Aidsvoorlichting voor vrachtwagenchauffeurs; Verhalenbundel van allochtone schrijvers

Het land in mij. Nieuwe verhalen van jonge schrijvers op de grens van twee werelden. Samenst. Ayfer Ergün. Uitg. Arena, 180 blz. Prijs ƒ 29,90

Een bruin oog in een koffiekleurig gezicht, omlijst door golvend blond haar dat overgaat in een geel woestijnlandschap, prijkt op het omslag van Het land in mij. Zowel omslag als titel van deze verhalenbundel waarin twaalf auteurs van Turkse, Marokkaanse en Libanese herkomst zich presenteren, is goed gekozen. Alle schrijvers, acht vrouwen en vier mannen, geboren tussen 1965 en 1974, behoren tot de tweede generatie allochtonen. Een enkeling is in Nederland geboren, maar voor de meesten geldt dat hun wieg in Turkije of Marokko stond en allemaal zijn ze opgevoed door ouders die nog niet zo lang geleden naar Nederland emigreerden.

Hoeveel ze onderling ook verschillen, alle schrijvers dragen hun land van herkomst met zich mee: in hun namen, hun uiterlijk, hun tweetaligheid en in hun kennis van of affiniteit met de cultuur en de godsdienst die ze van huis uit hebben meegekregen.

Het heeft een tijdje geduurd voordat Turken en Marokkanen - die vergeleken met Surinamers over het algemeen een grotere taalbarrière moeten overwinnen - in de literatuur van zich lieten spreken. Vorig jaar debuteerde de 22-jarige rechtenstudente Naima El Bezaz met de novelle De weg naar het noorden, dit jaar kwam de verrassende verhalenbundel De voeten van Abdullah van de 27-jarige arabist Hafid Bouazza uit. Beide auteurs zijn vertegenwoordigd in de bundel Het land in mij, maar behalve deze twee pioniers heeft samenstelster Ayfer Ergün (Ankara, 1964) geprobeerd onbekend talent op te sporen.

Welke criteria Ergün bij de samenstelling van de bundel heeft aangelegd, maakt ze in haar voorwoord niet duidelijk. 'Een klein aantal (auteurs) heeft reeds gepubliceerd, een veel grotere groep heeft deze kans nog niet gehad. Deze bundel vormt dan ook een kennismaking met schrijvers van wie wij in de toekomst meer mogen verwachten', schrijft zij. Maar dit is nog maar de vraag.

Het enige verhaal in de bundel dat een literaire belofte voor de toekomst inhoudt, is 'De verloren zoon' van Bouazza, dat ook is opgenomen in zijn debuutbundel. De overige bijdragen zijn hetzij journalistieke reportages, hetzij literaire probeersels die het niveau hebben van aardige middelbare school-opstellen.

In de lijst met personalia valt op dat vrijwel alle auteurs een academische of een journalistieke opleiding volgen of hebben gevolgd. Freelance-journalist Tuncay Çinibulak (Oost-Turkije, 1970) studeerde aan de School voor de Journalistiek in Utrecht en aan de State University van New York. Zijn verhaal 'De schone weg liep niet ver' heeft geen literaire pretenties, maar is wel een geslaagde, deels in de ik-vorm geschreven, reportage. De verteller gaat met een vrachtwagenchauffeur uit de Turkse gemeenschap in Nederland mee op een reis die via een aantal Oosteuropese landen naar Istanbul voert. Onderweg is hij er getuige van hoe jonge meisjes zich aanbieden aan gretige chauffeurs op wie thuis vrouw en kinderen zitten te wachten. De ik-figuur probeert aan aids-voorlichting te doen, deelt condooms uit, maar wordt uitgelachen. De meisjes vertellen dat hun klanten niet gediend zijn van condooms en meer betalen als het zonder mag. In Bulgarije stuit hij op een netwerk van pooiers dat samenwerkt met de politie: als een meisje te weinig geld binnenbrengt of dreigt te ontsnappen wordt ze mishandeld. Aangifte doen heeft geen enkele zin. Als de reporter aankomt in Istanbul, waarnaar hij in Amsterdam zo heeft verlangd, is zijn interesse voor die stad omgeslagen in onverschilligheid. Dit einde, de confrontatie met Turkije, is er met de haren bijgesleept: kennelijk is de auteurs gevraagd bij het schrijven het land in hen vooral niet te vergeten.

Meer journalistieke dan literair is ook het verhaal van de historica en filmmaakster Nadia Doueiri (1965). Als dochter van een Libanese vader en een Nederlandse moeder bracht ze de eerste tien jaar van haar leven in Libanon door. Haar verhaal, een autobiografisch verslag van een bezoek aan Beiroet, is het meest dramatische van de bundel. Als enige auteur heeft zij het land in haar voorgoed verloren: ze komt terecht in een door de oorlog verwoeste stad, waar ze tussen de puinhopen van kapot geschoten gebouwen de steegjes en straten uit haar kindertijd niet meer terug kan vinden. En passant vertelt ze over het onbegrip van Nederlanders: wie zich zoals zij met Libanon identificeert, wordt hier als antisemiet beschouwd.

Het merendeel van de bijdragen is afkomstig van vrouwelijke auteurs. Drie van hen hebben een mannelijke ik-figuur als hoofdpersoon gekozen. In 'Een vervlogen droom' van Naima El Bezaz is de ik een dictatoriale vader van een in Nederland wonend Marokkaans gezin. De oudste zoon is omgekomen bij een auto-ongeluk, de tweede zoon is vervolgens aan de drugs geraakt en door de vader verstoten. Hoe zijn gebroken vrouw Fatiha ook bidt en smeekt om hem weer in genade aangenomen te krijgen, de vader weigert tot zijn laatste snik. El Bezaz weet, zo bleek ook al uit haar novelle, interessante thema's op sympathieke wijze te te belichten, maar haar verteltrant blijft op een paar aardige dialogen en een enkele treffende sfeerbeschrijving na, schools en schematisch.

Haar verhaal zit hoe dan ook beter in elkaar dan dat van Malika Al Houbach (Marokko 1969), die haar manlijke ik-figuur een vakantiereis laat maken naar Marokko, waar hem dermate vreemde dingen overkomen dat er geen touw aan vast te knopen is. De fragmenten over de man in Marokko worden afgewisseld door monologen van zijn zus, eveneens in de ik-vorm, over een verliefdheid in Nederland. Deze onsamenhangende structuur dient geen enkel doel.

Een aantal thema's keert in meerdere verhalen terug: de rol van traditioneel denkende, autoritaire mannen die hun vrouwen en kinderen tiranniseren, het drama van zoons die ontsporen en van dochters die daar de kans nog net niet toe zien. In veel bijdragen staan de personages op voet van oorlog met het land in hen, een oorlog die wordt uitgevochten als een generatieconflict of als een verbeten strijd tussen de seksen.

Uit sociologisch en psychologisch oogpunt is dit inkijkje in de leefwereld van Marokkaanse en Turkse gezinnen beslist de moeite waard, maar dat levert op zichzelf nog geen literatuur op. De bundel ontleent zijn betekenis primair aan de omstandigheid dat de schrijvers van Turkse of Marokkaanse afkomst zijn. Paradoxaal genoeg is dat precies wat zij zelf niet willen. Volgens samenstelster Ayfer Ergün zijn de auteurs niet onverdeeld gelukkig met het allochtone hokje waarin ze geplaatst worden. 'Zij benadrukken dat ze beschouwd willen worden als Nederlandse schrijvers en willen niet onder een noemer worden gebracht', aldus het voorwoord.

Ik zou zeggen: respecteer dat standpunt dan ook. Echt talent komt toch wel bovendrijven.