Pleidooi voor terugkeer van lynx

De tachtig centimeter lange lynx, behorend tot de katachtige roofdieren, keert wellicht terug in het Nederlandse landschap.

ARNHEM, 11 JULI. “De lynx klopt al aan onze deur”, zegt dr. G. Groot Bruinderink, doelend op berichten dat er in Zuid-Limburg diverse pootafdrukken van het roofdier zijn gevonden. Hij rept ook van 'zichtwaarnemingen' en er zou zelfs een exemplaar zijn geschoten en vervolgens begraven. Voor hem betekenen die meldingen een extra stimulans om te ijveren voor een terugkeer van de lynx in Nederland, speciaal op de Veluwe. “Daar kan hij door zijn jachtgedrag zorgen voor een natuurlijke spreiding van het wild: de tienduizend reeën, edelherten en wilde zwijnen die er nu te veel in grote groepen leven.”

Groot Bruinderink werkt als ecoloog, gespecialiseerd in wildbeheer, bij het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN) in Arnhem, onderdeel van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. In die hoedanigheid kreeg hij bekendheid als warm pleitbezorger voor wederinvoering of herintroductie van de lynx.

Het zou niet de eerste keer zijn dat een diersoort door ingrijpen van de mens zijn comeback in het Nederlandse landschap maakt. Het is al gebeurd met de bever en de raaf en het gaat weldra gebeuren met de zeearend, de grootste Europese roofvogel, nu het Wereldnatuurfonds van minister Van Aartsen toestemming heeft gekregen een aantal geïmporterde zeearenden los te laten in de Oostvaardersplassen en de Gelderse Poort achter Nijmegen. Dezelfde organisatie wil ook de eland (een planteneter) weer een kans geven in Nederland, maar hierbij is extra voorzichtigheid geboden, omdat het dier bijzonder stress-gevoelig is en het transport uit Polen Zweden of Finland) misschien niet zou overleven.

Onomstreden is dit soort initiatieven allerminst. In het geval van de lynx wordt aangevoerd dat hier van herintroductie geen sprake kan zijn. Die term veronderstelt immers dat het dier oorspronkelijk in Nederland thuishoort, maar daar wordt sterk aan getwijfeld. Welbeschouwd zijn er slechts enkele aanwijzingen dat de lynx aan het begin van onze jaartelling in deze contreien voorkwam: de vondst van een paar kiezen op de Maasvlakte en van een stuk huid bij een Romeinse legerplaats in Zuid-Holland. Maar dat vel zou ook van een tamme lynx afkomstig kunnen zijn, ooit door de Romeinen naar het noorden meegenomen.

Groot Bruinderink heeft aan die schaarse gegevens echter genoeg om aan te nemen dat het roofdier hier inderdaad in het wild heeft geleefd, al voegt hij eraan toe: “Een sluitend bewijs voor die opvatting is er niet, maar hetzelfde geldt voor de tegenovergestelde bewering.” Op een kaart van het Europese verspreidingsgebied van de lynx staat Nederland met België als een witte vlek aangegeven. De IBN-ecoloog: “Hij komt zelfs in Duitsland en Frankrijk voor en dus rijst de vraag: waarom zou hij juist bij onze grens zijn gestopt? Daar is geen enkele logische verklaring voor te geven.”

Het gaat bij dit alles om de zogeheten Euraziatische lynx, die een gevlekte huid heeft en opvalt door de karakteristieke pluimpjes op zijn oren. Het dier met de korte staart is veel groter dan de wilde kat, die tot omstreeks 1960 in Nederland werd geschoten. Herintroductie van die soort acht Groot Bruinderink ongewenst door het risico van hybridisatie: “Dat betekent dat wilde katten kunnen gaan paren met verwilderde huiskatten en bij herintroductie is het de bedoeling dat ze zich op de normale manier voortplanten door met soortgenoten te paren.” Om diezelfde reden komt de wolf voor hem niet in aanmerking: “Daar kan hybridisatie met honden optreden.”

Blijft dus de lynx, die op de Veluwe het grofwild beter over dit 80.000 hectare grote, maar sterk versnipperde natuurgebied kan spreiden doordat het dier de reeën, edelherten en wilde zwijnen permanent opjaagt. Gezien het aantal potentiële prooien (in het geval van herten en zwijnen zijn dat de jonge beesten) zou er plaats zijn voor honderd lynxen, maar Groot Bruinderink houdt het voorlopig op 25, omdat de lynx een typisch territoriaal dier is en geen soortgenoten in zijn naaste omgeving duldt.

Volgens sommige biologen is zo'n populatie veel te klein om op langere termijn stand te houden. Groot Bruidenrink: “Inderdaad, ook uit genetisch oogpunt is het een smalle basis, maar dat argument hoeft niet doorslaggevend te zijn. Overal waar lynxen in het wild leven, in Scandinavië, Tsjechië, Polen en Duitsland, komen ze in lage dichtheden voor. Bovendien kan er op den duur een uitwisseling met Duitse lynxen tot stand komen, want het dier stoort zich niet aan landsgrenzen.”

Jagers hoeven volgens hem niet te vrezen voor vermindering van hun buit: “De lynx opereert in de marge van een overweldigend aanbod. In Polen, Slovenië en Zwitserland zijn het juist de jagers die herintroductie steunen.” Anderzijds geeft hij aan de lynx als jager de voorkeur boven de mens: “De mens haalt zijn prooi uit het natuurlijke systeem en is dus, in tegenstelling tot de lynx, een vreemde predator. Daar komt bij dat lynxen altijd jagen en niet, zoals de mens, op gezette tijden. Ook dat is veel natuurlijker.”

En de recreant, loopt die geen gevaar? Groot Bruinderink: “Welnee, de lynx is een schuw dier en vormt daarom geen enkele bedreiging voor de recreërende mens.”

“In Nederland”, zei onlangs een bioloog van het Wereldnatuurfonds, “heerst een misplaatst angstgevoel ten opzichte van grotere roofdieren. Ondanks het feit dat wolven, lynxen of arenden nooit menselijke slachtoffers maken, boezemen deze dieren meer angst is dan auto's, die dagelijks hun tol eisen.”