprintte in Seoul in de onwaarschijnlijk snelle tijd van 9,79 naar het goud, maar werd later gediskwalificeerd wegens dopinggebruik. Lewis, tweede in 9,92, werd alsnog tot olympisch kampioen uitgeroepen. En zo kreeg Lewis alsnog de medaille die hij zichzelf had beloofd bij de begrafenis van zijn vader in 1987.

Lewis wist, zo heeft hij altijd beweerd, al voor de start van de finale in Seoul dat Johnson niet 'schoon' was. Inside Track, zijn in 1990 verschenen autobiografie, begint er zelfs mee.

“Ik had moeite met mijn concentratie toen ik Ben Johnson op de baan zag, voor de finale van de 100 meter. Het was een paar minuten voordat het startschot zou afgaan voor de beslissende wedren van ons leven. Ik liep rond achter de startblokken, mijn armen en benen strekkend, en ging op Ben af om zijn hand te schudden en hem succes te wensen. Ik geef mijn tegenstanders altijd een hand.

Dit was een korte handdruk. Vrienden zijn wij niet. Ben, met zijn rode Adidas-pak en gouden halsketting, gunde mij amper een blik. Ik zei: 'Succes', en terwijl ik hem aankeek viel het me op dat zijn ogen opvallend geel waren. Een teken van gebruik van steroïden. Ben zag eruit als een gewichtheffer en daar was ik intussen wel aan gewend, maar die gele ogen...

“Ik kon mijn gedachten niet losmaken van die gele ogen. Die rotzak heeft het weer geflikt, zei ik tegen mezelf. Van mensen uit Bens omgeving en van andere insiders had ik gehoord dat hij vroeger steroïden had gebruikt om sterker en sneller te worden, om een illegale voorsprong te verkrijgen. Nu had hij volgens mij weer iets gebruikt. Mijn concentratie was weg. Ik bleef mezelf voorhouden: loop je wedstrijd, beperk je tot de wedstrijd”

Acht jaar later zegt Lewis: “Toen ik in 1987 en '88 voor het eerst openlijk sprak over dopinggebruik van atleten, namen mensen mij dat kwalijk. Zoiets deed je niet. Iedereen wist dat er gebruikt werd, maar erover praten mocht niet. Gelukkig is dat veranderd. Het is belangrijk dat atleten tegenwoordig op elk moment gecontroleerd kunnen worden. Het is een illusie om te verwachten dat we de sport in zijn geheel dopingvrij zullen krijgen. Er zullen altijd overtreders zijn, maar we kunnen het ze wel moeilijk maken.”

Over de 'besmette' olympische finale van Seoul en over zijn voormalige rivaal Ben Johnson praat hij niet meer. Hij heeft het liever over zoetere herinneringen. Zo noemt hij de 100 meter bij de wereldkampioenschappen van 1991 in Tokio “de beste race van mijn leven, tot nu toe althans.” Het was zijn technisch beste en zijn snelste sprint. “En ik deed het op 30-jarige leeftijd.”

Lewis won in Tokio in een wereldrecordtijd van 9,86 seconden - zeshonderdste van een seconde sneller dan de 9,92 van de Spelen in Seoul. Op 95 meter lag hij nog achter op Burrell en Mitchell. “Maar toen passeerde hij ons alsof we stil stonden”, was het commentaar van Burrell na afloop.

Het was één van de hoogtepunten uit een schitterende loopbaan. Als een soort eerbetoon laat de Amerikaanse pers Carl Lewis zijn laatste jaren als atleet in betrekkelijke rust doormaken. Er verschijnen geen verhalen meer over zijn ondoorgrondelijke karakter of over zijn commerciële inslag. Verslaggever Gary Smith schreef voor de Olympische Spelen in 1984 in Sports Illustrated een vlammend commentaar. Daarin constateerde hij dat Lewis de uitstraling en persoonlijkheid miste om net zo veel voor de atletiek te betekenen als Mohammad Ali en Magic Johnson voor hun takken van sport. Lewis ervoer die woorden als een klap in het gezicht en noemde de auteur later in zijn autobiografie “de absolute kampioen Carl-belasteren”.

Opmerkelijk genoeg overwon dezelfde verslaggever zijn aversie tegen Lewis nadat deze in 1992 in Barcelona zijn zevende en achtste goud had behaald. Hij noemde Lewis “een saxofonist die niet alleen een nieuwe toon heeft gevonden, maar die ook weet vast te houden”. Tot besluit schreef Smith: “De tijd is aangebroken dat alleen de prestaties nog tellen en dat er niet meer moet gevraagd naar het waarom, hoe, wanneer en waar van deze man.”

Was het ook daarom dat Lewis vorig jaar bij de wereldkampioenschappen in Göteborg met rust werd gelaten?

Kledingsponsor Nike presenteerde toen dagelijks in een zaaltje een paar van zijn sterren. Ze werden op het podium geroepen. Carl Lewis was uiteraard één van de toppers. Hij was de enige atleet die na de verplichte persconferentie geen haast had om terug naar het hotel te gaan. Met zijn manager Joe Douglas bleef hij aan een tafel zitten.

Niemand durfde op hem af te stappen. Of was er geen interesse voor de toen geblesseerde atleet? Waren er inderdaad geen vragen meer voor hem? Na een kwartier stond Lewis op. Hij groette de twee hem onbekende Nederlanders die hem hadden zitten aanstaren en liep naar de uitgang. Good luck, Carl. Hij keek om, leek verbaasd over de respons en knikte vriendelijk terug.

Lewis heeft zich altijd thuis gevoeld in Europa. Daar hebben ze, heeft hij gemerkt, veel meer oog voor atletiek dan in Amerika. Hij is er trots op dat hij en zijn teamgenoten van de Santa Monica Track Club bij wedstrijden in Europa een privébus kregen en in een ander, duurder hotel mochten slapen dan de overige atleten. “Dat zijn niet de belangrijkste dingen in het leven, maar het is wel een bewijs dat we worden gewaardeerd en gerespecteerd.” Het is daarom ook niet vreemd dat Lewis zijn afscheidstoernee heeft gepland langs de grote atletiekbanen in Europa. Het lijkt hem wel wat om met andere voormalige sterren, zoals Linford Christie, in een estafetteploeg te lopen. Want Lewis zou Lewis niet zijn als hij zijn verblijf in de schijnwerpers niet nog even probeerde te rekken.

Maar eerst verdient de koning een waardig afscheid van het olympisch strijdtoneel. Zou hij in Atlanta dan toch nog één keer...?