Srebrenica: een veilig gebied werd uitgeleverd

'Srebrenica juli 1995' was de grootste oorlogsmisdaad en het grootste bloedbad in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog, het tragische dieptepunt van een bloedbad dat tweehonderdduizend mensen het leven heeft gekost.

'Srebrenica juli 1995' was ook het begin van het (voorlopige) einde van de oorlog. Na het drama rond de enclave in Oost-Bosnië gooide het Westen het roer om en werden de Serviërs naar de onderhandelingstafel van Dayton gebombardeerd.

Srebrenica, waar 26.000 moslims ingesloten zaten, was met Zepa en Gorazde een van de drie moslim-enclaves in Oost-Bosnië die vanaf het begin van de oorlog door de Serviërs zijn belegerd. In maart 1993 zag de toenmalige commandant van de VN-vredesmacht, de Franse generaal Philippe Morillon, in die belegering aanleiding naar de stad te gaan, om er pathetisch uit te roepen dat hij Srebrenica 'nooit in de steek zou laten'. Dat werd door de inwoners opgevat als een vrijbief om hem er tegen zijn wil vast te houden. De trip kreeg tragi-komische trekken toen de wat verwarde generaal stiekem trachtte weg te komen maar door de verdedigers in het holst van de nacht werd onderschept en teruggebracht.

Een maand later, op 16 april 1993, werd Srebrenica de eerste van zes gebieden die door de Veiligheidsraad tot 'veilig gebied' werden uitgeroepen: de VN zouden de veiligheid garanderen - een onzinnige belofte omdat de VN nalieten hun papieren belofte te schragen met maatregelen: de in de enclaves gelegerde blauwhelmen werden noch getalsmatig, noch materieel, noch in een aangepast mandaat in staat gesteld de 'veilige gebieden' echt te beveiligen, en die bleven dan ook de meest onveilige van Bosnië.

In mei vorig jaar begon het laatste hoofdstuk voor Srebrenica. De Serviërs gijzelden vierhonderd VN-blauwhelmen en -waarnemers en gebruikten hen als 'menselijk schild' tegen NAVO-luchtacties. De crisis werd beëindigd na een geheim gesprek in Mali Zvornik, op 4 juni, tussen de Bosnisch-Servische generaal Mladic, de Joegoslavische legerleider Perisic, VN-gezant Akashi en de Franse UNPROFOR-bevelhebber, generaal Janvier. Daarbij werd afgesproken dat de Serviërs hun VN-gijzelaars zouden loslaten in ruil voor de belofte dat de NAVO hen niet meer zou aanvallen. Op 6 en 13 juni lieten de Serviërs inderdaad hun gijzelaars gaan. Later in juni schonden ze herhaaldelijk het vliegverbod zonder met NAVO-luchtacties te worden afgestraft.

De geheime afspraak gaf de Serviërs de vrije hand voor de verwezenlijking van een belangrijk oorlogsdoel: de eliminering van de enclaves. In juni versterkten ze zich rond Srebrenica, een militaire opbouw die de VN negeerden en die Akashi ook niet meldde aan de Veiligheidsraad, en zelfs niet aan Dutchbat, het Nederlandse VN-bataljon in Srebrenica.

Op 6 juli openden de Serviërs de aanval, die op 11 juli werd bekroond met de inname van Srebrenica. De moslims waren door Dutchbat ontwapend en konden zich niet verdedigen. De internationale gemeenschap, bang geworden na de massagijzeling van mei, liet het bij twee volstrekt zinloze luchtaanvallen en keek verder passief toe hoe het 'veilige gebied' werd opgerold. Misschien was er hier en daar - in het kantoor bijvoorbeeld generaal Janvier - zelfs wel enige heimelijke opluchting, want de eliminering van een niet te verdedigen enclave maakte de taak van de VN-troepen makkelijker.

Die onverschilligheid en die heimelijke opluchting hebben duizenden moslims uit Srebrenica het leven gekost. Ze vielen in handen van de Serviërs. Dutchbat-commandant Karremans “vergat” in de zorg om zijn eigen mannen en materiaal de Serviërs zelfs maar te vragen naar hun plannen met de gevangenen en vertrok - ook al liepen de Nederlanders geen gevaar - op last van minister Voorhoeve van Defensie uit Srebrenica, nog voordat een uit Belgrado vertrokken Rode Kruis-ploeg de gevangen moslims kon bereiken om hun nog enige vorm van bescherming te bieden. Die, in de steek gelaten door de hele internationale gemeenschap, werden vervolgens afgeslacht. Op 25 juli veroverden de Serviërs zonder slag of stoot ook Zepa.

Uiteindelijk werd 'Srebrenica' het begin van het eind van de oorlog, het begin namelijk van het Dayton-proces. De Amerikanen begonnen zich actief met het vredesproces te bemoeien, stelden plannen op voor een nieuwe internationale vredesmacht - IFOR - en voor luchtacties van de NAVO. De VN trokken hun blauwhelmen terug uit de meest kwetsbare posities en maakten aldus de weg vrij. Op 30 augustus begon 'Deliberate Force', de grootste militaire operatie van de NAVO in haar bestaan. Twee weken lang werden duizenden bombardementsmissies tegen doelen van de Bosnische Serviërs uitgevoerd.

Midden september gingen de Serviërs door de knieën. Eind september kwam het tot een akkoord over de constitutionele principes in het naoorlogse Bosnië, half oktober ging een bestand in en op 31 oktober begon het vredesoverleg van Dayton, dat op 21 november leidde tot een akkoord.

Wat bleef, uiteindelijk, is de reeks van massagraven. Wat bleef is de schaamte. En wat bleef is een reeks vragen die nog steeds niet zijn beantwoord - vragen over het geheime akkoord van 4 juni dat leidde tot de de facto uitlevering van Srebrenica, over de verantwoordelijkheid van het Westen voor die geheime afspraak, over de motieven van Akashi (en de CIA) bij het verzwijgen van de Servische voorbereiding op de slotaanval, over de door Karremans gevraagde maar nooit geleverde luchtsteun, over Karremans' overhaaste vertrek uit Srebrenica. Ze lopen allemaal uit op dezelfde vraag: had het bloedbad kunnen worden voorkomen? Het antwoord is zo goed als zeker ja: met minder lafheid, zorg om vooral het eigen hachje en onverschilligheid en met meer moed, sang froid en inventiviteit had kunnen worden voorkomen dat duizenden moslims onbeschermd in handen van de Bosnische Serviërs zouden vallen.