Brittannië ligt op onbestemde koers

Nederland drijft af naar het continent, is het Britse gevoelen. Een gewaardeerde partner, traditioneel Atlantisch georiënteerd, open naar de wereld, met een cultuur die op zijn minst verwant is aan de Angelsaksische, schuift op in Germaanse richting. Die constatering, al dan niet terecht, stelt Londen teleur.

Zoals Nederlanders een gevoel van in-de-steek-gelaten-zijn hebben overgehouden aan Britse reserves ten opzichte van lange tijd door Den Haag vertroetelde kasplantjes als federalisering en democratisering van Europa. De notie 'wij hebben toch voor jullie toelating (tot de Gemeenschap) gestreden, en wat hebben wij er voor teruggekregen?' is altijd aanwezig op de achtergrond van de Nederlands-Britse relaties.

Zo gesteld wijst die notie op Haagse naïviteit. Wie destijds, tegen de Fransen in, voor een Brits lidmaatschap pleitte, deed dat niet op grond van de verwachting dat een gedreven voorstander van Europese integratie werd binnengehaald. Nederland wàs Atlantisch georiënteerd - het wàs zich bewust van de afhankelijkheid van de Verenigde Staten voor zijn eigen veiligheid. (Over de Amerikaanse rol in de dekolonisatie van Nederlands-Indië was op praktische gronden al snel heengestapt.) Het Verenigd Koninkrijk, met zijn special relationship met Amerika, moest binnen de Europese muren worden geloodst als een garantie tegen, Nederland beangstigende, continentale fratsen op het gebied van de veiligheid.

Den Haag ís inmiddels ruim terugbetaald voor zijn inzet voor Britse toetreding. Zozeer zelfs dat dit specifieke Nederlandse argument voor Britse deelname aan de Europese samenwerking is komen te vervallen. Duitsland, herenigd en wel, heeft zich ontwikkeld tot een van de gewortelde democratieën van Europa. En met president Chirac heeft Frankrijk de weg terug ingeslagen naar Atlantische samenwerking.

De tijd waarin de NAVO nodig werd geacht om 'de Amerikanen binnen, de Russen buiten, en de Duitsers eronder te houden' is voorbij. De indringende vraag van deze tijd is of de Amerikanen betrokken willen blijven bij het nog steeds noodzakelijke werk aan Europa's veiligheid. Het Verenigd Koninkrijk is wat dat betreft evenzeer veroordeeld tot een afwachtende houding als zijn Europese partners. Het biedt in dit opzicht geen meerwaarde meer.

Waarom kunnen de Britten de Haagse percepties dan niet delen? Waarom is er niets terechtgekomen van de door premier Major, kort na diens aantreden als premier, tegenover kanselier Kohl uitgesproken wens om Groot-Brittannië in het hart van Europa te laten opereren? Het antwoord is Britse angst voor herrijzend Duits nationalisme.

Nog niet zo lang geleden heeft Margaret Thatcher zich ongenuanceerd over haar anti-Duitse gevoelens uitgelaten. Maar ook woordvoerders van de Britse regering geven lucht aan hun misprijzen over wat zij zien als een gevaarlijke neiging van de Duitsers om de dingen naar hun hand te zetten.

De voortijdige, door Bonn afgedwongen erkenning van Kroatië, die het uitbreken van de oorlog in Bosnië onvermijdelijk zou hebben gemaakt, het veronderstelde Duitse drijven om Europa in feite de D-mark als betaalmiddel op te leggen en de Duitse eis de Europese centrale bank in Frankfurt te vestigen, het zijn in Britse ogen evenzovele tekenen aan de wand voor wat Europa nog te wachten staat.

Maar, zo werpen Nederlanders tegen, is het niet juist Kohls bedoeling Duitsland in Europa te verankeren opdat een riskante Alleingang wordt voorkomen? Grijp de kans, zeggen zij, die er nu nog is en die straks, als de eerste naoorlogse generatie Duitse politici met pensioen is gegaan, inderdaad verloren zou kunnen gaan.

De Britse reactie daarop is: waarom zouden wij die prijs betalen? Jullie zullen nog wel het punt bereiken dat wij al hebben bereikt. Vrij vertaald: wij geloven niet meer in het verhaal van de verankering waarmee Bonn iedereen tot concessies probeert te dwingen.

Vervolgens valt het gesprek stil. De betekenis van actuele kwesties verbleekt bij deze demonstratie van fundamenteel tekort aan onderling begrip. Natuurlijk hebben de Britse nonchalance bij de politieke afhandeling van de gekke-koeienziekte en de rigoureuze slachtpartij in Nederland van kalveren van Britse origine de betrekkingen belast. En het Haagse gedoogbeleid ten aanzien van drugs bevalt Londen evenmin als Parijs of Bonn.

Anderzijds is er een nauwe Brits-Nederlandse samenwerking op gang gekomen bij de daadwerkelijke vredeshandhaving in Bosnië, een samenwerking die verwijst naar de vanouds goede betrekkingen tussen de Koninklijke Marine en de Royal Navy. Maar dit soort zaken wordt gewogen op een andere schaal.

Hebben de Britten hun historische gevoel voor verhoudingen verloren of lopen de Nederlanders in een Duitse val, geprest als zij zijn om nu eindelijk eens afstand te nemen van een lang gekoesterde anti-Duitse grondhouding? Voor het eerste is meer te zeggen dan voor het tweede. Een oude voorspelling wordt bewaarheid: Duitsland bereikt het eindstadium van zijn ontwikkeling tot, economisch gesproken, regionale macht.

De Britse reactie daarop wordt bepaald door een historische reflex, maar dan wel onder een ingrijpend gewijzigd gesternte. Het Verenigd Koninkrijk is allang niet meer het vanzelfsprekende tegenwicht tegen continentale machtsvorming. De Koude Oorlog met zijn Amerikaans leiderschap had die werkelijkheid aan het oog onttrokken. Nu Amerika zich minder laat gelden, laat de Europese stand van zaken zich niet langer verdonkeremanen.

Voor Nederland is er geen keuze. Duitsland en Frankrijk dienen voor lief te worden genomen, Frans-Duitse samenwerking kan alleen maar worden toegejuicht. Parijs en Bonn verbonden met elkaar, ook al moet Den Haag soms slikken, is altijd beter dan Parijs en Bonn tegenover elkaar.

De zwenking van 'paars' op de zogenoemde Frans-Duitse as had van het begin af iets potsierlijks. Alsof er in Europees verband een historische daad werd verricht. In wezen ging het om niet meer dan een poging tot verzakelijking van betrekkingen die nog te vaak door emoties worden beheerst. Nergens is overigens gebleken dat Nederland Duitse, of Franse, denkbeelden over een Europa met machtspretenties in de verdere wereld heeft overgenomen. Daarvoor wordt Den Haag nog te veel gedreven door Atlantische en universele impulsen.

Nederland ligt waar het ligt. Weliswaar aan de rand van, maar òp het Europese continent. Van een afdrijven, van een continental drift kan fysiek al geen sprake zijn. Vermoedelijk zijn het juist de Britse eilanden die zijn begonnen aan een reis met onbekende bestemming.

    • J.H. Sampiemon