BMW populairste auto bij Nederlandse managers

Bedrijfsauto's zijn een gevoelig onderwerp in Nederland. Ze vormen geen groot deel van het beloningspakket, maar werknemers hechten er veel waarde aan.

Een algemeen directeur van een Nederlandse onderneming rijdt in een auto van gemiddeld ƒ 85.662.-. Op een directeur financiën staat een wagen van gemiddeld ƒ 69.189.- te wachten, terwijl een vertegenwoordiger het moet doen met een karretje van gemiddeld ƒ 39.749.-

Dat staat in de nieuwe 'Company Car Survey' van Hewitt & Koelman International, een beloningsadviesbureau in Rotterdam. Hewitt & Koelman herhaalt het onderzoek elke drie jaar. Aan het onderzoek hebben 91 ondernemingen deelgenomen met 7059 'functiehouders' en hun auto.

Het hogere management rijdt volgens dit onderzoek rond in een BMW, zo staat in het rapport van Hewitt & Koelman. Bij het middle-management is een Ford het populairst, terwijl het administratief en het produktiepersoneel valt voor een Opel. Volvo en Mercedes zijn de nummers twee en drie in de top-drie van het hogere management.

'Auto's van de zaak' zijn een veelbesproken onderwerp. Toen minister Jorritsma van Verkeer en Waterstaat niet zo lang geleden zei dat ministers van haar best wat grotere auto's mochten hebben, kreeg ze heel Nederland over zich heen. En toen een (Engelse) bestuurder van Reed na de fusie met Elsevier in Amnsterdam in een Bentley kwam voorrijden sprak topman Pierre Vinken hem vermanend toe dat een dergelijke auto geen pas geeft in Nederland. Vinken liet zich in een Ford Scorpio vervoeren. Status hoeft overigens niet alleen aan de grootte van de auto te worden ontleend. Eckart Wintzen, de voormalige topman van BSO/Origin en aankomend milieugoeroe, zweert bij zijn Renault Clio. Wintzen ziet een maatschappij voor zich, waar belasting wordt geheven op onttrokken waarde en waar arbeid goedkoper wordt. Niet een energieverslindende meterslange slee geeft dan het verschil in status aan, maar de Clio - met of zonder chauffeur.

Maar liefst 22 procent van de ondernemingen uit het onderzoek stelt niet alleen een auto, maar ook een chauffeur ter beschikking aan de leden van de directie of de raad van bestuur. De grootte van de verstrekte auto hangt samen met het betaalde salaris. De vuistregel is volgens het rapport dat de waarde van de bedrijfsauto is vast te stellen door ƒ 25.000.- op te tellen bij twintig procent van het basissalaris. Wie van een ton moet rondkomen heeft de beschikking over een wagen van gemiddeld ƒ 45.000.- Heel hoge salarissen wijken daarvan af. Wie ruim drie ton verdient, heeft een auto van gemiddeld ƒ 102.100.- voor de deur staan.

De meeste ondernemingen leasen hun wagenpark, maar nog 21 procent van de onderzochte bedrijven koopt zelf de auto's aan. Bij sommige merken kunnen ze daarbij rekenen op fikse kortingen. Saab en Pontiac bijvoorbeeld doen gemiddeld zeventien procent van de prijs af. Voor een Mercedes daarentegen moet nagenoeg het volle pond worden betaald. Meer dan vier procent korting wordt er niet gegeven. Peugeot en BMW zijn met kortingen van respectievelijk zes en zeven procent evenmin erg scheutig.

Opvallend is de souplesse van de regelingen voor privégebruik. 94 procent van de ondernemingen betaalt de brandstof voor het privégebruik van de auto. Slechts 49 procent weigert de benzinerekening van de vakanties te voldoen. Bij de rest kan het hele jaar op kosten van de baas worden gereden, zij het dat het aantal kilometers wordt beperkt. Directeuren mogen meer kilometers privé verrijden dan het hoofd administratie. Vier procent van de ondernemingen betaalt zelfs de bekeuringen voor haar werknemers. Tegenover het privégebruik staat een netto eigen bijdrage die voor produktiepersoneel gemiddeld op ƒ 1593.- per jaar ligt en voor het hogere management op ƒ 3280.-

Werkgevers beseffen dat personeel sterk gehecht kan raken aan de auto. Ruim een derde van de bedrijven biedt de mogelijkheid om de wagen te kopen als de werknemer in de VUT of met pensioen gaat. Ook langdurig zieken mogen vaak nog lang gebruik maken van hun bedrijfsauto. 35 procent van de ondernemingen rapporteert dat de auto ter beschikking van de zieke werknemer blijft, dertig procent haalt hem na twaalf maanden terug, 27 procent na zes maanden en 27 procent na drie maanden.

De meeste werknemers mogen hun auto zelf uitzoeken, zij het dat daar grenzen aan zijn. 81 procent van de ondernemingen accepteert geen sportauto's, 73 procent geen terreinauto's en 37 procent geen wagens met vierwielaandrijving.

    • Twan van de Kerkhof