Videogetuigenissen van het onzegbare

Vijftigduizend getuigenissen van holocaust-overlevenden wil de Amerikaanse regiseur Steven Spielberg bijeenbrengen in zijn gedigitaliseerde videoarchief. Er kan dus veel fout gaan bij de interpretatie.

Ruim veertienduizend getuigenissen heeft de Survivors of the Shoah Visual History Foundation al op video vastgelegd. Op die manier moet een enorm video-archief ontstaan met verhalen van mensen die de massamoord op de joden door de nazi's in de Tweede Wereldoorlog hebben overleefd. Het archief dient niet alleen ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek, maar ook als waarschuwing tegen rassenhaat en als tegenwicht tegen de revisionisten die de holocaust ontkennen.

De stichting, gevestigd in Los Angeles, is opgericht door de regiseur Steven Spielberg, met de opbrengst van zijn film Schindler's List. De stichting is inmiddels in tweeëntwintig landen actief. Men verwacht in 1997 rond de vijftigduizend getuigenissen verzameld te hebben, met in totaal honderdduizend uur videomateriaal. Aanvankelijk ging de aandacht vooral uit naar joodse overlevenden, maar inmiddels kunnen ook zigeuners, homoseksuelen en helpers van vervolgden hun verhaal kwijt.

Volgens Denise Citroen, de coördinator voor de Nederlandse afdeling van de stichting, zijn in ons land inmiddels ruim zeshonderd mensen geïnterviewd. De oudste is 103, de jongste deelnemer is geboren in december 1944. De geïnterviewden worden niet actief gezocht, zij melden zich vrijwillig. Bekendmaking van het project via de media of door joodse organisaties moet voldoende zijn. De stichting werkt onafhankelijk, maar staat wel in contact met joodse instanties. “Het Joods Maatschappelijk Werk kan mensen opvangen, als zij door deelname aan het project in een crisis raken”, aldus Citroen. “Maar die situatie doet zich nauwelijks voor. De meesten hebben nooit hun hele levensverhaal verteld, en het is vaak juist een opluchting dat te doen.”

De journaliste Jeanne Roos (79) overleefde de holocaust door onder te duiken. Zij zei onlangs in een interview in het Nieuw Israelitisch Weekblad dat eigenlijk alle overlevenden hun verhaal zouden moeten vertellen, ook mensen die niet in kampen hebben gezeten. Waarom ze had meegedaan aan het Spielbergproject? “Als mensen je iets vragen, zeg je iets, maar dat is niet hetzelfde als proberen het verhaal van begin tot eind terug te halen. Hoe is het mij vergaan, toen, als joods meisje? Het is een innerlijke behoefte te vertellen aan iemand die het blijkbaar horen wil, namelijk de heer Spielberg.”

Zinsneden

De banden worden direct naar het hoofdkantoor in Los Angeles gezonden, waar men voor de getuige zelf eerst een VHS-kopie maakt. De moederbanden gaan naar het herdenkingscentrum van de holocaust Yad Vashem in Jerusalem. Na eventuele vertaling worden de video's zonder verdere bewerking gedigitaliseerd opgeslagen in een geavanceerd computersysteem. Ze worden op trefwoorden, plaatsnamen, data, namen, onderwerpen en zinsneden gecatalogiseerd. Toekomstige gebruikers kunnen dan wereldwijd in instituten, musea en herdenkingscentra die op dit computernetwerk zijn aangesloten, met één druk op de knop fragmenten bekijken, bijvoorbeeld alle waarin wordt verteld over de eerste razzia op het Amsterdamse Jonas Daniël Meijerplein in februari 1941. Dat deze mogelijkheden tot emotionele ontdekkingen kunnen leiden ondervond Branko Lustig, hoofdproducent van de Spielbergstichting, zelf een survivor. In een van de binnengekomen getuigenissen vertelde een vrouw uit Zagreb hoe zij uit een Kroatisch concentratiekamp was gesmokkeld. Degene die haar leven had gered, maar later zelf was vermoord, bleek de tante van Lustig te zijn. De familie had van niets geweten.

Wat zal dit gigantische archief toevoegen aan de kennis over de holocaust? Historici als Raul Hilberg en Lucy Dawidowicz hebben standdaardwerken over de vernietiging van het Europese jodendom geschreven. Debat over interpretatie zal er altijd wel zijn, maar het is niet te verwachten dat meer dan vijftig jaar na dato nog nieuwe feiten boven water zullen komen die het beeld wezenlijk zullen veranderen. Veel historisch onderzoek over de Tweede Wereldoorlog berust al op de duizenden dagboeken en autobiografieën die over de holocaust zijn geschreven. In de archieven van Yad Vashem in Jeruzalem liggen de neerslagen van meer dan vijfentwintigduizend getuigenissen over de Sjoa.

Uit resultaten van een eerder vergelijkbaar maar kleiner opgezet project blijkt dat er wel degelijk nieuwe inzichten uit voort kunnen komen, niet in de organisatie en uitvoering van de Endlösung, maar wel in de ervaringen van de vervolgden. Naar aanleiding van de televisieserie Holocaust werden in de jaren tachtig aan de Amerikaanse universiteit van Yale meer dan veertienhonderd getuigenissen van overlevenden op video vastgelegd. Uit onderzoek van die video's bleek dat de nadruk op het slachtofferaspect van de vervolgden aan revisie toe was. Door de vervolging te plaatsen in de context van de hele levensgeschiedenis, raken overlevenden het stigma kwijt van slachtoffers die zich naar de slachtbank lieten leiden. Ook blijkt dat stereotiepe denkbeelden over de holocaust bijgesteld moeten worden. In tegenstelling tot wat veel mensen aannemen was de bevrijding van de concentratiekampen voor de meeste overlevenden bijvoorbeeld helemaal geen euforische ervaring. Geïnterviewden benadrukken juist dat zij zich vreselijk eenzaam of schuldig voelden en de drang om door te leven kwijt waren.

Ook het visuele aspect van een getuigenis heeft betekenis. De stiltes, de aarzelingen en de stokkende stem worden in beeld vastgelegd. Het onzegbare wordt soms toch - summier en hortend - verteld. De Amerikaanse hoogleraar in de literatuurwetenschap Lawrence Langer die de Yale-getuigenissen heeft bestudeerd, beschrijft in zijn boek Holocaust Testimonies. The ruins of memory bijvoorbeeld Moses S. die zijn interviewers confronteert met het 'onzegbare', dat hij toch kwijt moet. Hoe na een bombardement van het kamp Mauthausen vijf uitgehongerde gevangenen een afgerukte menselijke hand vonden, die verdeelden en opaten: “Met z'n vijven. Deelden. En we aten het. En iemand ging dood, we sneden een stuk los - we aten.”

Dit soort getuigenissen kunnen alleerst waardevol zijn voor de overlevende zelf. Hij kan zich enigszins van een zware last ontdoen door soms voor het eerst details te vertellen die “zo'n pijn doen om te herinneren, maar zo moeilijk te vergeten zijn”, zoals iemand het verwoordde in de documentair die Spielberg over zijn project maakte en die eerder dit jaar - het hele uur ononderbroken door reclame - door CNN werd uitgezonden. Maar de opnamen kunnen ook de kennis van de werkelijkheid van de holocaust verbreden en verdiepen, vooral als het gebeurtenissen betreft waarop lange tijd een taboe heeft gerust.

De werkelijkheidswaarde van holocaustherinneringen is een beladen onderwerp omdat snel het het gevoel ontstaat dat de waarheid van herinneringen aan gruwelijke ervaringen niet in twijfel getrokken mag worden. Bovendien kan men denken dat revisionisten die het bestaan van de holocaust ontkennen, door het plaatsen van kritische kanttekeningen in de kaart worden gespeeld. Toch zal bij elke historische reconstructie aan de hand van mondelinge bronnen (oral history) de onderzoeker rekening moeten houden met vervorming door reductie, verdraaiing, vergeten en toevoeging van later verkregen informatie. Lawrence Langer, die het verschil tussen de Yale-getuigenissen en geschreven herinneringen onderzocht, constateerde overigens dat mondelinge getuigenissen minder onderhevig waren aan 'reductie' en de neiging tot ordening dan literaire. Er kwam in de video-opnamen een soort ongeordende en onbeschermde werkelijkheid naar voren. Er was nauwelijks sprake van het met veel moeite weer terugvinden van verdrongen herinneringen. Integendeel, zoals een overlevende verzuchtte: “Ik kan niet vergeten. Ik wil niet vergeten, maar toch wil ik vergeten.”

Maar een andere onderzoeker van hetzelfde archief, Geoffrey Hartman, constateerde dat bij er ook bij de video-getuigenissen wel degelijk vervormde herinneringen kunnen ontstaan. Zo meenden veel geïnterviewden dat zij bij aankomst in het concentratiekamp door nazi-arts Josef Mengele waren opgewacht, terwijl hij niet in zoveel kampen tegelijk kon zijn geweest. Ook vertelden vrouwen dat zij in de kampen iets van de nazi's toegediend hadden gekregen om de menstruatie te stoppen. Zij hadden die natuurlijke reactie van het menselijk lichaam op ondervoeding toegeschreven aan een medicijn, en die veronderstelling kennelijk in hun herinneringen als werkelijkheid geïntegreerd.

Kronkels

Er kan dus veel fout gaan bij de interpretatie, vooral als historici aan deze oral history doen zonder noemenswaardige kennis van geheugenprocessen. Vaak gaan historici er van uit dat authenticiteit, detaillering en emotionele betrokkenheid duiden op werkelijkheidswaarde. Maar dat is lang niet altijd zo. Dat het geheugen tot wonderlijke en soms pijnlijke kronkels in staat is, blijkt bijvoorbeeld uit een geval dat de Leidse psycholoog W.A. Wagenaar beschreef. In een justitieel onderzoek tegen Rinus de Rijke, in bezettingstijd kampbewaker van kamp Erica in Ommen, noemde een ex-gevangene geheel te goeder trouw de naam van een medegevangene, een slachtoffer dus, als die van een beruchte bewaker die hem bijna had doodgeslagen. Maar ook fantasten kunnen hun 'herinneringen' als zeer geloofwaardig presenteren. Dat bleek in 1976 toen het Weinreb-rapport door het RIOD werd gepubliceerd. Daarin werd aangetoond dat de Nederlandse econoom van joodse afkomst Friedrich Weinreb (1910-1988) zijn memoires over de bezettingstijd, die door velen als buitengewoon authentiek en waarheidsgetrouw waren beoordeeld, voor een groot deel uit zijn duim had gezogen.

Het Spielbergarchief zal daarom vooral waardevol worden voor historici wanneer de feiten zoveel mogelijk worden nagetrokken en met andere bronnen worden vergeleken. Dankzij de unieke mogelijkheid om de gedigitaliseerde gegevens via trefwoorden aan elkaar te koppelen en te vergelijken, kan het archief zo ook meer inzicht geven in de werkelijkheidswaarde van herinneringen. Voor de kennis van de holocaust zal het archief waarschijnlijk de grootste waarde hebben als de onderzoeksvragen zich niet zozeer richten op 'historische reconstructie' maar op de sociologische en psychologische processen in de periode.

Op de vraag aan Denise Citroen hoe men bij de stichting denkt over de toekomstige wetenschappelijke waarde van het archief, antwoordt zij: “Het belangrijkste is dat de werkelijkheid, zoals de overlevenden zich die herinneren, zo authentiek mogelijk wordt vastgelegd. De herinneringen moeten bewaard blijven, zodat toekomstige generaties deskundigen ervan kunnen leren, of het nu gaat om onderzoek naar historische, psychologische of neurologische processen. Als je zou wachten tot men weet wat het wetenschappelijk nut van dit project is, zijn de mensen die het kunnen navertellen er niet meer.”

    • Regina Grüter