Alias Leonardo da Vinci; Antonio Pisanello en de vergetelheid

Antonio Pisanello, wiens zeshonderdste geboortejaar met een expositie in het Louvre wordt herdacht, was in zijn tijd een veel gevraagd hofschilder. Hij wist goed te verbeelden wat opdrachtgevers als hun omgeving uitgebeeld wilden zien. Waardoor raakte zijn schilderkunst dan toch zo gauw na zijn dood in de vergetelheid?

Musée du Louvre. T/m 5 aug. Dag. (behalve di). Catalogus: Pisanello Ff 390,-. In de herfst in Museo di Castelvecchio, Verona.

Het Louvre, twee uur in de middag. Onder de piramide van François Mitterand braken de negoties prentbriefkaarten en boeken, voedselwaren en dranken. Ik ervaar het gedoe in de krochten als wereldvreemder dan de kunstwerken op de zalen. Tussen hamburger en cola, Magnum en sorbet worden als entremets Mona Lisa en Venus van Milo verorberd en als bewijs voor thuis ingepakt of verstuurd. Doet iets in de wereld er werkelijk nog toe, vraag ik mij in gemoede af, mij onderwijl realiserend dat verkeren in een voetbalstadion nog erger moet zijn.

Zal zij ooit overgaan? Mijn Renaissance-ziekte? Het altijd terugkerende verlangen naar die tijd, toen welgemanierdheid even gewoon was als onwellevendheid nu, toen de kunst even dienstbaar poogde te zijn als zij nu eigengereid is, toen de godsdienst even natuurlijk deel uitmaakte van het dagelijkse leven als zij hedentendage niet minder natuurlijk daarvan lijkt uitgesloten? Ik herinner mij de afkeer van de kunsthistoricus Aby Warburg van de Renaissance-dromers, omdat zij verwijlen in sfeer en niet omzien naar archief. Maar ik herinner mij niet minder de voorkeur van de cultuurhistoricus Johan Huizinga voor 'de gespeelde cultuur' van die tijd.

Wat bindt die periode met de huidige? Toen deden zich spanningen voor die vergelijkbaar zijn met die van de late oudheid en die van de late twintigste eeuw. Maar er is ook een verschil. In de nog net pre-christelijke en in de nog maar pas post-christelijke periode manifesteert zich het amalgaam van culturen dat onzekerheid en verwarring tot begeleiders heeft. Terwijl de cultuur van de vijftiende eeuw die van de nooit werkelijk vergeten antieke tijd voorgoed in zich opneemt.

Leonardo

In maart 1856 verwierf het Louvre zich een album met driehonderdachttien tekeningen op naam van Leonardo da Vinci. Twintig jaar later blijkt dat wel enige tekeningen in deze verzameling van zijn hand zijn, maar dat het merendeel toegeschreven moet worden aan Pisanello wiens overgeleverde werk overigens zeldzamer is. Antonio Pisano, naar familie afkomstig uit Pisa, wegens zijn kleine gestalte Pisanello genoemd, wordt in 1395 geboren te Verona, waar hij opgroeit en trouwt. Het Museo di Castelvecchio van deze Noord-Italiaanse stad en het Musée du Louvre hebben naar aanleiding van zijn zeshonderdste geboortejaar een tentoonstelling ingericht die nu te zien is in Parijs en in het najaar naar Verona verhuist. Als basis van de expositie gelden de tekeningen - voorstudies van mensen en dieren, even scherp waargenomen als precies weergegeven. Vandaar wellicht de toeschrijving destijds aan Leonardo.

Wanneer Pisanello in 1456 is gestorven, neemt Bartolomeo Facio hem op in zijn spoedig nadien te Napels in het licht gegeven verzameling biografieën van beroemde mannen. Slechts vier schilders valt deze eer te beurt: naast hem Gentile da Fabriano, Jan van Eyck en Rogier van der Weyden. Facio prijst Pisanello's dichterlijkheid om personen en hun gevoelens uit te beelden en roemt zijn knapheid dieren weer te geven. Hij somt op zijn schilderingen van tafereel op wand en paneel en zijn vervaardigingen van portret op penning in brons.

De biograaf is in zijn loftuiting voorafgegaan door de dichters. Zij loven Pisanello's portretkunst en natuurnabootsing, zijn bevalligheid en welvoeglijkheid. De ene acht hem hoger dan Cimabue en Giotto. Een tweede plaatst hem boven de schilders van de Oudheid. Een derde vergelijkt hem met Phidias en Praxiteles en houdt hem voor de nieuwe Apelles. Een vierde, Leonardo Dati, is zo met stomheid geslagen bij het zien van zijn vorstelijke helden, levende paarden, wilde dieren, dat volgens hem Pisanello wel Prometheus moet overtreffen. Natuurlijk zijn hier gemeenplaatsen van waardering in het geding, maar de eerbied is niettemin uitgesproken die past bij de achting voor zijn kunstenaarschap en de genegenheid jegens zijn persoonlijkheid - althans in de kringen waarin hij verkeert. Nader weten wij over hem als persoon nauwelijks, als kunstenaar weinig.

Pisanello is naast schilder allereerst hoveling. Hij is de hofschilder, door vorsten gezocht, die nauwkeurig spiegel geeft aan zijn tijd en van zijn tijd. Als geen ander lijkt hij te verbeelden wat opdrachtgevers als hun omgeving uitgebeeld willen zien. Vorstelijke beelden van de werkelijkheid die de hunne is, gespeelde taferelen van de droomwereld die de hunne moet zijn.

Met weemoed denk ik aan Urbino en Mantua, beide vorstelijke onderkomens van destijds. Het palazzo in Urbino roept terstond de periode terug van Federico da Montefeltro en zijn gemalin Battista Sforza, beiden geportretteerd door Piero della Francesca in hun hoog gelegen, in zichzelf besloten stad tegen de achtergrond van lager gelegen landerijen.

Hoewel Urbino het meest tot de verbeelding spreekt, blijft het palazzo te Mantua, laag gelegen en zonder uitzicht, niet achter in intimiteit. Niet alleen Andrea Mantegna's camera degli sposi en Isabella d'Este's studiolo roepen het verleden aangenaam op, maar ook de sala del Pisanello, genoemd naar de vervaardiger van de schilderingen, hier aangebracht op de vier wanden in opdracht van Gianfrancesco Gonzaga. Tot de jaren zestig van onze eeuw voor verloren gehouden, blijken zij nu fragmentarisch bewaard te zijn gebleven en omdat ze, al fresco geschilderd, van de wanden zijn afgenomen, is een klein gedeelte nu door Mantua uitgeleend aan Parijs. Een sprekend fragment - jonge vrouwen, gezeten onder een baldakijn, kijkend naar gevechten van ridders te paard - doet het geheel vermoeden. Bij het zien ervan komt onmiddellijk de zaal in het geheugen terug, waar bij mijn eerste bezoek op een vroege zomerochtend al de verloren gegane taferelen zich vanzelf voordoen - niet naar inhoud, maar naar sfeer. Bij een schildering als deze passen tal van geëxposeerde tekeningen, zoals het edele paardenhoofd met neerhangende breidel en de met kap bedekte valk op gehandschoeide hand, attributen voor de jacht als hoofse bezigheid, getuigend van geïdealiseerd hofleven dat Pisanello in beeld brengt.

Veronachtzaamd

Opmerkelijk is dat menig door Pisanello vervaardigd werk, in eigen tijd zo geschat, soms zelfs al kort nadien veronachtzaamd wordt. Schilderingen, waaraan hij in zijn jonge jaren samen met Gentile da Fabriano werkt in het dogenpaleis te Venetië, worden later in de vijftiende eeuw vervangen. Van de in onze dagen herontdekte taferelen in Mantua is niets meer vernomen sinds in 1480 het plafond van de zaal is ingestort. Schilderingen, door hem aangebracht in het kasteel van Filippo Maria Visconti in Pavia, blijken verdwenen in 1527. Die in de Sint Jan van Lateranen te Rome verdwijnen definitief, wanneer in de zeventiende eeuw Francesco Borromini de pauselijke kathedraal verbouwt en herinricht. Zijn geboortestad Verona bewaart nog wandschilderingen van haar zoon, onder meer de in rijke uitdossing weergegeven scène van de moedige ridder Joris die opkomt voor de door de draak bedreigde prinses - een hoofs tafereel in christelijk kerkelijke samenhang, vandaar misschien vanzelfsprekender bewaard.

Vanwaar de spoedige vergetelheid van Pisanello's schilderkunst? Hij vertolkt de wereld van het hof 'in hoofse stijl', een wijze van schilderen die in zijn tijd internationaal is, vandaar ook 'internationale stijl' genoemd. Kunstenaars trekken op aanbeveling of uitnodiging van hof naar hof. Zoals in de twintigste eeuw de nog of weer bestaande koningshuizen aan elkaar zijn geparenteerd en zich voordoen als één familie van dezelfde soort met dezelfde liefhebberijen - vaak sport, zelden kunst -, zo zijn ook vorstelijke hoven in de veertiende en de vijftiende eeuw met elkaar verbonden. Zij sluiten de kringen en delen het kunstmecenaat. Kunstprestaties - te zeer aan de opdrachtgever gebonden - vergaan met de eeuw. Mogelijk is dit een reden van Pisanello's beroemdheid die verbleekt tot vergetelheid.

Een tweede is deze, in de gedachtengang van de kunsthistoricus Bernard Berenson: Pisanello is een ten achter gebleven kunstenaar, een erfgenaam van miniaturisten van het noorden, niet in staat uitdrukking te geven aan 'de verborgen zin der zaken', kortom ver verwijderd van tijdgenoten als Masaccio, Uccello, Fra Angelico. Verantwoordelijk voor Berensons gedachtenontvouwing is Giorgio Vasari, de kunstenaar die weliswaar minder slecht schrijft dan schildert maar niettemin in zijn kunstenaarsbiografieën van het midden van de zestiende eeuw de kunstbroeders indeelt naar 'al wel' en 'nog niet': schilders die in hun werk al 'sporen geven van het eens bereikte hoogtepunt' in Raphael, Michelangelo en Leonardo verdienen lof, 'de achterlijken' zijn achtergebleven in de vooruitgang der kunsten en daarom geheel of nagenoeg te verwaarlozen. Vasari vermeldt Pisanello zuinig. Aan Vasari, intendant van hertog Cosimo de Medici, danken wij nog hedentendage de saai aaneengerijde altaren in de Florentijnse kerken Santa Croce en Santa Maria novella waarvoor allerlei schilderwerk van 'nog niet' destijds is bepleisterd, maar dit terzijde.

Er is nog een derde reden, evenzeer met de tweede samenhangend als de tweede uit de eerste voorkomt. Pas in de negentiende eeuw onttrekken lieden zich aan het eigengereide vooruitgangsgeloof. Gelukkig dat toen Pisanello's tekeningen, bewaard dank zij Leonardo's naam 'als hoogtepunt', zijn herontdekt. Romantici - evenals renaissancisten een soort mensen van altijd - hebben het lef de blik terug te richten. Schoonheid kent voor- noch achteruitgang. Vooruitgang is de banaliteit bij uitnemendheid van de moderne tijd, een platvloersheid die nog steeds terrein wint.

Goddelijke gaven

Pisanello staat in bijzonder aanzien bij Lionello d'Este, markies van Ferrara, voor wie hij vijftien jaar opdrachten vervult, en bij Alfonso d'Aragon, koning van Napels, op wiens uitnodiging hij in 1448 naar het zuiden reist en familiaris wordt, lid van de koninklijke familie. Alfonso heeft horen spreken over 'Pisanello's goddelijke gaven' als schilder en portrettist, maar bij de eigen waarneming daarvan geraakt de koning eerst recht in vuur van 'geestdrift en genegenheid'. Hier is niet alleen hoffelijkheid jegens de kunstenaar in het geding, wiens virtù op deze wijze wordt geëerd, maar niet minder vergroting van aanzien van de vorst, wiens beeltenis hem aanwezig doet zijn, ook al is hij afwezig, en hem doet leven, ook al is hij dood. Het is daarom geen toeval dat Pisanello als portrettist nooit is vergeten. Niet zijn portretten in verf op paneel, waarvan er twee zijn overgeleverd, maar die in brons op penning, waarvan er vele zijn bewaard.

De beide portretten op paneel zijn opgezet als de andere op penning: het gezicht en profil. Maar de omgeving is hier bijna liefelijk en de kleding feestelijk: zowel Lionello d'Este, de ascetische aristocraat die Caesar bewondert en Homerus bemint, als zijn halfzuster Lucia d'Este zijn weergegeven tegen een achtergrond van bladeren en bloemen, in de tijd bekend van wandkleden en miniaturen.

De portretpenningen, die in varianten op de tentoonstelling zijn te zien, worden ontworpen om in veelheid te verspreiden. Zij dienen tot propaganda van de vorst, wiens beeltenis aan de ene zijde, het gezicht als persoon, aan de keerzijde een embleem heeft, het zinnebeeld als persoon. Het is een vinding van de Oudheid ter vermenigvuldiging van de keizersportretten, in de Renaissance weer opgenomen door toedoen van Leonbattista Alberti die in 1438 in het gevolg van paus Eugenius IV te Ferrara de opening van het concilie tot vereniging van de Kerken van Oost en West bijwoont. Het is bij die gelegenheid dat Pisanello Johannes Paleologus, de keizer van Byzantium, portretteert op penning, waarschijnlijk de eerste van dit soort, waarna hij tal van andere voor andere vorsten zou ontwerpen, zoals die van Leonello, wiens beeltenis op penning als enige vergeleken kan worden met die op paneel.

Heb ik nu mijn verhaal over Pisanello helemaal verteld? Neen. De Parijse tentoonstelling geeft wel tekeningen en penningen maar schiet te kort in het op te roepen beeld van die hoofse en melancholische tijd. Mijn nostalgie is niet getemperd, mijn heimwee niet gestild, mijn verbeelding niet voldaan. Zou dat mogelijk zijn? Neen. De mens is een homo melancholicus.

    • Antoine Bodar