Waterleiding in een haremtoren

Het verhaal van Floris en Blanchefloer is door Maartje Draak getypeerd als 'een middeleeuwse Entführung aus dem Serail'. Floris en Blanchefloer - hij een islamitische prins, zij de dochter van een christelijke hofdame in het paleis van zijn vader - beminnen elkaar al als zuigelingen in de wieg.

Om een huwelijk te voorkomen, geven Floris' ouders Blanchefloer mee met reizende kooplieden die het meisje op de slavenmarkt voor een aanzienlijke prijs verkopen. Als Floris, thuiskomend van zijn studentenjaren in Montoriën, ontdekt wat er gebeurd is, kan niemand hem weerhouden om Blanchefloer te gaan zoeken.

Door een gelukkig toeval komt hij te weten waar zij zich bevindt: in de harem van de emir van Babylon. Floris gaat onmiddellijk scheep. Bij zijn aankomst wordt hij gastvrij ontvangen door een rijke burger die belast is met het innen van de tol bij een van de bruggen. Deze brugwachter beschrijft hem de stad en de toren waarin emir zijn harem heeft ondergebracht.

Het is een fantastisch bouwwerk, deze ronde haremtoren, die geheel met rood marmer bekleed is. Op het dak verheft zich een hoge gouden mast, op de top waarvan een reusachtige karbonkel is gemonteerd, een lichtgevende edelsteen die 's nachts de gehele stad verlicht en van een afstand van meer dan twintig mijl zichtbaar is. De toren heeft drie verdiepingen of woonlagen, die in het midden worden doorsneden door een holle zuil van doorzichtig marmer. In die zuil stijgt water tot de bovenste etage omhoog om vandaar via een andere leiding naar beneden te stromen. Blanchefloer en haar haremgenoten, die op de derde etage in prachtig versierde vertrekken zijn gehuisvest, kunnen dus naar believen water tappen.

Wat voor ons de gewoonste zaak van de wereld is - stromend water op de derde verdieping - is voor de twaalfde-eeuwse dichter van de Oudfranse roman Floire et Blancheflor vermoedelijk iets van dezelfde orde geweest als de gouden lichtmast met de karbonkel: denkbaar, voorstelbaar, misschien technisch mogelijk, maar nauwelijks te geloven zo geavanceerd en kostbaar. Het is een interessante vraag of de twaalfde-eeuwse waterleidingtechnologie - in Europa of in de Arabische wereld - in beginsel, of zelfs in de praktijk, in staat is geweest, water omhoog te stuwen naar een reservoir op de bovenste verdieping van een bouwwerk. Een betrekkelijk simpele waterpomp, aangedreven door windkracht, zou daarvoor al voldoende zijn.

Dat een dergelijke constructie uitvoerbaar werd geacht (en wie weet zelfs in de praktijk heeft bestaan), blijkt uit een passage in een Oudfranse Alexanderroman, die eveneens uit de twaalfde eeuw stamt. Boven een bron waarvan het water de eigenschap heeft, doden tot leven te kunnen wekken, laat Alexander een toren bouwen. In de nok van dit bouwwerk wordt een met lood beslagen waterbekken geïnstalleerd. Het water wordt naar dit bekken omhoog gestuwd door een rad dat door de wind wordt aangedreven. Opvallend is dat beide middeleeuwse dichters hun technologie van de toekomst in een ver verleden hebben gesitueerd. Floris weet zijn Blanchefloer uit de harem van de emir te bevrijden; het verhaal eindigt met hun huwelijk. Zij zullen een kind krijgen dat Berte wordt genoemd, Berte met de grote voeten, die, zoals in een ander verhaal te horen was, de moeder van Karel de Grote zou worden.

Zie voor dergelijke kunstwerken: Otto Söhring, 'Werke bildender Kunst in altfranzösischen Epen', in Romanische Forschungen 12 (1900), p.491-640, spec. p.510-11.

    • W.P. Gerritsen